VADER FAUCHELEVENT.

Op zekeren ochtend ging mijnheer Madeleine te M. sur M. door

een kleine, ongeplaveide straat: hij hoorde rumoer en zag op

eenigen afstand een groep menschen. Hij ging er heen. Een oude man,

Fauchelevent geheeten, lag onder zijn kar, waarvan het paard gevallen

was.

Deze Fauchelevent behoorde tot de weinige vijanden, welke de heer

Madeleine te dien tijde nog had. Toen Madeleine in het oord was

gekomen, dreef Fauchelevent, een voormalig ambtsschrijver en een

min of meer geletterde boer, een handel, die achteruit begon te

gaan. Fauchelevent zag den eenvoudigen werkman rijk worden, terwijl

hij, een baas, armer en armer werd. Dit had hem met afgunst vervuld,

en hij deed bij iedere gelegenheid al het mogelijke om Madeleine te

benadeelen. Toen hij eindelijk bankroet ging en niets meer bezat dan

een kar en een paard, werd hij op zijn ouden dag, om te kunnen leven,

voerman. Vrouw of kinderen had hij niet.

Het paard had twee pooten gebroken en kon niet weer opstaan. De oude

man lag tusschen de wielen en was zoo ongelukkig gevallen, dat de

gansche kar op zijn borst drukte. De kar was vrij zwaar geladen. De

oude Fauchelevent jammerde erbarmelijk. Men had gepoogd, hem er onder

uit te halen, maar vruchteloos. Een onvoorzichtige krachtsinspanning,

een onhandigheid, een verkeerde beweging kon hem het leven kosten. 't

Was niet mogelijk hem te bevrijden, dan door het voertuig van onder

op te heffen. Javert, die op 't oogenblik van 't ongeluk daar ter

plaatse was, had een windas doen halen.

Toen mijnheer Madeleine naderde, ging men eerbiedig voor hem ter zijde.

"Help!" riep de oude Fauchelevent. "Wie is zoo goed den ouden man

te helpen?"

De heer Madeleine wendde zich tot de omstanders en vroeg:

"Heeft iemand een windas?"

"Men haalt er een," antwoordde een boer.

"Zal 't lang duren, eer men 't heeft?"

"Men is naar den naasten smid gegaan; maar er zal wel een kwartier

uurs meê heengaan."

"Een kwartier uurs!" riep Madeleine. Het had den vorigen dag geregend,

de grond was doorweekt; de kar zonk er ieder oogenblik dieper in en

drukte zwaarder en zwaarder op den ouden voerman.

't Was duidelijk, dat binnen vijf minuten zijn ribben zouden gebroken

zijn.

"'t Is onmogelijk een kwartier uurs te wachten," zei Madeleine tot

de omstanders.

"Het kan niet anders!"

"Maar dan zal het te laat zijn. Ziet ge niet, dat de kar steeds

dieper zinkt?"

"Inderdaad!"

"Luistert," hernam Madeleine, "er is nog ruimte genoeg voor een man

om onder de kar te kruipen en ze met zijn rug op te lichten. In een

halve minuut zal de arme man er onder uitgehaald zijn. Is er iemand

die kracht en moed heeft? Er zijn vijf louis d'or te verdienen."

Niemand bewoog zich.

"Tien louis," zei Madeleine.

De omstanders sloegen de oogen neder. Een mompelde er:--Men zou

wel drommels sterk moeten zijn. En daarbij loopt men gevaar verplet

te worden.

"Nu! twintig louis d'or?" hernam Madeleine.

Hetzelfde zwijgen.

"'t Ontbreekt hun niet aan goeden wil," zei een stem.

Mijnheer Madeleine keerde zich om en herkende Javert, dien hij nog

niet gezien had.

Javert vervolgde:

"Maar aan de kracht. Men moet wel een schrikkelijk sterk man zijn,

om met den rug zulk een kar op te lichten."

Hij staarde den heer Madeleine nu strak aan, en op ieder zijner

woorden drukkende, zeide hij:

"Ik heb van mijn leven slechts één man gekend, mijnheer Madeleine,

die in staat was te doen wat gij meent."

Madeleine ontroerde.

Javert voer op onverschilligen toon voort, doch zonder de oogen van

Madeleine af te wenden:

"'t Was een galeislaaf."

"Zoo!" zei Madeleine.

"In het bagno van Toulon."

Madeleine verbleekte.

Ondertusschen zonk de kar langzaam dieper en dieper. De oude

Fauchelevent kermde en huilde:

"Ik stik! Mijn ribben breken! Een windas! 't Een of 't ander! Ach!"

Madeleine zag nogmaals om zich en zeide:

"Is er dan niemand die twintig louis d'or wil verdienen en het leven

van dien armen ouden man redden?"

Geen der aanwezenden bewoog zich. Javert herhaalde:

"Ik heb maar één mensch gekend die een windas kon vervangen. 't Was

deze galeislaaf."

"Ach! ik word verplet!" schreeuwde de grijsaard.

Madeleine richtte het hoofd op, zag den valkenblik van Javert steeds

op zich gevestigd, zag de boeren aan, die zich niet verroerden en

glimlachte treurig. Zonder een woord te spreken, zonk hij toen op

de knieën en zelfs vóór de omstanders een kreet hadden kunnen uiten,

was hij onder de kar.

Er ontstond een vreeselijk oogenblik van verwachting en stilte.

Men zag Madeleine schier plat op den buik onder den vreeselijken

last tweemaal tevergeefs beproeven zijn knieën dichter tot zijn

ellebogen te brengen. Men riep hem toe:--"Vader Madeleine! kom er

onder uit."--Zelfs de oude Fauchelevent zeide:--"Ga heen, mijnheer

Madeleine. Gij ziet wel, dat ik moet sterven. Verlaat mij! Gij zult

u ook laten verpletten!"--Madeleine antwoordde niet.

De aanwezenden ademden nauwelijks. De wielen waren dieper gezonken en

't was reeds bijna onmogelijk voor Madeleine geworden van onder het

voertuig weg te komen.

Eensklaps zag men het zware gevaarte wiegelen, langzaam verhief zich

de kar, de wielen kwamen ten halve uit het spoor. Men hoorde een

gesmoorde stem roepen: "Haast u! helpt!" 't Was Madeleine, die een

laatste inspanning had gedaan.

Al de omstanders ijlden toe. De zelfopoffering van één mensch had allen

moed en kracht gegeven. De kar werd door twintig armen opgeheven. De

oude Fauchelevent was gered.

Madeleine richtte zich op. Hij was bleek, hoewel van zweet

druipend. Zijn kleeding was gescheurd en met slijk bedekt. Allen

weenden; de grijsaard omhelsde zijn knieën en noemde hem een engel

Gods. Op Madeleine's gezicht lag een onbeschrijfelijke uitdrukking van

een hemelsch zalig lijden; hij hield zijn kalm oog op Javert gevestigd,

die hem steeds aanschouwde.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 113 / 177 题