Toen men zich met de Russische bergen genoeg vermaakt had, dacht
men aan den maaltijd; en het gelukkig achttal, eindelijk een weinig
vermoeid, had in de herberg Bombarda zijn anker laten vallen. 't Was
een tweede etablissement van den vermaarden gaarkok Bombarda, wiens
uithangbord men toen in de straat Rivoli naast de passage Delorme
kon zien.
Een ruime, maar leelijke kamer met een alkoof, waarin een bed stond
(uit hoofde der menigte die des Zondags deze herberg bezocht, had men
zich hiermede moeten behelpen); twee ramen waaruit men, tusschen de
olmen, de kade en de rivier kon zien; een prachtige zonneschijn, die
over de ramen gleed; twee tafels; op de eene reusachtige bouquetten,
met heeren- en dameshoeden vermengd; aan de andere de vier paren,
gezeten rondom dicht op elkander geschoven schotels, borden, glazen
en flesschen; kruiken bier tusschen flesschen wijn, weinig orde op
de tafel, eenige wanorde er onder:
Zij maakten onder de tafel
Een vreeselijk rumoer en stampten met de voeten [4],
zegt Molière.
Zoo was het tegen half vijf uur des avonds gesteld met het herderlijk
vermaak, dat te vijf uren 's ochtends begonnen was.
De zon daalde, de eetlust werd verzadigd.
De Champs-Elysées, vol zonneschijn en gedrang, waren niets dan
glans en stof, twee zaken, waaruit de roem bestaat. De paarden
van Marly, deze hinnikende marmerbeelden, steigerden in een gouden
stofwolk. Rijtuigen woelden heen en weer. Een escadron der prachtige
lijfgarde, met de trompet aan zijn spits, reed door de laan van
Neuilly; op den koepel der Tuilerieën wapperde de witte vlag,
door de ondergaande zon eenigszins rood gekleurd. Op het plein de
la Concorde, nu weder plein Lodewijk XV geworden, wemelde het van
vergenoegde wandelaars. Verscheidenen droegen de zilveren lelie aan een
witzijden gewaterd lint, dat in 1817 nog niet geheel uit de knoopsgaten
verdwenen was. Hier en ginds danste temidden der juichende menigte
een kring meisjes en zong daarbij een toen geliefd Bourbonsch lied,
bestemd om de "honderd dagen" te beschimpen, en dat tot refrein had:
Geef ons onzen Vader van Gent,
Geef ons onzen Vader weer [5].
Troepen voorstad-bewoners in Zondagsgewaad, sommigen met leliën als de
burgers opgeschikt, staken naar den ring en reden in den mallemolen;
anderen dronken; eenige drukkersgezellen droegen papieren mutsen; men
hoorde hen lachen. Allen waren vroolijk. 't Was ontegensprekelijk een
tijd van diepen vrede en van veiligheid voor de koningsgezinden; 't was
de tijd toen een vertrouwelijk en bijzonder rapport van den prefect
van politie Angles aan den koning, over de voorsteden van Parijs,
met deze woorden eindigde: "Alles welbeschouwd, Sire, is er van deze
menschen niets te vreezen. Zij zijn even onverschillig en traag als
katten. Het gemeene volk in de provinciën is onrustig, dat van Parijs
is 't niet. 't Zijn allen kleine menschen. Men zou er twee op elkander
moeten zetten, Sire, om er één uwer grenadiers van te maken. Van het
gepeupel der hoofdstad is niets te vreezen. 't Is merkwaardig, dat bij
deze bevolking sedert vijftig jaren de lichaamsgroei verminderd is,
en dat het volk der voorsteden kleiner is dan vóór de revolutie. 't
Is niet gevaarlijk. In één woord, 't is een goed soort van kanalje."
Dat een kat zich in een leeuw kan herscheppen, dit achtten de
politie-prefecten onmogelijk; 't gebeurt evenwel; en dat is het
wonderbare van het Parijsche volk. De kat, overigens, die door
den graaf Anglès zoo weinig geteld werd, bezat de achting der oude
republikeinen; in hun oogen stelde zij het zinnebeeld der vrijheid
voor, en als om tot tegenhanger van de Minerva van den Pyreus te
dienen, stond op het plein van Corinthe het kolossale bronzen beeld
eener kat. De onnoozele politie der restauratie zag het Parijsche volk
in een al te gunstig licht. 't Is zulk een goed kanalje niet als men
meent. De Parijzenaar is onder de Franschen, wat de Athener onder de
Grieken was; niemand slaapt beter dan hij, niemand is lichtzinniger
en trager dan hij, niemand schijnt eerder te vergeten dan hij;
maar men vertrouwe hem niet: hij is tot allerlei onverschilligheid
in staat, doch zoo het roem geldt, is hij bewonderenswaard in zijn
opgewektheid. Geef hem een piek en hij veroorzaakt den 10en Augustus;
geef hem een geweer en men heeft Austerlitz. Hij is het steunpunt van
Napoleon en de hulpgenoot van Danton. Is 't om 't vaderland te doen,
dan grijpt hij de wapens; betreft het de vrijheid, dan neemt hij de
steenen uit de straat. Men wachte zich voor hem. Wanneer het uur slaat,
verandert zijn kiel in een krijgsrok; de bewoner der voorstad wordt
grooter, deze kleine man verheft zich, hij slaat een vreeselijken blik
om zich heen; zijn adem wordt een storm, en uit zijn teere, zwakke
borst zal wind genoeg komen om de Alpen te schudden. 't Is door de
hulp van den Parijschen voorstadbewoner, dat de revolutie met haar
legers Europa veroverde. Zingen is zijn lust. Dat men hem een liedje
naar zijn aard geve en men zal zien! Zoolang hij niets zingt dan de
Carmagnole, werpt hij slechts Lodewijk XVI omver; maar men late hem
de Marseillaise zingen, en hij zal de wereld bevrijden.
Na deze aanmerking op het rapport van den graaf Anglès, keeren wij
tot onze vier paren terug. Het diner, zooals wij gezegd hebben,
liep ten einde.