DE KLEINE GERVAIS.

Jean Valjean verliet als een vluchteling de stad. Hij liep haastig

naar buiten, de eerste de beste wegen en paden inslaande, die zich

aan hem vertoonde, zonder op te merken, dat deze hem telkens op

zijn schreden terugvoerden. Zoo doolde hij een ganschen ochtend,

zonder gegeten te hebben of honger te gevoelen. In zijn geest

verdrongen zich een menigte nieuwe gewaarwordingen. Hij voelde zich

vertoornd en wist niet op wien. Hij had niet kunnen zeggen, of hij

zich bewogen of gedeemoedigd gevoelde. Nu en dan werd hij door een

vreemde weekhartigheid overweldigd, welke hij bestreed en waartegen

hij zich met de verhardheid zijner twintig laatste jaren verzette. Deze

toestand verdroot hem. Hij voelde met eenige bekommering, dat de soort

van heillooze kalmte, welke de onrechtvaardigheid van zijn ongeluk

hem gegeven had, was verstoord. Hij vroeg zich af, wat daarvoor in

de plaats zou komen. Menigmaal wenschte hij zelfs, dat de gendarmen

hem maar naar de gevangenis hadden gevoerd, en de zaken zulk een

keer niet hadden genomen; dit zou hem minder ontroering hebben

veroorzaakt. Schoon het seizoen tamelijk gevorderd was, bloeiden

er hier en langs den weg nog eenige late bloemen, welker geuren hem

aan zijn kinderjaren herinnerden. Deze herinneringen waren hem bijna

onverdragelijk, omdat ze in zoo langen tijd niet voor hem verschenen

waren.

Onuitsprekelijke gedachten drongen zich dus den ganschen dag aan

hem op.

Toen de zon naar het westen neigde en het kleinste steentje een

lange schaduw gaf, zat Jean Valjean achter een kreupelboschje in

een rotsachtige, zeer eenzame vlakte. Aan den horizont zag men niets

dan de Alpen; zelfs geen kerktoren van eenig verwijderd dorp. Jean

Valjean kon op drie uren afstand van D. zijn geweest.--Een voetpad,

dat de vlakte doorsneed, liep eenige schreden van het kreupelhout.

Te midden zijner overdenking, die er niet weinig toe zou hebben

bijgedragen, om zijn lompen voor dengene, die hem ontmoet had,

schrikbarend te maken, hoorde hij vroolijke klanken.

Hij wendde het hoofd om en zag langs het pad een kleinen tienjarigen

Savooiaard, met zijn lier op zijde en zijn marmotten-kastje op den

rug, zingend naderen. Een dier goedaardige vroolijke knaapjes, die

van het eene land naar het andere trekken en wier knieën door de

gaten van hun broek steken.

Steeds zingende, bleef de knaap nu en dan staan en speelde met eenige

geldstukken, die hij in de hand had, en waarschijnlijk zijn geheele

fortuin uitmaakten. Onder dit geld was een tweefrancstuk.

De knaap bleef dicht bij het kreupelboschje staan, zonder Jean Valjean

te zien, en wierp zijn geldstukken omhoog, welke hij tot hiertoe zeer

behendig op den rug der hand weder opgevangen had.

Maar ditmaal ontglipte hem het tweefrancstuk en rolde in het

kreupelhout tot dicht bij Jean Valjean.

Jean Valjean zette er den voet op.

De knaap, die met zijn blik het geldstuk gevolgd was, zag het.

Hij verwonderde zich er niet over, maar ging recht op den man toe.

Het was eene geheel eenzame plaats. Zoo ver het oog reikte, zag men

geen mensch, noch op de vlakte, noch op het voetpad. Men hoorde

niets dan het tjilpen van een zwerm trekvogels, die zeer hoog in

de lucht vlogen. De knaap stond met den rug naar de zon gekeerd,

die gouden draden in zijn haar vlocht en Valjean's woest gezicht met

een bloedrooden glans kleurde.

"Mijnheer," zei de kleine Savooiaard met dat kinderlijk vertrouwen,

dat uit onwetendheid en onschuld bestaat;--"mijn geldstuk?"

"Hoe heet gij?" vroeg Valjean.

"Kleine Gervais."

"Ga heen," zei Valjean.

"Geef mij eerst mijn geld!"

Valjean boog het hoofd en antwoordde niet.

"Mijn geld!" herhaalde de knaap.

Valjeans blik bleef op den grond gevestigd.

"Mijn geld! mijn zilverstuk! mijn geld!" riep de knaap.

Valjean scheen niet te hooren. De knaap greep hem bij den kraag van

zijn kiel en schudde hem heen en weder. Terzelfder tijd trachtte hij

den zwaren, gespijkerden schoen van zijn geldstuk weg te schuiven.

"Ik wil mijn geld, mijn tweefrancstuk!"

De knaap begon te weenen. Valjean richtte het hoofd op. Hij zat nog

steeds. Zijn oogen waren dof. Hij zag met een soort van verwondering

den knaap aan. Toen greep hij zijn stok en riep met een forsche stem:

"Wie is daar?"

"Ik," zei de knaap, "de kleine Gervais. Ik, ik! geef mij mijn

geldstuk weder, als 't u belieft! Neem uw voet weg, als 't u

belieft!"--Eindelijk werd de knaap ernstig boos, en herhaalde schier

dreigend:

"Kom, neem uw voet weg.--Zult ge uw voet wegnemen?"

"Zijt gij 't nog?" zei Valjean, en eensklaps opstaande, doch den

voet steeds op het geldstuk houdende, riep hij: "Wilt ge maken dat

ge wegkomt?"

De knaap zag hem ontsteld aan, en begon van het hoofd tot de voeten

te beven. Na eenige oogenblikken van ontzetting, liep hij zoo snel

weg als hij kon, zonder om te zien of iets te zeggen.

Op eenigen afstand was hij buiten adem en moest blijven staan. Jean

Valjean hoorde, door zijne mijmering heen, den knaap snikken en weenen.

Na eenige oogenblikken was de knaap verdwenen.

De zon was ondergegaan.

Het werd duister om Jean Valjean. Hij had den geheelen dag niet

gegeten; waarschijnlijk was hij koortsachtig.

Hij was blijven staan, nog in dezelfde houding als toen de knaap was

weggeloopen. In lange ongeregelde tusschenpoozen deed zijn adem zijn

boezem hijgen. Zijn blik scheen met groote opmerkzaamheid een oude

blauw porseleinen scherf, op tien of twaalf schreden voor zich in het

gras, te beschouwen. Eensklaps rilde hij; hij voelde de avondkoelte.

Hij drukte zijn pet dieper op 't hoofd en trachtte werktuiglijk zijn

kiel dicht te knoopen. Hij deed een schrede en bukte, om zijn stok

op te rapen.

Toen zag hij het tweefrancstuk, dat zijn voet in den grond had gedrukt

en dat te midden der keitjes glinsterde. Dit veroorzaakte hem als een

elektrieken schok.--Wat is dat? mompelde hij binnensmonds. Hij trad

drie schreden achteruit, en stond toen stil, zonder zijn blik van de

plek te kunnen wenden, waar zooeven zijn voet had gestaan, als ware het

voorwerp dat daarin de duisternis glinsterde een op hem gericht oog.

Na eenige oogenblikken sprong hij stuipachtig naar het geldstuk,

nam het, en zich oprichtende zag hij in de verte over de vlakte rond,

zijn blikken naar al de punten van den horizon wendende, en bevende

als een gejaagd hert, dat een schuilplaats zoekt.

Hij zag niets. Het werd donker; de vlakte lag koud en onduidelijk

voor hem, een dikke blauwe nevel steeg in de avondschemering op.

"Ha," zeide hij en schreed snel voorwaarts in de richting waar de

knaap verdwenen was. Na een dertig schreden te hebben gedaan, stond

hij stil, tuurde naar alle zijden, maar zag niets.

Nu riep hij uit al zijn macht:--Kleine Gervais! Kleine Gervais!

Toen zweeg hij, en wachtte.

Niets antwoordde.

Het veld was eenzaam en doodsch. Op deze uitgestrektheid omgaf hem

niets dan de duisternis, waarin zijn blik verloren ging, en een stilte,

waarin zijn stem verdween.

Een kille wind verhief zich en gaf aan 't geen hem omringde, een

akelige beweging. Het struikgewas sloeg zijn kleine, dunne takken

met onbeschrijfelijke woede, als dreigden en vervolgden zij iemand.

Hij stapte weder voort; toen begon hij harder te loopen en stond

nu en dan stil om in deze eenzaamheid, met een stem die boven alle

verbeelding schrikkelijk en wanhopig was: kleine Gervais! kleine

Gervais! te roepen.

De knaap zou zekerlijk, zoo hij hem gehoord had, bevreesd zijn

geweest en zich gewacht hebben, voor den dag te komen. Maar hij was

waarschijnlijk reeds ver.

Nu ontmoette Valjean een priester te paard. Hij naderde hem en zeide:

"Mijnheer de pastoor, hebt ge ook een knaapje ontmoet?"

"Neen," zei de geestelijke.

"Den kleinen Gervais?"

"Ik heb niemand gezien."

Hij nam twee vijffrancstukken uit zijn buidel en gaf ze den priester.

"Mijnheer de pastoor, dit is voor uw armen, mijnheer de pastoor! 't

is een knaapje van ongeveer tien jaar, met een marmot en een lier,

geloof ik. Een dier kleine savooiaards, weet ge, mijnheer de pastoor?"

"Ik heb hem niet gezien."

"De kleine Gervais? Is hij niet uit een dorp hier in dezen

omtrek? Zoudt ge 't mij misschien kunnen zeggen?"

"Als 't is, zooals gij zegt, vriend, moet 't een vreemde knaap

zijn. Zij zwerven op het land. Men kent ze niet."

Jean Valjean nam woest nog twee vijffrancstukken uit zijn buidel en

gaf ze den priester, zeggende: "voor uw armen!"

Als in waanzin voegde hij er bij:

"Laat mij gevangennemen, mijnheer de pastoor; ik ben een dief."

De pastoor gaf zijn paard de sporen en reed verschrikt weg.

Jean Valjean ijlde nu voort in de eerst door hem ingeslagen richting.

In deze vaart legde hij een tamelijk langen weg af, immer zoekende,

roepende en schreeuwende; maar hij ontmoette niemand. Een paar keeren

liep hij in de vlakte naar iets, dat hij voor een liggend of gehurkt

mensch aanzag, maar 't waren niets dan struiken of verhevenheden van

den grond. Eindelijk hield hij stil, ter plaatse waar drie voetpaden

elkander kruisten. De maan was opgegaan. Hij staarde naar alle kanten

in de verte en riep voor de laatste maal: "Kleine Gervais! Kleine

Gervais!" Maar zijn geroep smoorde in den nevel, zonder zelfs een

echo te wekken. Nu fluisterde hij nog flauw en nauwelijks hoorbaar:

Kleine Gervais! 't Was een laatste inspanning; zijn knieën knikten

eensklaps onder hem, als werd hij door een onzichtbare macht onder

het gewicht van zijn kwaad geweten neergedrukt; uitgeput zonk hij op

een grooten steen neer, greep met beide handen in 't haar en verborg

het gezicht tusschen zijn knieën, uitroepende: Ik ben een ellendeling!

Toen brak zijn hart en hij weende. Dit was de eerste maal sinds

negentien jaren, dat hij weende.

Wij hebben gezien, dat, toen Jean Valjean den bisschop verliet, hij

buiten al de gedachten was, welke hem tot hiertoe geleid hadden. Hij

kon zich geen rekenschap geven van 't geen in hem omging. Hij verhardde

zich tegen de hemelsche handelwijze en de zachtmoedige woorden des

grijsaards. "Gij hebt mij beloofd, een eerlijk man te worden. Ik

koop uw ziel. Ik verlos ze van den geest des verderfs en geef ze

God." Deze woorden hoorde hij gestadig in zijn ooren. Hij stelde

tegenover deze hemelsche toegevendheid den hoogmoed, die in ons is,

als de citadel van het kwaad. Hij gevoelde flauw, dat de vergiffenis

van dezen priester de grootste en sterkste aanval was, die hem ooit

geschokt had; dat zijn verstoktheid duurzaam zou wezen, zoo hij deze

goedertierenheid wederstond; dat, zoo hij toegaf, hij van den haat

moest afzien, waarmede de daden van andere menschen gedurende zoovele

jaren zijn ziel vervuld hadden; dat hij ditmaal moest overwinnen of

verwonnen worden, en dat de strijd, een reusachtige en beslissende

strijd, begonnen was tusschen zijn eigene slechtheid en de goedheid

van dezen man.

Al dat licht, 't welk in hem opging, maakte hem als dronken. Had hij,

terwijl hij aldus met verwarden blik voortging, een duidelijk besef van

de gevolgen welke zijn avontuur te D. voor hem kon hebben? Hoorde hij

die geheimzinnige tonen, welke in sommige oogenblikken des levens den

geest waarschuwen of kwellen? Fluisterde een stem hem in 't oor, dat

hij het plechtigste oogenblik van zijn lot had beleefd, dat er voor hem

geen middenweg meer bestond, dat, zoo hij voortaan niet de beste mensch

was, hij de slechtste zou zijn; dat hij thans, om zoo te spreken,

zich boven den bisschop moest verheffen, of lager dan de galeiboef

zou zinken; dat, zoo hij goed wilde zijn, hij een engel moest worden;

dat, zoo hij slecht wilde blijven, hij in een monster zou ontaarden.

Hier moeten wij wederom de vraag herhalen, welke wij reeds vroeger

hebben gedaan: was er eenig donker besef van dit alles in zijn

geest? Ontwijfelbaar, zooals wij gezegd hebben, is het ongeluk de

leerschool van het verstand; 't is evenwel te betwijfelen, of Valjean

in staat was, al wat wij hier aangegeven hebben te ontleden. Zoo deze

denkbeelden bij hem opkwamen, zag hij ze slechts flauw en onbestemd

als in een nevel, en dienden ze slechts hem in een onbeschrijfelijke,

schier smartelijke onrust te brengen. Na de afschuwelijke, donkere

plaats te hebben verlaten, die men het bagno noemt, had de bisschop

zijn ziel pijnlijk aangedaan, gelijk een te helder licht bij het

verlaten der duisternis, zijn oogen zeer gedaan zou hebben. Het verder

leven, het leven, dat hem voortaan misschien wachtte, een zondeloos

rein leven, vervulde hem met angst en bekommering. Hij wist niet meer,

hoe 't met hem was. Als een uil, die plotseling de zon ziet opgaan,

was de tuchteling als verbijsterd en verblind door de deugd.

Zeker was 't, en hij twijfelde hier niet aan, dat hij niet meer

dezelfde man, dat alles in hem veranderd was, dat 't niet meer in

zijn macht stond, te maken, dat de bisschop niet tot hem gesproken

en zijn hart niet bewogen had.

In deze gemoedsstemming had hij den kleinen Gervais ontmoet en hem

het tweefrancstuk ontstolen. Waarom? Dit had hij zeker zelf niet

kunnen verklaren; was 't een laatste uitwerking en als een laatste

krachtsinspanning der slechte gedachten, welke hij uit het bagno

had medegebracht: een onwillekeurige opwelling, het gevolg van 't

geen in de statica de verkregene kracht wordt genoemd? Dat was 't,

en misschien was 't nog iets minder dan dat. Zeggen wij eenvoudig,

dat hij 't niet was, die gestolen had; 't was niet de mensch, 't was

het dier, dat door gewoonte en instinct gedachteloos den voet op het

geldstuk had gezet, terwijl de geest worstelde, te midden van zooveel

ongehoorde en nieuwe voorstellingen. Toen de geest tot zich zelf kwam

en deze daad van het dier zag, deinsde Jean Valjean ontsteld terug

en slaakte een kreet van verschrikking.

Want, een zonderling verschijnsel en slechts mogelijk in den toestand

waarin hij verkeerde,--hij had toen hij den knaap het geldstuk ontstal,

iets gedaan, waartoe hij reeds niet meer in staat was.

Hoe het zij, deze laatste slechte daad had een beslissende uitwerking

op hem; zij verbrak op een ruwe wijze den bajert van zijn verstand

en loste dien op, scheidde de duisternis van het licht, en werkte

op zijn ziel, in den toestand waarin zij toen was, gelijk sommige

scheikundige reageermiddelen op een troebel mengsel werken, door het

eene element neder te slaan en het andere te zuiveren.

Aanvankelijk, zelfs vóór hij nadacht en overwoog, angstig, als

iemand die wil vluchten, trachtte hij den knaap te vinden, om hem

het geld weder te geven; toen hij evenwel zag, dat dit vruchteloos en

onmogelijk was, bleef hij wanhopig staan. Op het oogenblik toen hij

uitriep: Ik ben een ellendeling! had hij zich herkend gelijk hij was,

en was bereids zoo ver van zich zelven gescheiden, dat hij zich voor

een spooksel hield, en het meende voor zich te hebben--in vleesch en

been, met den stok in de hand, gekleed in een kiel, den ransel met

gestolen goederen op den rug, met somber, vermetel gezicht, den geest

vol schandelijke ontwerpen,--den afschuwelijken galeiboef Jean Valjean.

De overmaat van zijn ongeluk had hem, wij hebben het reeds gezegd,

eenigszins tot een geestenziener gemaakt. Dit was dus een soort

van visioen. Hij zag werkelijk dien Valjean, met het onheilspellend

gezicht, voor zich. Hij was schier op 't punt zich te vragen, wie

deze man was, dien hij met afkeer aanschouwde.

Zijn hersenen waren in een dier levendige, en toch vreeselijk kalme

oogenblikken, waarin de gedachte zoo diep is, dat zij de werkelijkheid

in zich opneemt. Dan ziet men de voorwerpen niet meer, die men voor

oogen heeft; maar men ziet buiten zich de beelden, welke men in zijn

geest heeft.

Hij aanschouwde zich, om zoo te spreken, dus zelf in 't gezicht,

en tevens zag hij door deze begoocheling heen, in een geheimzinnige

diepte, een licht, dat hij aanvankelijk voor een fakkel hield. Toen hij

dat licht, 't welk zijn geweten verhelderde, opmerkzamer beschouwde,

zag hij, dat zij een menschelijke gestalte had, en deze fakkel de

bisschop was.

Zijn geweten beschouwde beurtelings deze zoo voor hem staande beide

mannen, den bisschop en Jean Valjean. Niets minder dan de eerste was

nodig geweest, om den tweede te voorschijn te roepen. Door een dier

zonderlinge uitwerkselen, welke aan deze soort van zinsbegoochelingen

eigen zijn, werd, naar gelang zijn visioen duurde, de bisschop steeds

grooter en schitterender in zijn oogen, terwijl Jean Valjean kleiner

werd en allengskens verdween. Op een oogenblik was hij nog slechts

een schaduw; toen verdween hij geheel, en alleen de bisschop bleef.

Deze vervulde de gansche ziel van dezen rampzalige met een

schitterenden glans.

Lang weende Jean Valjean. Hij weende heete tranen, hij weende snikkend,

moedeloozer dan een vrouw, angstiger dan een kind.

Terwijl hij zoo weende, werden zijn hersenen meer en meer verlicht,

door een buitengewoon licht, en bekoorlijk tevens. Zijn vorig leven,

zijn eerste misslag, zijn lange boete, zijn uitwendige verdierlijking,

zijn inwendige verhardheid, zijn ontslag, door zoovele wraakplannen

vergezeld, alles wat hem bij den bisschop was gebeurd, zijn laatste

daad, het stelen van een tweefrancstuk van een knaap: een misdaad te

schandelijker en lafhartiger, wijl zij gepleegd was na de vergiffenis

van den bisschop--alles verscheen hem duidelijk en helder, maar in

een helderheid, welke hij tot hiertoe niet gekend had. Hij aanschouwde

eerst zijn leven, en het kwam hem afschuwelijk voor; toen zijn ziel,

en zij scheen hem afgrijselijk. Evenwel scheen op dit leven en op

deze ziel een zacht licht. Hij meende den satan in het licht van

't paradijs te zien.

Hoe vele uren weende hij? Wat deed hij vervolgens? Waar ging hij

heen? Men heeft dit nimmer vernomen. Zooveel schijnt evenwel zeker,

dat de voerman van den vrachtwagen, die destijds tusschen Grenoble

en D. reed, dien nacht, omstreeks drie uren in den morgen, toen hij

de straat van het bisdom doorreed, een man in de houding des gebeds,

geknield, op de straat in de schaduw, voor de deur van Monseigneur

Bienvenu zag.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 66 / 177 题