In 't begin van 't jaar 1821 berichtten de dagbladen den dood van den
heer Myriel, bisschop van D., "bijgenaamd Monseigneur Bienvenu," in
den ouderdom van twee-en-tachtig jaren en in den reuk van heiligheid
overleden.
De bisschop van D.--om hier een bijzonderheid bij te voegen, waarvan
de dagbladen niet gewaagden, was, toen hij stierf, sedert verscheidene
jaren blind, en met zijn blindheid tevreden, wijl hij zijn zuster
bij zich had.
Blind en bemind te zijn, wij zeggen dit in 't voorbijgaan, is op
deze aarde, waar niets volmaakt is, inderdaad een der uitgezochtste
en edelste vormen van het geluk. Gestadig aan zijn zijde een gade,
een dochter, een zuster, een vrouwelijk wezen te hebben, dat daar is,
omdat gij haar noodig hebt en zij u niet kan ontberen; te weten, dat
men onmisbaar is voor degene die wij noodig hebben; onophoudelijk
haar liefde te kunnen afmeten naar den duur harer tegenwoordigheid
bij ons, en te kunnen zeggen: dewijl zij al haar tijd aan mij wijdt,
moet ik wel haar geheele hart bezitten; haar gedachten te aanschouwen
in de plaats van haar lichaam; de trouw van zulk een wezen door haar
verzaking van de wereld bevestigd te zien, het geritsel van kleederen
te vernemen, als het klapwieken van vleugelen; haar heen en weder, in
en uit te hooren gaan, haar te hooren spreken en zingen, en te denken,
dat men het middelpunt dier stappen, dier woorden, van dien zang is;
ieder oogenblik zijn eigen aantrekkingskracht uit te oefenen, en zich
sterker te gevoelen naargelang men gebrekkiger is; in de duisternis
en door de duisternis de ster te zijn, om welke zich zulk een engel
beweegt--weinige zaligheden, die deze evenaren. Het hoogste geluk
des levens is de overtuiging, bemind te zijn, om zich zelven bemind
te zijn, of laat ons liever zeggen, ondanks zich zelven bemind te
zijn. Deze overtuiging heeft de blinde. In zulk een ramp bediend te
worden, is geliefkoosd te worden. Ontbreekt den blinde iets? Neen. Wie
de liefde bezit, heeft het licht niet verloren. En welk een liefde? Een
liefde, die geheel uit deugd bestaat. Er is geen blindheid, waar
zekerheid is. De ziel zoekt tastend de ziel en vindt haar. En de
gevondene en beproefde ziel is een vrouw. De hand die u steunt, is de
hare; een mond raakt uw voorhoofd aan, 't is haar mond; ge hoort een
adem in uw nabijheid, 't is de hare. Alles van haar te hebben, van
haar vereering af tot haar medelijden toe; nooit verlaten te worden;
deze teedere zwakheid te bezitten, die u helpt; op dat onwrikbaar riet
te steunen; met de handen de Voorzienigheid aan te raken en ze in de
armen te kunnen nemen; de tastbare godheid!--welk een verrukking! Het
hart, deze onbekende hemelsche bloem, komt tot een geheimzinnige
ontluiking. Men zou deze duisternis niet voor de grootste helderheid
willen geven! De engelenziel is er, gestadig is zij er; zoo zij zich
verwijdert, is 't om weder te keeren; zij verdwijnt als de droom, en
verschijnt weder als de werkelijkheid. Men voelt warmte naderen, zij
is 't. Het hart vloeit over van helderheid, blijdschap en verrukking;
't is als een schittering in den nacht. En die duizend kleine zorgen
en oplettendheden! Kleinigheden, die in deze ledigheid van onmetelijke
grootte zijn. De teederste, zachtste klanken der vrouwelijke stem,
dienende om den blinde te wiegen en de voor hem verdwenen wereld
vervangende. Hij wordt door de ziel geliefkoosd. Hij ziet niets,
maar gevoelt zich bemind. 't Is een paradijs in de duisternis.
't Was uit dit paradijs, dat Monseigneur Bienvenu tot het andere
was overgegaan.
Het bericht van zijn dood werd door het stedelijk blad van M. sur
M. medegedeeld. Mijnheer Madeleine verscheen den anderen dag geheel in
't zwart, met een rouwfloers om zijn hoed.
Deze rouw werd in de stad opgemerkt en er werd over gepraat. Ze scheen
een lichtstraal omtrent de afkomst van mijnheer Madeleine. Men leidde
er uit af, dat hij met den eerbiedwaardigen bisschop in eenigen
graad verwant was. "Hij rouwt over den bisschop van D.," zeide men
in de gezelschappen; dit verhief mijnheer Madeleine niet weinig en
schonk hem eensklaps een zeker aanzien in de aristocratische wereld
te M. sur M. De microscopische voorstad Saint-Germain van het stadje
dacht er aan, mijnheer Madeleine in haar kringen op te nemen, daar
hij waarschijnlijk de bloedverwant van een bisschop was. Mijnheer
Madeleine bespeurde zijn verheffing in de openbare opinie aan de
dieper buigingen der oude dames en aan de vriendelijker glimlachjes
der jongere. Op zekeren avond waagde een dame uit deze kleine groote
wereld, hem te vragen: "Mijnheer de maire is waarschijnlijk een neef
van wijlen den bisschop van D.?"
"Neen, mevrouw," was het antwoord.
"Maar," hernam de oude dame, "u rouwt toch over hem?"
Hij antwoordde:--"'t Is, omdat ik in mijn jeugd als lakei in zijn
familie gediend heb."
Nog één opmerking werd gemaakt, namelijk, dat telkens, wanneer een
kleine zwervende savoyaard in de stad kwam om schoorsteenen te vegen,
mijnheer de maire hem bij zich liet roepen, hem naar zijn naam vroeg
en hem geld gaf. De kleine savoyaards zeiden dit aan elkander, en er
kwamen er velen in de stad.