De weduwe van den monnik was dus tot iets goed.
De heer Madeleine wist overigens niets van dit alles. 't Was een
bijzondere samenloop van gebeurtenissen, als waarvan het leven vol
is. De heer Madeleine bezocht schier nooit de werkplaats der vrouwen.
Hij had tot opzichtster dezer werkplaats een bejaarde dochter
aangesteld, welke hem door den pastoor was aanbevolen, en wie hij
zijn gansche vertrouwen schonk; zij was inderdaad een achtenswaardige,
kloeke, rechtvaardige, eerlijke vrouw, vol van die menschlievendheid,
welke in het geven bestaat; maar zij bezat niet in denzelfden graad
die liefdadigheid, welke medegevoelt en vergeeft. Mijnheer Madeleine
verliet zich geheel en al op haar. De beste menschen zijn vaak
gedwongen, hun gezag op anderen over te dragen. 't Was in haar vol
gezag en in de overtuiging dat zij wèl handelde, dat de opzichtster
het proces aangevangen, Fantine geoordeeld, gevonnist, en het vonnis
voltrokken had.
De vijftig francs, welke zij gegeven had, waren van een somme gelds
genomen, die de heer Madeleine aan haar had toevertrouwd tot het geven
van aalmoezen en het verleenen van hulp en onderstand aan de werksters,
en van welke som zij geen rekenschap behoefde te doen.
Fantine ging op het land van huis tot huis, om zich als dienstbode
aan te bieden. Niemand wilde haar echter hebben. Zij had de stad
niet kunnen verlaten. De uitdrager aan wien zij haar meubels nog
schuldig was,--en welke meubels, helaas!--had haar gezegd: Zoo gij
weggaat, laat ik u als dievegge en oplichtster gevangen zetten. De
huiseigenaar, wien zij huur schuldig was, had haar gezegd: gij zijt
jong en schoon, gij kunt wel betalen. Zij deelde de vijftig francs
tusschen den uitdrager en den huiseigenaar, gaf den eerste het drie
vierde van zijn meubels terug, behield slechts het noodzakelijke,
en bevond zich nu zonder werk, zonder verdienste, met niets dan haar
bed en nog ongeveer honderd francs schuld.
Zij vond nu werk door 't naaien van grove hemden voor de soldaten
van het garnizoen, en won daarmede twaalf sous daags. Haar dochtertje
kostte haar tien sous. 't Was in dezen tijd, dat zij de Thénardier's
minder geregeld begon te betalen.
Een oude vrouw, die 's avonds, wanneer zij te huis kwam, haar kaars
aanstak, leerde haar de kunst om in armoede te leven. Na het "van
weinig te leven," volgt het, "van niets te leven." 't Zijn twee kamers,
de eerste is donker, de tweede is pikzwart.
Fantine leerde, hoe men 's winters geheel en al zonder vuur kan;
hoe men een vogel wegdoet, die in twee dagen een cent koolzaad kost;
hoe men een onderrok als deken en een deken als onderrok gebruikt; hoe
men een kaars bespaart door des avonds zijn maaltijd bij het licht van
het venster der overzijde te nuttigen. Men weet niet, hoeveel sommige
zwakke wezens, die in ontbering en eerlijkheid oud zijn geworden, al
van een stuiver doen kunnen. Ten laatste wordt dit een talent. Fantine
verkreeg dat verheven talent, en schepte weder een weinig moed.
Omtrent dezen tijd zeide zij tot een buurvrouw:
"O, ik zeg tot mij zelf: zoo ik slechts vijf uren slaap en den geheelen
overigen tijd aan mijn naaiwerk besteed, zal ik altijd wel zoo wat mijn
brood verdienen. En daarbij, als men treurig is, eet men weinig. Welnu,
lijden, zorg, een weinig brood eenerzijds en verdriet anderzijds,
dit alles zal mij wel verzadigen."
't Zou voor haar een onuitsprekelijk geluk zijn geweest, zoo zij
in dezen nood haar dochtertje bij zich had gehad. Zij dacht er wel
aan, het te laten komen. Maar hoe! zou zij het kind in haar armoede
doen deelen! bovendien was zij Thénardier geld schuldig. Hoe hem te
voldoen? en de reis! hoe die te betalen?
De oude vrouw, welke haar, om zoo te zeggen, onderwijs in de armoede
had gegeven, was een brave, ongehuwde vrouw, Marguerite genaamd,
wezenlijk deugdzaam en godsdienstig, arm, en liefderijk voor de armen,
ja zelfs voor de rijken; zij kon niet meer dan haar naam Margeritte
schrijven, en geloofde aan God, 't geen de ware wetenschap is.
Er zijn vele dergelijke deugdzamen in de laagste rangen der
maatschappij; eenmaal zullen zij in de hoogste zijn. Dit leven heeft
een volgenden dag.
In de eerste dagen was Fantine zoo beschaamd geweest, dat zij niet
had durven uitgaan.
Op de straat was 't haar, alsof men zich naar haar omkeerde en haar
met den vinger nawees; iedereen gluurde haar aan, maar niemand groette
haar; de koele, bittere verachting der voorbijgangers ging haar door
lijf en ziel als een scherpe noordenwind.
In kleine steden verschijnt een ongelukkige naakt en bloot onder
de spotzucht en nieuwsgierigheid van iedereen. In groote steden, te
Parijs ten minste, kent de een den ander niet, en deze onbekendheid
is een soort van bekleedsel. Ach, hoe gaarne zou zij naar Parijs zijn
gegaan; maar 't was onmogelijk.
Zij moest zich nu even goed aan de verachting gewennen, als zij zich
aan de armoede had gewend. Allengs vermande zij zich. Na verloop van
een paar maanden schudde zij de schaamte af, en ging uit als wist
zij van niets. 't Is mij onverschillig, zeide zij.
Zij kwam en ging met opgeheven hoofd, een bitteren glimlach om de
lippen, en gevoelde dat zij onbeschaamd werd.
Madame Victurnien zag haar soms haar venster voorbijgaan, en merkte den
nood op van "dat wezen," 't welk zij "weder op haar plaats gebracht
had", en wenschte er zich geluk mede. De slechte menschen hebben een
vreeselijk geluk.
De overmatige arbeid putte Fantine uit, en de droge kuch, welke zij
reeds had, nam toe. Dikwijls zeide zij tot haar buurvrouw Margaretha:
"Voel eens hoe heet mijn handen zijn!"
Des morgens echter, wanneer zij met een ouden gebroken kam haar
fraai haar, dat als vlokkige zijde golfde, in orde streek, had zij
een oogenblik van gelukkige coquetterie.