Fauchelevent had door zijn val de knieschijf gebroken. Vader Madeleine
deed hem naar het gasthuis voeren, 't welk hij in het fabriek-gebouw
zelf voor zijn werklieden had opgericht, en waarin twee liefdezusters
als verpleegsters dienst deden. Den volgenden morgen vond de
grijsaard op zijn nachttafeltje een bankbriefje van duizend francs,
met deze woorden, door vader Madeleine geschreven: "Ik koop uw kar
en paard." De kar was gebroken en het paard dood. Fauchelevent genas,
maar behield een stijf been. Op aanbeveling der liefdezusters en van
den pastoor bezorgde mijnheer Madeleine den ouden man een betrekking
als tuinier in een vrouwenklooster in de wijk St. Antoine te Parijs.
Eenigen tijd later werd de heer Madeleine tot maire benoemd. Den
eersten keer dat Javert den heer Madeleine met de sjerp zag, die
hem het hoogste gezag over de stad gaf, gevoelde hij een soort van
rilling, als een hond zou gevoelen, welke in de kleederen van zijn
meester een wolf riekt. Van dien oogenblik af vermeed hij hem zooveel
mogelijk. Wanneer zijn dienstplichten het gebiedend vorderden en hij
er niet buiten kon zich tot mijnheer den maire te begeven, sprak hij
steeds met den diepsten eerbied tot hem.
De welvaart, die vader Madeleine te M. sur M. had doen ontstaan, had,
behalve de zichtbare teekenen welke wij reeds hebben aangewezen,
een ander verschijnsel ten gevolge, dat, hoewel niet zichtbaar,
daarom niet minder belangrijk was. Het bedriegt nooit. Wanneer het
volk lijdt, wanneer werk ontbreekt, wanneer er geen handel is, is de
belastingschuldige wederspannig aan de schatkist uit geldgebrek; hij
voldoet niet aan de voorgeschrevene belastingtermijnen, en de staat
verspilt veel geld aan vervolgingskosten en dwangmiddelen. Wanneer het
werk overvloedig is, wanneer het land rijk en gelukkig is, wordt de
belasting gereedelijk betaald en de staat heeft weinig kosten. Men kan
zeggen, dat de vervolgingskosten wegens de belasting een onfeilbare
thermometer van de armoede of den rijkdom van een land zijn. In
zeven jaren waren de kosten van vervolging in het arrondissement
M. sur M. tot een vierde verminderd, 't geen den heer de Villèle,
toen minister van financiën, dit arrondissement vaak tot voorbeeld
voor allen deed aanhalen.
Zoodanig was de toestand in het oord, toen Fantine er
wederkeerde. Niemand herinnerde zich haar meer. Gelukkig was de poort
der fabriek van den heer Madeleine voor haar als het gezicht van
een vriend. Zij verzocht werk en werd in de werkplaats der vrouwen
toegelaten. Deze arbeid was haar geheel vreemd; zij was er dus niet
terstond vlug mede, zoodat zij slechts een gering dagloon verdiende,
doch het was toereikend, het vraagstuk was opgelost: zij verdiende
den kost.