Madeleine was overigens even eenvoudig gebleven als hij den eersten
dag was. Hij had grijs haar, een ernstigen blik, de bruine kleur van
den arbeider, het denkend gelaat van een wijsgeer. Gewoonlijk droeg
hij een hoed met breeden rand en een lange jas van grof laken, die tot
aan de kin was dichtgeknoopt. Hij vervulde zijn plichten als maire,
maar leefde overigens stil. Hij verkeerde met weinig menschen; onttrok
zich aan plichtplegingen, groette beleefd, verwijderde zich haastig,
glimlachte, om zich van 't spreken te verschoonen, en gaf, om zich
van 't glimlachen te verschoonen. De vrouwen noemden hem een goeden
beer. 't Was zijn vermaak, buiten in de vrije natuur te wandelen.
Steeds at hij alleen, met een geopend boek voor zich, waarin hij
las. Hij bezat een kleine, uitgezochte bibliotheek. Hij hield veel van
boeken; boeken zijn koele, maar trouwe vrienden. Naarmate hij met de
toenemende fortuin meer vrijen tijd kreeg, scheen hij dien te besteden
aan de beschaving van zijn geest. Sinds hij te M. sur M. was, had
men opgemerkt, dat zijn taal jaarlijks beschaafder en zuiverder werd.
Gaarne nam hij op zijn wandelingen een geweer mede, doch hij bediende
er zich zelden van. Gebeurde hem dit bij toeval, dan was zijn schot
ontzettend juist. Nooit doodde hij een weerloos dier. Nooit schoot
hij een vogeltje.
Hoewel niet jong meer, moest hij, naar men zei, verbazend sterk
wezen. Hij bood de behulpzame hand aan wie ze behoefde, richtte een
paard op, hielp een in 't slijk gezonken wiel weer terecht, hield
een weggeloopen stier bij de hoorns vast. Zijn zakken waren steeds
vol kleine munt, als hij uitging; en ledig als hij terugkwam. Zoo
hij een dorp doorging, liepen de kleine kinderen hem vroolijk na,
en omringden hem als een zwerm muggen.
Men meende te mogen opmaken, dat hij vroeger buiten op het land
had geleefd, want hij wist allerlei nuttige geheimen, waarmede hij
de boeren bekend maakte. Hij leerde hun den koornworm verdelgen,
door het besprenkelen van den vloer en het bevochtigen der reten in
de planken met een oplossing van gewoon keukenzout, en de kalander
te verjagen door aan de muren en daken, in de schuren en pakhuizen
bloeiende varens te hangen. "Hij had recepten" om den zwarten komijn,
den brand in 't koren, de wikke, den vossestaart en alle ander onkruid,
dat het koorn benadeelt, uit te roeien.
Op zekeren dag zag hij eenige landlieden ijverig bezig met onkruid
uit te roeien; den hoop uitgetrokken en reeds verdroogde planten
aanschouwende, zeide hij:--'t is dood. 't Zou echter waarde hebben,
zoo men 't nuttig wist aan te wenden. De bladeren van de jonge
brandnetel zijn een heerlijke groente; ouder geworden heeft zij
stengels en vezelen, gelijk die van de hennep en het vlas. Het linnen
van brandnetels is even goed als dat van hennep. Fijn gehakt is de
brandnetel een goede spijs voor het gevogelte; gestampt, is zij goed
voor het hoornvee. Het zaad van de brandnetels onder het voeder gemengd
maakt de huid van het vee zacht en glanzig, de wortel met zout vermengd
geeft een fraaie, gele kleur. 't Is overigens een uitmuntend hooi,
dat tweemaal gemaaid kan worden. En wat heeft de netel noodig? Weinig
grond, geen zorg of opkweeking, alleen valt het zaad uit, naarmate
de plant rijp wordt, en is moeielijk in te zamelen. Dit is het eenige
bezwaar: zoo men zich eenige moeite gaf, zou de netel zeer nuttig zijn;
maar wijl men ze veronachtzaamt, wordt zij schadelijk, en men doodt
ze. Hoevele menschen gelijken de netel!--Na eenig zwijgen voegde hij er
bij: Onthoudt dit wel, vrienden, er zijn evenmin slechte kruiden als er
slechte menschen zijn. Er zijn alleen slechte kweekers en verzorgers.
Ook de kinderen beminden hem, wijl hij zeer fraaie dingen van stroo
en notenschalen kon maken.
Wanneer hij de deur eener kerk met zwart bekleed zag, trad hij
binnen; hij was even gaarne bij een begrafenis als anderen op een
doopmaal. Tot de verlatenheid en het ongeluk van anderen voelde hij
zich door zijn teerhartigheid aangetrokken; hij mengde zich onder de
treurende vrienden, onder de rouwende verwanten, onder de priesters
biddende om een doodkist. Hij scheen gaarne zijn gedachten bezig te
houden met de treurgezangen, die op een andere wereld wezen. De oogen
hemelwaarts, luisterde hij, met een soort van verzuchting, naar die
geheimen van het oneindige, naar de treurige stemmen, welke op den
rand van den donkeren afgrond des doods zingen.
Hij verrichtte een menigte goede werken in 't verborgen, gelijk anderen
zich verbergen voor de slechte. Heimelijk vervoegde hij zich 's avonds
in de huizen en sloop de trap op. Meermalen vond een arme drommel
bij zijn thuiskomst, dat de deur van zijn vlieringkamertje in zijn
afwezendheid geopend, ja soms met geweld, geopend was geworden. Hij
meende, dat een boosdoener het gedaan had! Hij ging binnen, en 't
eerste wat hij zag, was een achtergelaten goudstuk op een of ander
meubelstuk. De "boosdoener" was vader Madeleine geweest.
Hij was vriendelijk, maar droefgeestig. Het volk zeide: Hij is rijk,
maar niet trotsch. Hij is gelukkig, maar schijnt niet vergenoegd.
Sommigen meenden, dat er iets geheimzinnigs aan en in hem was en
beweerden, dat niemand zijn kamer mocht binnengaan, die een ware
kluizenaarscel was, met gevleugelde zandloopers, met gekruiste
beenderen en doodshoofden. Dit werd zoo algemeen verhaald, dat een
paar jonge, schalksche dametjes uit de groote wereld van M. sur M. hem
op zekeren keer bezochten en vroegen: "Mijnheer de maire, laat ons
toch ook uw kamer eens zien. Men zegt, dat het een grot is." Hij
glimlachte, en geleidde ze terstond naar deze "grot." Zij werden
voor haar nieuwsgierigheid naar verdienste gestraft. 't Was een kamer
met gewone mahoniehouten meubels en met gewoon papier behangen. Niets
merkwaardigs viel haar in 't oog, dan een paar ouderwetsche kandelaars,
die op den schoorsteen stonden en van zilver schenen te zijn, "want
er stond een keur op." Een aanmerking, die volkomen den geest van
kleine steden aanduidt.
Desniettemin bleef men hardvochtig zeggen, dat niemand deze kamer
mocht binnengaan en 't een kluizenaarsgrot, een spelonk, een hol,
een graf was.
Men fluisterde ook, dat hij "onnoemelijke" schatten bij Laffitte had
belegd, en voegde er de bijzonderheid bij, dat zij steeds onmiddellijk
te zijner beschikking waren, en hij slechts bij Laffitte behoefde te
gaan en een kwitantie te teekenen om in tien minuten twee of drie
millioen mede te nemen. Deze twee of drie millioen bepaalden zich
inderdaad, zooals wij reeds gezegd hebben, tot zeshonderd dertig of
veertig duizend francs.