FLIKKERINGEN AAN DEN HORIZON.

Allengs en met der tijd was elke oppositie verdwenen. In den beginne

hadden zich allerlei boosaardigheden en lasterlijke praatjes tegen

den heer Madeleine verheven--een soort van algemeene wet tegen al

wat in de hoogte komt--vervolgens waren 't slechts schimpscheuten en

spotternij, tot eindelijk alles ophield; de eerbied werd algemeen,

eenparig, hartelijk, en het oogenblik kwam, omstreeks 1821, dat het

woord: "mijnheer de Maire" te M. sur M. bijna op denzelfden toon

werd gesproken, als in 1815 het woord "Monseigneur de bisschop" te

D. Men kwam tien uren ver uit den omtrek om mijnheer Madeleine te

raadplegen. Hij besliste de geschillen, voorkwam processen, verzoende

vijanden. Ieder koos hem tot scheidsrechter in zijn zaak. Het was,

alsof zijn hart het natuurlijk wetboek was. De achting, welke men

hem toedroeg, scheen aanstekelijk; want in zes of zeven jaren was

die allengskens op het geheele oord overgegaan.

Slechts een enkel mensch in de stad en het arrondissement onttrok

zich geheel aan die vereering, en vader Madeleine mocht doen wat hij

wilde, deze man was weerspannig, alsof een soort van onverwinnelijk

en onverzetbaar instinct hem bezielde en verontrustte. 't Is, alsof

sommige menschen een wezenlijk dierlijk instinct bezitten, zuiver

en onbedorven als ieder instinct, dat sympathie en afkeer schept,

vaak op jammerlijke wijze het eene karakter van het andere scheidt,

dat nooit aarzelt, nooit zwijgt en zich nooit verloochent, dat helder

in zijn duisternis ziet, dat onbeperkt heerschend, weerspannig tegen

alle vermaningen van het verstand en de lessen der rede is, en dat,

in welken vorm de omstandigheden zich ook voordoen, heimelijk den

mensch-hond voor de tegenwoordigheid van de mensch-kat waarschuwt,

en den mensch-vos voor den mensch-leeuw.

Vaak gebeurde het, dat, wanneer de heer Madeleine rustig, vriendelijk

over de straat ging, begroet door de zegenwenschen van allen, een man

van hooge gestalte, gekleed in een ijzerkleurige grijze jas, met een

dikken stok in de hand en een neergedrukten hoed op het hoofd, zich

plotseling achter hem omkeerde en hem naoogde tot hij verdwenen was,

de armen over elkander sloeg, langzaam het hoofd schudde en de bovenlip

met de onderlip tot aan den neus optrok; een veelbeteekenend gebaar,

dat zooveel te verstaan gaf als:--Wie is toch deze man?--Ik heb hem

stellig ergens gezien.--In allen gevalle, hij zal mij niet misleiden.

Deze persoon, van een schier dreigende strengheid, behoorde tot

dezulken, die, zelfs slechts vluchtig gezien, lang in 't geheugen

blijven.

Hij heette Javert en behoorde tot de politie.

Te M. sur M. vervulde hij de moeielijke, maar nuttige functie van

inspecteur van politie. Hij had den aanvang van Madeleine niet

gezien. Javert had den post, dien hij bekleedde, te danken aan den

heer Chabouillet, den secretaris van den minister van staat Anglès,

die destijds prefect van politie te Parijs was.

Toen Javert te M. sur M. kwam, had de groote fabrikant zijn fortuin

reeds gemaakt, en vader Madeleine was mijnheer Madeleine geworden.

Sommige politiebeambten hebben een eigenaardige physionomie,

samengesteld uit gemeenheid en heerschzucht. Javert had zulk een

gezicht, behalve de gemeenheid.

Wij zijn overtuigd dat, zoo de zielen voor het oog zichtbaar waren,

men duidelijk het zonderling verschijnsel zou zien, dat ieder individu

van het menschelijk geslacht met een of andere diersoort overeenkomt;

en men zou zich gemakkelijk van de nauwelijks door den denker vermoede

waarheid kunnen overtuigen, dat van de oester tot den arend, van het

zwijn tot den tijger, alle dieren in den mensch zijn, en ieder hunner

in een mensch is. Soms zelfs verscheidene tegelijkertijd.

De dieren zijn niet anders dan de beelden onzer deugden en ondeugden,

die voor onze oogen zweven, de zichtbare beelden onzer zielen. God

toont ze ons, om ons tot nadenken te brengen. Maar, aangezien de

dieren slechts schimmen zijn, heeft God ze niet, in den volsten zin des

woords, geschikt voor de opvoeding gemaakt: wat zou het baten? Dewijl

nu onze zielen integendeel iets werkelijks zijn en een eigenaardig

doel hebben, heeft God haar het verstand gegeven, dat wil zeggen,

de geschiktheid tot opvoeding. De maatschappelijke opvoeding, wanneer

zij goed bestuurd is, kan altijd uit elke ziel, hoedanig die ook zij,

de nuttigheid trekken, welke zij bevat.

Dit is, men versta ons wel, enkel gezegd uit het begrensde gezichtspunt

van het waarneembare aardsche leven, zonder het diepzinnige vraagstuk

der vroegere of latere persoonlijkheid der wezens, die niet mensch

zijn, aan te roeren.

Het zichtbare IK machtigt in geenen deele den denker, het verborgen

IK te loochenen. Na deze opmerking gaan wij verder.

Zoo men ons nu voor een oogenblik toegeeft, dat zich in ieder mensch

een diersoort der schepping bevindt, zal 't ons gemakkelijk zijn te

zeggen, wat de politiebeambte Javert was.

De boeren in Asturië zijn in de vaste overtuiging, dat telkens wanneer

een wolvin werpt er een hond onder haar welpen is, die door de moeder

wordt gedood, wijl hij anders, wanneer hij grooter werd, de andere

kleinen zou verscheuren.

Geef een menschelijk gezicht aan dien hond, 't jong eener wolvin,

en men zal Javert hebben.

Javert was in een gevangenis geboren, van eene kaartlegster, wier man

in de galeien was. Toen hij grooter werd, dacht hij uit de maatschappij

te zijn gesloten, en wanhoopte er ooit in terug te keeren. Hij maakte

de opmerking, dat de maatschappij onverbiddelijk twee klassen van

menschen uitsloot: hen die haar aanranden en hen die haar bewaken;

hij had geen andere keuze dan tusschen deze beide klassen; tevens had

hij een zeker gevoel van strengheid, orde en eerlijkheid, gepaard aan

een onuitsprekelijken haat tegen dat ras van vagebonden, waartoe hij

behoorde. Hij ging in dienst der politie, en kwam er vooruit. In zijn

jeugd was hij in de bagno's van het zuiden geplaatst geweest.

Voor wij verder gaan, willen wij eene andere verklaring geven van

het menschelijk gezicht, dat wij zoo aanstonds aan Javert toekenden.

Het menschengezicht van Javert bestond uit een stompen neus,

met twee diepe neusgaten, welke op beide wangen zware bakkebaarden

aanraakten. 't Was een onbehaaglijke gewaarwording, wanneer men voor

het eerst deze twee wouden en die twee holen zag. Wanneer Javert

glimlachte, 't geen zeldzaam en afschuwelijk was, scheidden zich

zijn dunne lippen, en lieten niet alleen zijn tanden maar ook het

tandvleesch zien; en om zijn neus ontstond een woeste dikke plooi,

als op den muil van een wild dier. Met een ernstig gelaat was Javert

een dog; glimlachend was hij een tijger. Overigens was zijn schedel

laag, zijn kaken waren breed; zijn haar bedekte het voorhoofd en hing

op de wenkbrauwen; tusschen de oogen lag voortdurend een rimpel, als

een onheilspellende ster; zijn blik was somber, zijn mond dichtgenepen

en vreeselijk, zijn geheel voorkomen gaf woeste zucht om te bevelen

te kennen.

Deze man was samengesteld uit twee zeer eenvoudige en betrekkelijk

goede eigenschappen, welke hij echter door ze te overdrijven,

schier slecht maakte; den eerbied voor het gezag, den haat tegen

wederstand. In zijn oog waren diefstal, moord, ja alle misdaden,

slechts verschillende vormen van wederspannigheid. Hij omvatte

met een soort van blinden en diepen eerbied allen, die eenig ambt

in den staat bekleedden, van den eersten minister tot den minsten

veldwachter. Hij zag met diepe verachting en afschuw neer op alles

wat eenmaal den wettelijken drempel van het kwade had betreden. Hij

was hierin onverzettelijk, en duldde geen uitzonderingen. Aan den

eenen kant zeide hij:--de beambte kan zich niet bedriegen; de rechter

heeft nooit ongelijk.--Aan den anderen kant: Dezen zijn onherstelbaar

verloren. Er kan niets goeds van komen.--Hij deelde volkomen het

denkbeeld derzulken, die, in hun overdrijving, aan de menschelijke

wet de macht toekennen om duivelen te maken, of, zoo men wil, iemand

voor zoodanig te doen houden, en die aan den benedensten rand der

maatschappij een Styx plaatsen. Hij was ongevoelig, ernstig, streng;

een treurig denker; nederig en trotsch als een geestdrijver. Zijn

blik was als een boor, koud en doordringend. Zijn geheel leven

was in deze twee woorden besloten: waken en bewaken. Hij had de

rechte lijn gebracht in het kromste wat ter wereld is; hij hield

zich zelven overtuigd, van zijn noodzakelijkheid, van de nuttigheid

van zijn ambt, en was spion gelijk een ander priester is. Wee hem

die in zijn handen viel! Hij zou zijn vader hebben gevangengenomen,

zoo die uit het tuchthuis had willen vluchten, en zijn moeder zou

hij hebben aangeklaagd, zoo zij haar ban verbroken had. En hij zou

't gedaan hebben met die inwendige zelfvoldoening, welke de deugd

geeft. Daarbij leefde hij in ontbering, afzondering, zelfverloochening

en kuischheid, en gaf zich nooit aan eenige uitspanning over. Hij

was de onwrikbare plicht, de politie opgevat in denzelfden zin,

als de Spartanen Sparta opvatteden een onmeedoogende bespieding,

een ruwe eerlijkheid, een marmeren spion, Brutus in Vidocq.

De geheele persoon van Javert had de uitdrukking van een mensch, die

bespiedt en zich verbergt. De mystieke school van Joseph de Maistre,

welke in dien tijd de zoogenaamde ultra-bladen met verheven cosmogonie

kruidde, zou niet geaarzeld hebben, Javert een symbool te noemen. Men

zag zijn voorhoofd niet, dat onder zijn hoed verdween; men zag zijn

oogen niet, die onder zijn wenkbrauwen verscholen waren; men zag

zijn kin niet, die in zijn das was gedoken; men zag zijn handen niet,

die in de mouwen teruggetrokken waren; men zag zelfs zijn stok niet,

dien hij onder zijn jas droeg. Maar kwam de gelegenheid voor, dan zag

men eensklaps uit deze gedaante, als uit een hinderlaag, een hoekig,

smal hoofd, een heilloozen blik, een dreigende kin, groote handen en

een geduchten rotting te voorschijn komen.

In zijn vrije oogenblikken, die zeer zeldzaam waren, las hij, hoewel

hij de boeken haatte; hij was alzoo niet geheel ongeletterd. Men

erkende dit aan eenige pedanterie in zijn woorden.

Wij hebben gezegd, dat hij geen enkele ondeugd had. Was hij zeer

tevreden met zich zelven, dan veroorloofde hij zich een snuifje te

nemen. Hierdoor bezat hij nog eenige gemeenschap met de menschheid.

Dat Javert de schrik was dier klasse, welke jaarlijks op de staten

van den minister van justitie onder de rubriek van: "Lieden zonder

bepaald verblijf" wordt aangeduid, is licht te begrijpen.

Reeds de naam van Javert joeg hen op de vlucht; en Javerts gezicht

deed hen als verstijven.

Zoodanig was deze vreeselijke man.

Javert was als een oog, dat onophoudelijk op den heer Madeleine was

gericht. Een oog vol achterdocht en vermoedens. Eindelijk werd de heer

Madeleine hierop opmerkzaam, doch 't scheen hem onverschillig. Hij

vroeg zelfs Javert niets, en zocht noch ontweek hem; hij verdroeg,

zonder dat hij er op scheen te letten, diens hinderlijken en schier

drukkenden blik. Hij behandelde Javert gelijk iedereen, ongedwongen

en met goedheid.

Uit eenige woorden, welke Javert ontglipt waren, bleek het, dat hij

heimelijk, met die nieuwsgierigheid welke dit menschenras eigen is,

en waarin evenveel instinct als wilskracht ligt, getracht had, al de

sporen, welke vader Madeleine elders vroeger had kunnen achterlaten,

te ontdekken. Hij scheen te weten, en zeide vaak bedektelijk,

dat iemand zekere inlichtingen had verkregen in een zeker gewest

nopens een zekere verdwenen familie. Eens zeide hij, tot zich zelven

sprekende:--Ik geloof, dat ik er achter ben!--Toen bleef hij drie

dagen peinzen, zonder een woord te spreken. Het schijnt dat de draad,

dien hij meende in handen te hebben, was gebroken.

Overigens--en dit tot noodzakelijke verklaring van den zin, dien

zekere woorden al te bepaald konden aangeven--in een menschelijk wezen

kan niets wezenlijk onfeilbaars zijn, en het eigenaardige van het

instinct is juist, dat het zich vergissen en op een dwaalweg gebracht

kan worden. Anders zou het instinct het verstand overtreffen, en het

dier een beter licht hebben dan de mensch.

Javert gevoelde zich blijkbaar een weinig van zijn stuk gebracht door

de volkomene gerustheid en natuurlijkheid van den heer Madeleine.

Op zekeren dag evenwel scheen zijn zonderlinge handelwijze op den heer

Madeleine eenigen indruk te maken, en wel bij de volgende gelegenheid.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 111 / 177 题