EERSTE SCHETS VAN TWEE SLECHTE FIGUREN.

De gevangen muis was erg mager; maar de kat vermaakt zich ook met

een magere muis.

Wie waren de echtgenooten Thénardier?

Zeggen wij vooreerst slechts een paar woorden over hen. Later zullen

wij de schets voltooien.

Deze wezens behoorden tot die bastaardklasse, welke uit onbeschaafde

parvenus en vervallen beschaafde lieden bestaat: een klasse tusschen

de zoogenaamde midden- en de lagere klasse in, en die eenige gebreken

der tweede met schier al de ondeugden der eerste vereenigt, zonder

den edelen ijver van den werkman of de verstandige orde van den burger

te bezitten.

't Zijn die dwergnaturen, welke, zoo zij toevallig door een heilloos

vuur verwarmd worden, licht iets monsterachtigs krijgen. In de vrouw

lag iets dierlijks, in den man al wat een schurk vormt. Beiden waren

in den hoogsten graad vatbaar voor den afschuwelijken vooruitgang op

een kwaden weg. Er bestaan kreeftenzielen, die gestadig achteruit naar

de duisternis gaan, zich in het leven meer achteruit dan voorwaarts

bewegen, de ondervinding slechts gebruiken om hun hatelijkheid te

vergrooten, onafgebroken slechter worden en zich meer en meer als

met een zwart slijk overdekken. Deze man en deze vrouw behoorden tot

die zielen.

Thénardier bovenal had een afkeer-inboezemend gelaat. Men behoeft

sommige menschen slechts aan te zien, om hen te wantrouwen, want van

't hoofd tot de voeten ligt iets stuitends in hen. Zij zijn ongerust

achter zich en dreigend voor zich. Men kent ze niet. Men kan evenmin

instaan voor 't geen zij gedaan hebben, als voor 't geen zij zullen

doen. De schaduw op hun gezicht teekent ze. Zij behoeven slechts

een woord te zeggen, een beweging te maken, of men vermoedt sombere

geheimen in hun verleden, sombere verborgenheden in hun toekomst.

Zoo men Thénardier mocht gelooven, was hij soldaat geweest; ik

sergeant, gelijk hij zeide; hij had vermoedelijk den veldtocht van 1815

medegemaakt en, naar het schijnt, zich zelfs dapper gedragen. Later

zullen wij zien wat er van is. Het uithangbord zijner herberg duidde

een zijner wapenfeiten aan. Hij had het zelf geschilderd; want hij

verstond van alles zoo wat; maar slecht.

't Was in den tijd, toen de classieke roman, vroeger Clélie, thans

Lodoïska, schoon nog steeds edel, toch erg gedaald, van madame

de Scudéry tot madame Bournon-Malarme, en van madame de Lafayette

tot madame Barthélemy-Hadot vervallen; 't was in den tijd toen die

classieke roman de liefde-ademende harten der Parijsche portières in

vuur en vlam zette, en zelfs zijn verwoestingen eenigszins tot in de

voorsteden uitbreidde. Vrouw Thénardier was juist geleerd genoeg om

deze soort van boeken te kunnen lezen. Zij voedde zich er mede. Zij

verdronk er het weinigje hersens in, dat zij had. Dit had haar, toen

zij nog jong was en zelfs iets later, een zekere peinzende houding

gegeven, bij haar man vergeleken, een schurk van eenige diepzinnigheid,

een geleerde deugniet, behalve in de letterkunde, tevens ruw en

sluw; wat godsdienstig gevoel betrof, was hij een leerling van

Pigault-Lebrun, en ten opzichte der vrouwelijke sekse, was hij,

zooals hij zich uitdrukte, even onwetend als een boonestaak. Zijn

vrouw was twaalf of vijftien jaar jonger dan hij. Later, toen het

als treurwilgen neerhangend romantisch haar, grijs begon te worden,

toen uit de Pamela een Megera ontstond, was vrouw Thénardier niets

dan een dik, ondeugend wijf, met domme romans opgevuld. En men leest

niet ongestraft ongerijmdheden! Een gevolg hiervan was, dat haar oudste

dochtertje Eponine heette; en het jongste zou Gulnare geheeten hebben,

maar zij had het aan een of andere gelukkige afleiding, door een

roman van Ducray-Duminil bewerkt, te danken, dat zij slechts Azelma

genoemd werd.

't Moet overigens in 't voorbijgaan gezegd worden, dat in dien

zonderlingen tijd, waarvan wij spreken en dien men den tijd der

anarchie in de doopnamen kan noemen, niet alles dwaas en oppervlakkig

was. Behalve het romantisch element, dat wij aanduidden, lag er een

maatschappelijk verschijnsel in. 't Is tegenwoordig niet zeldzaam,

dat een ossendrijversknecht Arthur, Alfred of Alphonse heet, en de

burggraaf--zoo er nog burggraven zijn--Thomas, Piet of Jakob. Deze

omkeering, welke den eleganten naam aan den man uit het volk en

den gemeenen naam aan den aristocraat geeft, is niets anders dan de

wederkeerende golfslag der gelijkheid. De onwederstaanbare, alles

doordringende nieuwe tijdgeest is hier evenals in alles zichtbaar. In

deze schijnbare tegenstrijdigheid ligt iets grootsch en dieps--de

Fransche Revolutie.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 98 / 177 题