"Men dineert beter bij Edon dan bij Bombarda," riep Zephine.
"Ik geef aan Bombarda de voorkeur boven Edon," verklaarde
Blachevelle. "'t Is er prachtiger, 't is er meer Oostersch. Zie
slechts de benedenzaal. Er zijn spiegels in de wanden."
"Ik heb liever dat mijn bord een spiegel is," zei Favourite.
Blachevelle ging voort:
"Zie de messen. De heften zijn van zilver bij Bombarda, en van been
bij Edon. Zilver is toch meer waard dan been."
"Behalve voor hen, die een zilveren kin hebben," merkte Tholomyès op.
Op dat oogenblik hield hij zijn blik op den dom der Invaliden gericht,
welke uit de vensters van Bombarda zichtbaar was.
Na eenig zwijgen riep Fameuil:
"Listolier en ik hadden zooeven een woordenstrijd, Tholomyès."
"Een woordenstrijd is goed," antwoordde Tholomyès, "maar een twist
is beter."
"Wij disputeerden over de philosophie."
"Zoo."
"Aan wien geeft gij de voorkeur, aan Descartes of Spinoza?"
"Aan Desaugiers," zei Tholomyès.
Na deze uitspraak dronk hij, en hernam:
"Ik wil leven. 't Is alles op aarde nog niet gedaan, zoolang men nog
kan raaskallen. Ik dank er de onsterfelijke goden voor. Men liegt, maar
men lacht. Men bevestigt en men twijfelt. Het onverwachte ontspringt
aan de sluitrede. 't Is schoon. Er zijn hier beneden nog stervelingen,
die vroolijk de doos der verrassingen van het paradoxe weten te
openen en te sluiten. Wat ge hier zoo rustig drinkt, dames, weet, dat
het maderawijn is van het gewas van den Coural das Freiras, die zich
driehonderdzeventien vademen boven de vlakte der zee verheft. Denkt er
aan als ge drinkt! driehonderdzeventien vademen! en mijnheer Bombarda,
onze prachtige restaurateur, geeft u deze driehonderdzeventien vademen
voor vier francs vijftig centimes!"
Wederom viel Fameuil hem in de rede:
"Tholomyès, uw woorden gelden als wetten. Wie is uw geliefdste
schrijver?"
"Ber..."
"Quin?"
"Neen. Choux."
En Tholomyès vervolgde:
"Eere zij Bombarda! hij zou Munophis van Elephanta evenaren, zoo hij
een almee voor me kon plukken, en Thygelion van Cheronea, zoo hij
mij een hetaire kon bezorgen; want in Griekenland en Egypte waren
Bombardas, dames, Apuleus verhaalt het ons. Helaas, altijd hetzelfde
en nooit iets nieuws. Niets onuitgegevens in de schepping van den
Schepper. Niets nieuws onder de zon, zegt Salomo; amor omnibus idem,
zegt Virgilius; en Carabine gaat met Carabijn te Saint Cloud aan
boord van de galjoot, gelijk zich Aspasia met Pericles te Samos
op de vloot inscheepte. Nog een laatste woord. Weet ge, dames,
wie Aspasia was? Een ziel, hoewel zij in een tijd leefde, toen de
vrouwen nog geen zielen hadden; een roos- en purperkleurige ziel,
heeter dan vuur, frisscher dan de dageraad. Aspasia was een wezen,
in 't welk de twee uitersten der vrouw zich vereenigden--godin en
veile vrouw. Socrates en Manon Lescaut. Aspasia was geschapen voor
't geval, dat Prometheus een veile deern behoefde."
Tholomyès, die nu eenmaal aan 't doordraven was, zou moeielijk in zijn
vaart tegengehouden zijn geworden, zoo niet juist op dit oogenblik een
paard op de kade gevallen was. Door den schok bleven kar en redenaar
steken. 't Was een oude, magere knol, juist voor den vilder geschikt,
en die een zeer zware kar trok. Voor Bombarda gekomen, wilde het ros,
dat vermoeid en uitgeput was, niet verder voort. Dit geval had de
menigte bijeengelokt. Nauwelijks had de verbolgen voerman den tijd
gehad een geduchten vloek te uiten, gepaard aan een onmeedoogenden
zweepslap, of de knol viel, om niet weder op te staan. Het rumoer
der voorbijgangers hoorende, keerden de vroolijke toehoorders van
Tholomyès het hoofd om, ten einde te zien wat er gaande was, en
Tholomyès maakte hiervan gebruik om zijn toespraak met dit droefgeestig
vers te eindigen:
Het behoorde tot die wereld, waar koetsen en karren
In hetzelfde lot deelen,
En als knol heeft het geleefd, zoo lang een knol leeft:
Den tijd van een morgen, [8]
"Het arme paard!" zuchtte Fantine.
"Nu gaat Fantine waarlijk de paarden beklagen?" riep Dahlia. "Kan
iemand iets dommers doen!"
Te zelfder tijd keek Favourite, die de armen kruiste en het hoofd
achterover wierp, Tholomyès strak in de oogen en zeide:
"En waar blijft nu de verrassing?"
"'t Is waar. Het oogenblik is gekomen," antwoordde
Tholomyès. "Mijnheeren, 't uur om deze dames een verrassing te bereiden
heeft geslagen. Wacht ons een oogenblikje, dames,"
"Het begint met een kus," zei Blachevelle.
"Op het voorhoofd," voegde Tholomyès er bij.
Ieder drukte ernstig een kus op het voorhoofd zijner minnares;
vervolgens gingen alle vier de heeren, de een achter den ander,
naar de deur, met den vinger op den mond.
Favourite klapte bij hun vertrek in de handen en zeide:--"'t Begint
prettig."
"Blijft niet te lang weg," lispte Fantine. "Wij wachten u."