EEN MOEDER, DIE EEN ANDERE MOEDER ONTMOET.

Te Montfermeil, nabij Parijs, was in het eerste vierde deel dezer

eeuw een soort van kroeg, welke thans niet meer bestaat. Deze kroeg

werd gehouden door de echtelieden Thénardier, man en vrouw, en was

gelegen in het Bakkerssteegje. Boven de deur was aan den muur een

plank gespijkerd, waarop iets stond geschilderd, dat een man geleek,

die een anderen man, met gouden generaals-epauletten en groote

zilveren sterren, op den rug droeg; roode plekken stelden bloed voor;

het overige der schilderij was vol rook, en moest waarschijnlijk een

veldslag verbeelden. Daaronder las men: IN DEN SERGEANT VAN WATERLOO.

Gewoonlijk ziet men voor de deur eener herberg een mestkar of een

wagen. Het voertuig evenwel, of beter gezegd, het overblijfsel van

een voertuig, dat de steeg voor de kroeg de "Sergeant van Waterloo"

op een lenteavond in 1818 versperde, zou zekerlijk door zijn plompheid

de aandacht van een voorbijgaand schilder getrokken hebben.

Het was het voorstuk van een dier wagens, welke in boschrijke oorden

worden gebruikt om zware balken en boomstammen te vervoeren. Dit

voorstuk bestond uit een dikke ijzeren as, waaraan een zware dissel,

die op twee ontzaglijk groote wielen rustte. Het geheel was plomp,

wanstaltig en zwaar. Men had het voor de affuit van een reusachtig

kanon kunnen houden. De modderpoelen hadden de wielen, de velgen,

de naven, de as en den dissel met een laag vuil, geelachtig slijk

bedekt. Het hout was onzichtbaar door het slijk, en het ijzer door

het roest. Als een guirlande hing onder den dissel een zware ketting,

als voor een gevangen Goliath. Deze ketting deed onwillekeurig denken,

niet aan de balken, welke hij moest houden, maar aan de mastodonten en

mammouts, die er in gespannen hadden kunnen worden; hij deed denken

aan een bagno, maar aan een bagno van cyclopen en reuzen, en scheen

vroeger een monster gekluisterd te hebben. Homerus zou er Polypheem

en Shakspeare Caliban in geklonken hebben.

Waartoe bevond zich dit wagenstel te dezer plaatse op de

straat? Vooreerst om de straat te versperren, ten tweede om verder

te roesten. In de oude maatschappelijke orde bestaan een menigte

instellingen, welke men zoo op zijn weg onder den blooten hemel

ontmoet, en die geen andere reden van bestaan hebben.

Het midden van den ketting hing over den dissel tot bijna op den

grond, en in zijn ronding zaten dien avond, als op een talter,

twee kleine meisjes, die elkander teer omstrengeld hielden, 't een

ongeveer derdehalf jaar en 't ander achttien maand oud, het kleinste

in de armen van het grootste. Een zakdoek, waarmede zij voorzichtig

vastgebonden waren, belette haar te vallen. Een moeder had dezen

schrikkelijken ketting gezien en gedacht: Ha, ziedaar een speeltuig

voor mijn kinderen.

De twee kindertjes, die overigens eenigszins met zorg gekleed en

getooid waren, zagen er bekoorlijk uit; zij geleken twee roosjes in

oud ijzer; haar oogjes schitterden, haar frissche wangen glimlachten;

het een had kastanjebruin, het ander donkerbruin haar; haar onschuldige

gezichtjes drukten vroolijke opgetogenheid uit; een bloeiende haag in

de nabijheid verspreidde een liefelijken geur, die van de kinderen

scheen uit te gaan; het jongste meisje toonde haar naakte buikje

met de kuische achteloosheid van kleine kinderen. Boven en om deze

teedere kopjes, die van geluk vervuld en in 't licht gehuld waren,

welfde zich het plompe leelijke wagenstel, vreeselijk zwart van

het roest, en vol hoeken en scherpe kanten, als de ingang van een

hol. Eenige schreden van daar, op den drempel der deur gehurkt,

schommelde de moeder, een overigens niet zeer vriendelijke, maar op

dit oogenblik innemende vrouw, de twee kinderen met een lang koord,

met de oogen onafgewend op hen gevestigd, uit vrees van eenig ongeluk,

tevens met die dierlijke en hemelsche uitdrukking, welke slechts aan

moeders eigen is. Bij elken ruk brachten de afzichtelijke schakels een

knarsend geluid voort, dat den kreet des toorns geleek. De meisjes

waren in verrukking, de ondergaande zon paarde zich aan die vreugd,

en niets kon bekoorlijker zijn dan deze gril van het toeval, dat van

dezen titansketen een talter voor cherubijnen had gemaakt.

Terwijl de moeder haar twee kleinen talterde, zong zij met een valsche

stem een toen in zwang zijnde romance:

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 93 / 177 题