Hij was iemand van ongeveer vijftig jaar, met een peinzend voorkomen
en een goedhartig karakter. Meer wist men niet van hem te zeggen.
Tengevolge der snelle ontwikkeling van de industrie, in welke hij zulk
een bewonderenswaardige hervorming had gebracht, was M. sur M. het
middelpunt van een groote handelsbeweging geworden. Spanje, dat
veel git gebruikt, deed er jaarlijks aanzienlijke inkoopen. M. sur
M. concurreerde bijna in dit artikel met Londen en Berlijn. De
verdiensten van Madeleine waren zoo groot, dat hij reeds in het tweede
jaar een groote fabriek kon laten bouwen, met twee groote werkplaatsen,
een voor de mannen en een voor de vrouwen. Ieder die gebrek had kon
zich aanbieden en was verzekerd er werk en brood te vinden. Vader
Madeleine vorderde van de mannen slechts goeden wil, van de vrouwen
reine zeden, van allen eerlijkheid. Hij had de werkplaatsen verdeeld,
om de beide geslachten te scheiden, en opdat de vrouwen en meisjes
deugdzaam konden blijven. Op dit punt was hij onverbiddelijk.
Het was het eenige, waarin hij ontoegevelijk was. Hij had te meer
reden voor deze strengheid, wijl M. sur M. een garnizoensplaats, en
alzoo de gelegenheid tot verleiding te overvloediger was. Overigens
was zijn komst een weldaad geweest en zijn verblijf een zegen. Vóór de
komst van vader Madeleine was alles kwijnend in het oord; nu leefde
alles van een gezonden arbeid. Een druk verkeer drong overal door
en verspreidde een algemeene welvaart. Lediggang en armoede waren
onbekend. Geen zak was zoo leeg, of er was nog een weinig geld in,
geen woning zoo schamel, of er was nog eenige vreugde.
Vader Madeleine gaf iedereen werk. Hij vorderde slechts dit ééne:
wees eerlijk man! wees een eerbare vrouw!
Zooals gezegd is, maakte vader Madeleine fortuin te midden dezer
nijverheid, waarvan hij de oorsprong en de spil was. Zonderling
echter was 't voor een eenvoudig industriëel, dat dit in geenen deele
zijn voornaamste zorg scheen. 't Was alsof hij veel aan anderen, en
weinig aan zich zelven dacht. In 1820 wist men dat hij op zijn naam
een som van zeshonderddertig duizend francs bij den bankier Laffitte
had geplaatst; maar aleer hij deze som voor zich zelven vastgezet had,
had hij meer dan een millioen voor de armen en de stad uitgegeven.
Het gasthuis had weinig inkomsten; hij vermeerderde het op zijn
kosten met tien bedden. M. sur M. is in twee deelen verdeeld, de
boven- en de benedenstad. In de benedenstad, waar hij woonde, bestond
slechts één school, een zeer bouwvallig gebouw; hij had twee scholen
doen bouwen, een voor jongens en een voor meisjes. Uit zijn eigen
middelen verdubbelde hij het sober tractement der beide onderwijzers,
en eens zeide hij tot iemand, die zich daarover verwonderde:
"De twee voornaamste beambten van den staat zijn de min en de
schoolmeester." Op zijn eigen kosten had hij een zaal van toevlucht
(salle d'asile)--destijds nog schier iets onbekends in Frankrijk--en
een hulpkas voor oude gebrekkige werklieden opgericht. Zijn fabriek
was het middelpunt eener nieuwe wijk geworden, die snel een aantal
arme gezinnen om hem had verzameld. Hij had er een apotheek gevestigd,
welke de armen om niet van geneesmiddelen voorzag.
In den eersten tijd, toen men hem zag beginnen, zeiden de goede lieden:
't Is een snaak, die rijk wil worden.--Toen men hem het land zag rijk
maken vóór zich zelven te verrijken, zeiden dezelfde goede lieden:
't Is een eerzuchtige.--Dit scheen te waarschijnlijker, wijl de
man godsdienstig was, iets, dat in dien tijd zeer gaarne gezien
werd. Hij ging geregeld alle zondagen een mis hooren. De afgevaardigde
der plaats, die overal concurrenten meende te zien, maakte zich
weldra over deze godsdienstigheid zeer ongerust. Deze afgevaardigde,
voormalig lid van het Wetgevend Lichaam onder het keizerrijk, deelde
de godsdienstige denkbeelden van een pater van het Oratorium, bekend
onder den naam van Fouché, hertog van Otrante, wiens creatuur en vriend
hij geweest was. In 't geheim spotte hij met God. Toen hij nu echter
den rijken fabrikant Madeleine te zeven uren naar de stille mis zag
gaan, vermoedde hij in hem een mogelijken candidaat voor afgevaardigde
en besloot hem te overtreffen; hij nam tot biechtvader een Jezuïet
en ging naar de hoogmis en naar de vespers. De eerzucht was in dien
tijd, in de ware beteekenis des woords, een wedloop. Voor de armen
was deze vrees overigens voordeelig, evenals voor den lieven God,
want de achtenswaardige gedeputeerde gaf aan het gasthuis ook twee
bedden; dit was dus twaalf.
Ondertusschen verspreidde zich in 1819 in de stad het gerucht, dat
op het voorstel van den heer prefect en uit hoofde der aan het land
bewezen diensten, vader Madeleine door den koning tot maire van M. sur
M. benoemd zou worden.
Degenen, die Madeleine "een eerzuchtige" hadden genoemd, grepen
met drift deze gelegenheid aan om te roepen: Nu, hebben wij 't
niet gezegd?--Geheel M. sur M. was er vol van, en het gerucht was
gegrond. Eenige dagen later verscheen de benoeming in den Moniteur. Den
volgenden dag bedankte vader Madeleine voor de betrekking.
In hetzelfde jaar 1819 zag men de voortbrengselen van de nieuwe wijze
van fabrikage, door Madeleine uitgevonden, op de tentoonstelling der
industrie; op het rapport der jury benoemde de koning den uitvinder tot
ridder van het legioen van eer. Nieuw gebabbel in de kleine stad. Ziet
ge wel! hij wilde het kruis hebben! Vader Madeleine weigerde ook
het kruis.
De man was bepaald een raadsel voor de goede lieden. Dezen wilden
evenwel toch het laatste woord hebben, en zeiden: Hij is in allen
gevalle een soort van fortuinzoeker.
Zooals men ziet, had het oord hem veel, hadden de armen hem alles te
danken; hij was zoo nuttig, dat men hem eindelijk wel moest vereeren
en hij was zoo goedhartig, dat men hem eindelijk wel beminnen moest;
in 't bijzonder droegen zijn werklieden hem op de handen en hij
ontving deze blijken van genegenheid met een soort van droefgeestigen
ernst. Toen er geen twijfel meer bestond, dat hij rijk was, groetten
hem de lieden uit de groote wereld van M. sur M., en in de stad
noemde men hem: Mijnheer Madeleine;--zijn werklieden en de kinderen
gingen voort hem "vader Madeleine" te noemen, en dat deed hem het
vriendelijkst glimlachen. Naarmate hij hooger klom, regende het
uitnoodigingen voor hem. De "maatschappij" eischte hem. De kleine,
stijve gezelschapskringen te M. sur M., die zich zooals vanzelf
spreekt, in den eersten tijd voor den "werkman" hadden gesloten,
openden zich nu wagenwijd voor den millionnair. Men zocht hem op
duizenderlei wijzen te trekken. Hij weigerde.
Ook nu waren de goede lieden niet verlegen.--'t Is een onbeschaafd
mensch, zonder eenige opvoeding en zeker van zeer geringe afkomst. Hij
zou niet weten, hoe zich in de groote wereld te gedragen. 't Is niet
eens bewezen, dat hij lezen kan.
Toen men hem geld zag winnen, had men gezegd: 't is een koopman. Toen
men hem zijn geld had zien uitstrooien, had men gezegd: 't is een
eerzuchtige. Toen men hem de eerbewijzen had zien weigeren, zeide
men: 't is een gelukzoeker. Toen men hem de uitnoodigingen der
gezelschapskringen zag afwijzen, zeide men: 't is een onbeschaafd
mensch.
Vijf jaren na zijn komst te M. sur M., in 1820, waren de diensten,
welke hij het land had bewezen, zoo uitstekend en in 't oogvallend,
en de wensch van het geheele oord was zoo eenparig, dat de koning
hem opnieuw tot maire der stad benoemde. Hij bedankte nogmaals,
maar de prefect nam zijn weigering niet aan; al de aanzienlijken
kwamen hem verzoeken, de benoeming aan te nemen, het volk bad hem
dit openlijk op de straat, kortom de aandrang was zoo sterk, dat hij
eindelijk toegaf. 't Scheen, dat hij hiertoe voornamelijk gedreven
was door de woorden eener oude vrouw uit het volk, die voor haar deur
staande, schier verstoord tot hem had geroepen: "een goed maire is
een zegen. Mag men dus weigeren goed te doen, wanneer men kan?"
Dit was de derde trap zijner verheffing, Vader Madeleine was mijnheer
Madeleine geworden; mijnheer Madeleine werd mijnheer de maire.