DE GEESTIGHEID VAN THOLOMYÈS.

Terwijl nu eenigen zongen, praatten de anderen luid door elkander;

't was een rumoer, waarvan men niets onderscheiden kon. Tholomyès

kwam tusschenbeide, en zeide:

"Laten we niet allen door elkander spreken en schreeuwen; en niet zoo

wild. Laten we nadenken, zoo wij met genoegen willen gehoord worden. Te

veel improvisatie put den geest uit en maakt dom. Loopend bier

schuimt niet. Geen overhaasting, mijnheeren. Eten wij met aandacht;

spoeden wij ons langzaam. Geen overijling. Zie de lente: zoo zij te

haastig komt, is zij naar de maan, dat wil zeggen, bevrozen. Te veel

drift doet de perzike- en abrikozeboomen verloren gaan. Te veel drift

doodt de bevalligheid en de vreugd van een goede tafel. Geen drift,

mijnheeren; Grimod de la Reynière is van Talleyrands meening."

Een misnoegd gemor verhief zich in de groep.

"Tholomyès, laat ons met vrede," zei Blachevelle.

"Weg met den tyran!" zei Fameuil.

"Leve Bombarda, Bombance en Bamboche! [6]" riep Listolier.

"'t Is Zondag!" hernam Fameuil.

"Wij zijn nuchter!" voegde Listolier er bij.

"Vrienden!" riep Tholomyès op den toon van iemand, die de teugels

van het gezag herneemt. "Ik herhaal: geen drift, geen heidensch

geraas; wel kwinkslagen en woordspelingen. Woordspelingen zijn de

uitlatingen van een vliegenden geest. De kwinkslag (lazzi) valt

waar hij kan; en wanneer de geest een domheid heeft gezegd, verbergt

hij zich in de lucht. Ik houd van woordspelingen en vereer ze naar

verdienste. Al wat verheven, groot en bekoorlijk in de menschheid is

geweest, en misschien ook buiten de menschheid, heeft woordspelingen

gemaakt. Jezus Christus heeft op den naam Petrus een woordspeling

gemaakt, Mozes op dien van Isaäk, Eschylus op Polynicia, Cleopatra

op Octavius. En merkt op, dat deze laatste woordspeling den slag

van Actium voorafging, en dat zonder deze woordspeling niemand

aan de stad Toryne zou denken, een Griekschen naam, die "potlepel"

beteekent. Na deze opmerking kom ik tot mijn vermaning terug. Geen

drift, mijnheeren, geen heidensch leven, geen buitensporigheid, noch

in vroolijkheid noch in woordspelingen. Luistert, ik ben voorzichtig

als Amphiaraüs en kaal als Cesar. Zelfs woordspelingen moeten grenzen

hebben. Est modus in rebus. Ook maaltijden moeten grenzen hebben. Ge

houdt van appeltaartjes, dames, eet er niet te veel van. Zelfs bij

appeltaartjes behooren verstand en kunst. De gulzigheid straft

den gulzige. Gula punit Gulax. De indigestie is door den hemel

bestemd om de magen wijsheid te leeren. En let wel op: ieder onzer

hartstochten, zelfs de liefde, heeft een maag, die men niet te zeer

mag vullen. In alle zaken moet men te rechter tijd het woord finis

schrijven; men moet zich, als 't noodig is, bedwingen, den grendel op

zijn lust schuiven, zijn begeerten opsluiten en zich zelf op wacht

stellen. Hij is wijs, die in zekere oogenblikken zich zelven kan

gevangen nemen. Schenkt mij eenig vertrouwen. Dewijl ik een weinig

in de rechten heb gestudeerd, zooals mijn examens bewijzen, dewijl

ik het onderscheid ken, tusschen een aanhangige en een afgedane zaak,

dewijl ik in 't Latijn een thesis heb verdedigd over de folteringen,

die men te Rome aanwendde ten tijde dat Munatuis Demens questor was;

dewijl ik naar allen schijn doctor zal worden, is dit een en ander

geen volstrekt bewijs dat ik een domkop zou zijn. Ik beveel u dus

de matigheid in uw begeerten aan. Zoo waar ik Felix Tholomyès heet,

is het waar wat ik u zeg. Gelukkig hij, die, wanneer het uur slaat,

een heldhaftig besluit neemt, en als Sylla of Origenus afstand doet.

Favourite luisterde met de diepste aandacht.

"Felix!" zeide zij, "een mooie naam. Dien naam hoor ik gaarne. 't Is

Latijn, 't wil zeggen gelukkig."

Tholomyès hernam:

"Quirites, gentlemen, caballeros, waarde vrienden! Wilt ge geen

prikkel voelen, het huwelijk ontberen en de liefde tarten? Niets

gemakkelijker dan dit: Drinkt limonade, werkt buitensporig hard,

dat ge er bij neervalt, kruit zware vrachten, slaapt niet, waakt,

vult uw maag met soda en gerstewater, wisselt dat af met een aftreksel

van maankoppen, houdt daarbij een streng dieet, lijdt honger, neemt

koude baden en legt op de maag een looden plaat."

"Ik wil liever een vrouw hebben," zei Listolier.

"De vrouw!" hernam Tholomyès, "wacht er u voor. Wee hem die zich

aan het veranderlijk hart der vrouw overgeeft! De vrouw is valsch en

trouweloos. Zij haat de slang uit broodnijd. De slang is de winkel

aan de overzijde."

"Tholomyès, ge zijt dronken!" riep Blachevelle.

"Wel duivels!" zei Tholomyès.

"Wees dan vroolijk," hernam Blachevelle.

"Welnu, ik zal 't zijn," antwoordde Tholomyès.

Zijn glas vullende stond hij op, en riep uit:

"Eere den wijn! Nunc te, Bacche, canam! Vergeving, dames, 't is

Spaansch. En ziehier het bewijs, Sennoras: zoo het volk is, is het

vat. De Castiliaansche aroba bevat zestien kan, de cantaro van Alicante

twaalf, de almuda der Kanarische eilanden vijfentwintig, de cuartin

der Balearische eilanden zesentwintig, de laars van Peter den Groote

dertig. Leve deze Czaar, die groot was, en leve zijn laars, die nog

grooter was! Waarde dames! laat mij u een vriendelijken raad geven:

Vergist u in uw buurman, zoo gij er lust toe hebt. Het is de aard der

liefde, zich te vergissen. De liefde is niet gemaakt om te kruipen

en te tobben, zooals een Engelsche dienstmeid, die van het schrobben

eelt aan de knieën krijgt. Zoo is het minnen niet: het fladdert en

doolt vroolijk om. Men heeft gezegd: Dwalen is menschelijk; ik zeg:

dwalen is liefde. Ik bemin u allen, dames. O Zephine, o Josephine,

lief gedeukt gezicht, gij zoudt allerliefst zijn, zoo uw gelaat

minder breed was. Gij ziet er uit, alsof men er bij ongeluk op

was gaan zitten. En Favourite, o nimfen en muzen! zekeren dag dat

Blachevelle over de goot in de straat Guérin-Boisseau stapte, zag

hij een mooi meisje met witte heldere kousen, dat haar beenen liet

zien. Deze inleiding behaagde Blachevelle en hij was verliefd. 't Was

Favourite, die hij beminde. O, Favourite, gij hebt Ionische lippen. Er

was een Grieksch schilder, Euphorion genoemd, dien men den naam van

lippen-schilder gaf. Alleen deze Griek zou waardig zijn geweest,

uw mond te schilderen. Luister! Vóór u was er geen wezen, dien naam

waardig. Gij zijt geschapen om als Venus den appel te ontvangen of,

als Eva, hem te eten. De schoonheid begint bij u. Ik sprak van Eva;

maar gij zijt het, die haar geschapen hebt. Gij verdient eigenlijk

het patent der eerste schoone vrouw. O, Favourite, nu zal ik u

minder gemeenzaam behandelen, want ik ga van de poëzie tot het

proza over. Gij spraakt aanstonds van mijn naam. Dit heeft mij

verteederd; maar, wie wij zijn mogen, mistrouwen wij de namen. Zij

kunnen misleiden. Ik heet Felix en ben niet gelukkig. Woorden zijn

leugenaars. Neemt niet blindelings de beteekenis aan, welke zij ons

geven. 't Zou verkeerd zijn, naar Luik (Liege, kurk) om kurken te

schrijven en naar Pau (peau, vel) om handschoenen. Ik zou mij in uw

plaats Rosa noemen, miss Dahlia. Een bloem moet liefelijk rieken en

een vrouw moet geestig zijn. Van Fantine spreek ik niet; zij is een

droomster, een peinzende, een teergevoelige, een schim in de gedaante

van een nimf, met de kuischheid eener non, die in het grisetten-leven

verdwaald is, maar dit in illusiën ontvlucht; die zingt en bidt, en

het azuur aanschouwt, zonder te weten, wat zij ziet of wat zij doet,

en met hemelwaarts gerichte blikken in een tuin omdoolt, waar meer

roofvogels zijn dan zij kent! O Fantine, verneem, dat ik, Tholomyès,

een illusie ben, maar zij hoort mij zelfs niet, de blonde dochter

der luchtkasteelen! Overigens is alles in haar frisch, lief, jong,

en helder als het ochtendrood. O, Fantine, ge verdiendet Margaretha

of parel te heeten; gij zijt een diamant van 't schoonste water. Nog

een tweede raad, dames; trouwt niet; het huwelijk is een loterij met

veel nieten. Maar wat praat ik toch? Al wat ik zeg is vruchteloos. De

lust tot trouwen is ongeneeslijk bij de vrouwen; en wat wij, wijzen,

ook mogen zeggen, 't zal de naaisters en modisten niet beletten van

schatrijke echtgenooten te droomen. Mijnentwege, het zij zoo, Maar

onthoudt ten laatste dit: gij eet te veel suiker. Gij vrouwen hebt

het eenig gebrek, te veel suiker te knabbelen. O knagende sekse,

uw lieve kleine tandjes zijn te verzot op suiker. Luistert: de

suiker is een zout, en elk zout verdroogt. De suiker is het meest

verdrogend van alle zouten. Het zuigt uit de aderen de vluchtigste

deelen van het bloed, zoodat het verdikt en ten laatste verstijft;

daardoor ontstaan knobbels in de longen en deze veroorzaken den

dood. Daarom is dan ook de suikerziekte (diabéte) een zuster van de

longtering. Eet daarom geen suiker en ge zult leven! En nu richt ik

mij ten slotte tot de mannen: mijnheeren, maakt veroveringen! Rooft

elkander, zonder gewetensbezwaar, uw minnaressen. Chassez-croisez! In

liefde-zaken zijn er geen vrienden. Overal waar een schoone vrouw is,

is 't openbare strijd. Geen genade, een strijd op leven en dood! Een

schoone vrouw is een casus belli; een schoone vrouw is een openbaar

misdrijf. Van al de vijandelijke invallen, waarvan de geschiedenis

gewaagt, waren de vrouwen de aanleiding. De vrouw is het recht van

den man. Romulus schaakte de Sabijnsche maagden, Willem roofde de

Saksische vrouwen, Cesar ontvoerde de Romeinsche vrouwen. De man,

die niet bemind wordt, zweeft als een gier boven de minnaressen

van anderen; en ik richt aan de ongelukkigen, die weduwnaars zijn,

de verheven proclamatie van Bonaparte tot het leger van Italië:

"Soldaten, u ontbreekt alles. De vijand heeft wat u ontbreekt."

Tholomyès zweeg.

"Schiet eens in den adem, Tholomyès," zei Blachevelle. Te zelfder

tijd begon deze, geaccompagneerd door Listolier en de Fameuil, op

een klagenden toon een dier liedjes te zingen uit de werkplaatsen,

en die, rijmend of rijmloos, meestal zinledig zijn, als het geruisch

des winds, uit den tabakswalm ontstaan, en die met dezen vervliegen.

Met het volgende couplet beantwoordde de groep deze redevoering

van Tholomyès:

Les pères dindons donnèrent

De l'argent à un agent

Pour que mors Clermont-Tonnerre

Fût fait pape à la Saint-Jean;

Mais Clermont ne put pas être

Fait pape, n'étant pas prêtre;

Alors leur agent rageant

Leur rapporta leur argent. [7]

Dit was niet geschikt om aan de improvisatie van Tholomyès een einde

te maken, want hij dronk zijn glas uit, schonk het weder vol en

begon opnieuw:

"Weg met de wijsheid! Vergeet alles wat ik gezegd heb. Laat ons noch

preutsch, noch sluw, noch dom zijn. Brengen wij aan de vroolijkheid een

toast; laat ons vroolijk zijn. Voltooien wij onze studie in de rechten

met dwaasheden en maaltijden... Kom, Fantine, laat mij u kussen."

Maar hij vergiste zich en kuste Favourite.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 84 / 177 题