EEN DUBBEL VIERTAL.

Een dezer Parijzenaars was van Toulouse, een andere van Limoges, een

derde van Cahors en de vierde van Montauban; maar zij waren studenten,

en al wat student is, is Parijzenaar; te Parijs studeeren is te Parijs

geboren zijn.

Deze jongelieden waren onbeduidend; iedereen heeft zulke wezens gezien;

vier staaltjes, zooals er dagelijks voorkomen; goed noch slecht,

knap noch dom, genieën noch botteriken; maar schoon--uithoofde van

de bekoorlijke lente, die "twintig jaren" heet.

't Waren vier Oscars; want op dat tijdstip bestonden de Arthurs

nog niet. "Brand voor hem reukwerken van Arabië," zong de Romance,

"Oscar nadert, Oscar zal ik zien!" [2]

Men had met Ossian gedweept; het Scandinavisch en Caledonisch was

thans in de mode, eerst later kreeg het zuiver Engelsch de overhand;

de eerste Arthur, Wellington, had pas onlangs den slag van Waterloo

gewonnen.

Deze Oscars heetten: de eene Felix Tholomyès, van Toulouse;

de andere Listolier, van Cahors; de derde Fameuil, van Limoges;

de laatste Blachevelle, van Montauban. Natuurlijk had ieder een

minnares. Blachevelle beminde Favourite, dus genoemd wijl zij in

Engeland was geweest; Listolier aanbad Dahlia, die den naam eener

bloem had gekozen; Fameuil had Zephine, verkorting van Josephine,

tot geliefde; Tholomyès had Fantine, bijgenaamd de blonde, uithoofde

van haar schoon goudkleurig haar.

Favourite, Dahlia, Zephine en Fantine waren vier bekoorlijke meisjes,

nog min of meer naaisters, want zij hadden niet bepaald de naald

verlaten, die door de liefde een weinig verwaarloosd was; maar

zij hadden op 't gelaat nog een overblijfsel van het opgeruimde des

arbeids, en in de ziel die bloem der braafheid welke bij de vrouw den

eersten val overleeft. Een der vier werd de "jonge" genoemd, wijl zij

de jongste was, en een de "oudste"; deze was drie-en-twintig jaar.--Om

niets te verzwijgen--de drie eersten hadden meer ondervinding, waren

lichtzinniger en meer op 't gewoel der wereld verzot dan de blonde

Fantine, die zich nog in haar eerste illusiën bevond.

Met Dahlia, Zephine en bovenal Favourite was dit het geval niet. Haar

nauwelijks begonnen roman bevatte reeds meer dan één episode, en

de minnaar, die in het eerste hoofdstuk Adolf heette, was in het

tweede Alfons, in het derde Gustaaf. Armoede en behaagzucht zijn

twee noodlottige raadslieden voor meisjes; de eene knort, de andere

vleit; en de schoone meisjes uit de volksklasse worden door beide

lastig gevallen.

De slecht bewaakte harten luisteren. Daardoor komen zij tot den val,

en men werpt steenen op haar. Men overstelpt haar met den luister van

al wat onbevlekt en onbereikbaar is. Helaas! wanneer de jonge maagd

honger heeft?

Favourite, die in Engeland was geweest, werd door Zephine en Dahlia

bewonderd. Zij was reeds vroeg gekamerd geweest. Haar vader was een

oude onderwijzer in de wiskunde, een ruw, opgeblazen man, ongetrouwd,

die ondanks zijn ouderdom steeds les gaf. In zijn jeugd had hij op

zekeren dag gezien, dat het kleed eener kamenier aan een aschbak

bleef haken; dit geval had hem verliefd gemaakt. Van deze liefde was

Favourite de vrucht geweest. Nu en dan slechts zag zij haar vader,

die haar goedendag kwam zeggen. Op zekeren morgen verscheen een

oude vrouw met een vroom voorkomen bij haar, zeggende:--Kent gij mij

niet, juffertje?--Neen.--Ik ben uw moeder.--Toen had de oude vrouw

de etenskast geopend, had gegeten en gedronken, had haar bed doen

brengen en was gebleven. Deze knorrige, vrome moeder sprak nooit

tot Favourite, bleef uren lang zwijgend zitten, at aan het ontbijt,

den middag- en den avond-maaltijd voor vier, en ging naar beneden

bij den portier visites maken, waar zij kwaad van haar dochter sprak.

Wat Dahlia tot Listolier, misschien ook tot anderen, en tot de

werkeloosheid had gebracht, waren haar schoone rozige nagels. Hoe

kon zij met zulke nagels werken? Die deugdzaam wil blijven, moet geen

medelijden met zijn handen hebben.

Wat Zephine betreft, deze had haar Fameuil veroverd door op zeer

schalksche en verlokkelijke wijze: Ja, mijnheer! te zeggen.

De jongelingen waren kameraden, de meisjes waren dus vriendinnen. Zulke

minnarijen gaan steeds vergezeld van zulke vriendschappen.

Wijs en wijsgeerig zijn, is verschillend; en het bewijs er van is,

dat, de kleine ongeregeldheden in haar leefwijze er buiten gelaten,

Favourite, Zephine en Dahlia wijsgeerige meisjes waren, en Fantine

een wijs meisje was.

Wijs! zal men zeggen, en Tholomyès? Salomo zou antwoorden, dat

de liefde een deel der wijsheid uitmaakt. Wij zeggen slechts, dat

Fantine's liefde een eerste, een eenige, een trouwe liefde was.

Zij was de eenige der vier, die slechts met een enkele gemeenzaam

omging.

Fantine was een der wezens, die, om zoo te spreken, uit de diepte des

volks ontluiken. Uit de onpeilbaarste diepten der maatschappelijke

duisternis opgekomen, droeg zij op het hoofd het teeken van het

naamlooze en onbekende. Zij was te M. sur M. geboren. Van welke

ouders? Wie zou het kunnen zeggen? Niemand had ooit haar ouders

gekend. Zij heette Fantine. Waarom Fantine? Zij had nooit een anderen

naam gehad.

Tijdens haar geboorte bestond het Directoire nog. Zij had evenmin een

familienaam als familie; ook geen doopnaam, want de kerk was er niet

meer. Zij heette zooals de eerste de beste haar noemde, die haar, toen

zij blootsvoets op straat rondzwierf ontmoet had. Zij ontving een naam,

evenals zij de droppen uit de wolken op haar hoofd ontving, wanneer

het regende. Men noemde haar de kleine Fantine. Niemand wist iets

meer van haar. Zóó was dit menschelijke wezen het leven ingetreden.

Toen Fantine tien jaar oud was, verliet zij haar geboorteplaats,

en ging in dienst bij de boeren in den omtrek. Op vijftienjarigen

leeftijd kwam zij te Parijs om "fortuin te maken". Fantine was schoon

en bleef zoolang zij kon rein. Zij was een lieve blondine met fraaie

tanden. Zij had tot bruidsschat goud en paarlen; maar het goud was

op haar hoofd en de paarlen waren in haar mond.

Zij arbeidde om te leven; daarna beminde zij insgelijks om te leven,

want ook het hart heeft zijn honger. Zij beminde Tholomyès.

Voor hem was 't eene minnarij; voor haar een hartstocht. De straten van

het Quartier Latin, waarin het mierennest der studenten en grisetten

wemelt, zagen het begin van dezen liefdedroom. Op deze kronkelpaden

des heuvels van het Pantheon, waar zooveel avonturen aangeknoopt en

ontbonden worden, had Fantine Tholomyès lang ontvlucht, doch zoo,

dat zij hem telkens weder ontmoette.

Er is een manier om iemand te ontwijken, die veel van zoeken

heeft. Kortom, de Idylle begon.

Blachevelle, Listolier en Fameuil vormden een groep, waarvan Tholomyès

het hoofd was. Hij bezat de geestigheid.

Tholomyès was de oude, veeljarige student; hij was rijk; hij bezat

vierduizend francs rente. Vierduizend francs is een schat, waarmede

op den berg van St. Genoveva heel wat kan gedaan worden. Tholomyès

was een losbol van dertig jaar, die zich slecht gehouden had. Hij

had reeds rimpels, en had reeds tanden verloren; en spottend wees

hij op zijn hoofd, dat al kaal begon te worden. Zijn spijsvertering

was niet best en hij had een traanoog. Maar naargelang zijn jeugd

vervloog, vermeerderde zijn vroolijkheid; hij verving zijn ontbrekende

tanden door kwinkslagen, zijn haar door grappen, zijn gezondheid

door spotternij, en zijn traanoog lachte altijd. Hij was vermolmd,

maar nog vol bloemen. Zijn jeugd, die vóór den tijd verdween, trok

in goede orde af, onder lach en scherts. Hij had een tooneelstuk

geschreven, dat echter overal was afgewezen. Nu en dan maakte hij

verzen. Overigens geloofde hij aan niets, 't geen hem in de oogen der

zwakken niet weinig aanzien gaf. Dewijl hij nu ironisch en kaal van

haar was, was hij het hoofd. Iron is een Engelsch woord, dat ijzer

beteekent; zou daarvan ironisch afkomstig zijn?

Op zekeren dag nam Tholomyès de drie anderen ter zijde, maakte een

gewichtig gebaar en zeide:

"Sinds nu bijna een jaar vragen Fantine, Dahlia, Zephine en Favourite

ons om een verrassing. Wij hebben ze haar plechtig beloofd. Zij spreken

er ons dagelijks om aan, vooral mij. Evenals de oude vrouwen te Napels

den H. Januarius toeroepen: Faccia gialluta, fa o miracolo, gele

tronie, verricht uw mirakel! zeggen onze schoonen gestadig tot mij:

Tholomyès, wanneer zal uw verrassing voor den dag komen? Tegelijkertijd

schrijven ons onze ouders. Zoo worden wij van alle zijden geplaagd. Het

oogenblik schijnt nu gekomen. Laat ons dus overleggen.

Toen sprak Tholomyès zachter, en 't geen hij op een geheimzinnige

wijze zeide, scheen zoo grappig, dat de vier monden tegelijkertijd

in een luid schaterend gelach uitbarstten, en Blachevelle uitriep:

"Dat is een heerlijk denkbeeld!"

Zij kwamen bij een estaminet vol rook, traden er binnen en het overige

hunner conferentie verloor zich in de duisternis.

Het gevolg dezer duisternis was een schitterende buitenpartij, die

den volgenden Zondag zou plaats hebben, en waartoe de vier jongelingen

de vier meisjes noodigden.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 74 / 177 题