Jean Valjean luisterde. Alles was stil.
Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als
een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging
onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open.
Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale
de deur verder open.
Zij bewoog zich zonder gerucht, en nu was de opening zoo wijd, dat
hij er door kon gaan. Maar bij de deur stond een tafeltje, dat met
de deur een lastigen hoek vormde en den toegang versperde.
Jean Valjean zag de moeielijkheid in; de toegang moest noodwendig
wijder zijn.
Hij nam zijn besluit en stiet ten derden male en forscher dan vroeger
tegen de deur. Doch dezen keer liet het hengsel een lang en krijschend
geluid hooren in de duisternis.
Jean Valjean ontroerde. Het gekners der deur klonk in zijn ooren
schetterend en vreeselijk als de bazuin van het laatste oordeel.
In de spookachtige ontsteltenis van 't eerste oogenblik, meende hij
schier, dat het hengsel leven aannam en als een hond huilde en blafte,
om een ieder te waarschuwen en de slapenden te wekken.
Bevend en ontsteld stond hij stil en liet zich van de teenen op de
hielen neder. Hij voelde zijn slapen als twee mokers kloppen, en zijn
adem kwam hem even sterk voor als de tochtwind die uit een spelonk
waait. Het scheen hem onmogelijk, dat dit vreeselijk gekrijsch het
huis niet als door een aardbeving geschud had; de door hem geopende
deur had onraad gemerkt, en had geroepen; de grijsaard zou opstaan,
de beide vrouwen zouden om hulp roepen, de buren zouden toesnellen
en in minder dan een kwartier zou de heele stad in beweging en de
gendarmerie op de been zijn. Een oogenblik waande hij zich verloren.
Hij bleef staan als een zoutpilaar en waagde het niet zich te
bewegen. Alzoo verliepen eenige minuten. De deur stond wijd open. Hij
waagde het in de kamer te zien.
Niets had er zich in geroerd. Hij luisterde. Alles was stil in het
huis. Het knarsen der deur had niemand gewekt.
Het eerste gevaar was voorbij, maar in zijn binnenste heerschte nog
een schrikkelijk oproer. Hij trad echter niet terug. Zelfs zoo hij
zich verloren had gezien, zou hij niet terug zijn geweken. Hij dacht
aan niets anders, dan om spoedig tot een einde te komen. En met één
tred was hij in de kamer.
In de kamer heerschte de volmaaktste rust.
Men zag hier en daar onduidelijke voorwerpen, die overdag gezien,
op een tafel verspreide papieren, opengeslagen folianten, een bankje
met opgestapelde boeken, een stoel met kleedingstukken, een bidbankje,
waren; thans echter vertoonde zich dit alles slechts als donkere en
lichte plekken.
Jean Valjean trad voorzichtig voort om niet tegen het huisraad
te stooten. Hij hoorde achter in de kamer de rustige gelijkmatige
ademhaling van den slapenden bisschop.
Plotseling bleef hij staan. Hij was dicht bij het bed. Hij was hier
spoediger genaderd dan hij dacht.
Soms verbindt de natuur haar werkingen en tooneelen aan onze daden,
zoo juist ter snede, als wilde zij ons door een ernstigen, behendigen
wenk tot nadenken brengen. Sinds bijna een half uur was de hemel door
zware wolken betrokken. Juist op 't oogenblik dat Jean Valjean voor
het bed trad, scheurde die sluier zich als met opzet, en een straal
der maan, die door het langwerpig venster schoot, verlichtte eensklaps
het bleek gelaat van den bisschop. Hij sliep rustig. Hij lag, wegens
de nachtkoude der Beneden-Alpen, half gekleed in een bruin wollen
nachtrok, te bed. Zijn hoofd rustte, een weinig achterover gebogen,
in het kussen; zijn met den bisschoppelijken ring versierde hand,
die zoovele goede werken en vrome daden had verricht, hing buiten
het bed. Zijn gelaat drukte tevredenheid, hoop en zielsrust uit. 't
Was eerder een hemelsche glans dan een glimlach, die zijn gelaat
verhelderde, en die de weerschijn geleek van een verborgen licht. De
ziel van den rechtvaardige aanschouwt in den slaap een geheimzinnigen
hemel. De glans van dien hemel bescheen den bisschop. 't Was tevens als
een doorschijnend licht, want deze hemel was in hem, was zijn geweten.
Toen het maanlicht, om zoo te spreken, zich over dezen inwendigen
glans spreidde, scheen de slapende bisschop als door een stralenkrans
omgeven, die zacht en omsluierd als de ochtendschemering was. De maan
aan het uitspansel, de sluimerende natuur, deze geruchtlooze tuin,
het rustige huis, het nachtelijk uur, het oogenblik, de stilte gaven
aan den eerbiedwaardigen slaap van dezen man iets onbeschrijfelijk
plechtigs en omhulden, met majestueuzen, stillen luister, zijn
wit haar, zijn gesloten oogen, zijn gelaat, waarop alles van hoop
en vertrouwen sprak: dit hoofd des grijsaards en dien slaap des
kinds. Er was iets goddelijks in dezen man, die, zich zelf onbewust,
zoo eerbiedwaardig was.
Jean Valjean stond met zijn wigge in de hand, bewegingloos in de
schaduw, verschrikt voor dezen schitterenden grijsaard. Nooit had hij
iets dergelijks gezien. De gerustheid ontstelde hem. De zedelijke
wereld kent geen grootscher schouwspel dan een ontsteld, onrustig
geweten, dat, op 't punt een slechte daad te bedrijven, den slaap
van een rechtvaardige aanschouwt.
Deze slaap in deze afzondering en in de nabijheid van iemand als hij,
had iets verhevens, 't welk zelfs Valjean, hoewel onduidelijk, echter
onweerstaanbaar, gevoelde. Niemand, hij zelfs niet, had kunnen zeggen
wat in hem omging. Om zich daarvan een denkbeeld te kunnen maken,
zou men zich het gewelddadigste tegenover het zachtmoedigste moeten
voorstellen. Zelfs op zijn gelaat had men niets bepaalds kunnen
onderscheiden. Het drukte een schuwe verbazing uit en staarde strak
voor zich. Wat dacht hij? 't was onmogelijk te gissen. Blijkbaar was
hij getroffen en geschokt; maar van welken aard was zijn ontroering?
Zijn blik wendde zich niet van den grijsaard af. Het eenige wat
duidelijk uit zijn houding en gelaat sprak, was een zonderlinge
besluiteloosheid. 't Scheen alsof hij tusschen twee afgronden kiezen
moest, tusschen dien, waarin men verloren gaat, en dien, die redding
geeft. Hij scheen gereed, dien man de hersens in te slaan, of ... zijn
hand te kussen.
Na eenige oogenblikken lichtte hij langzaam zijn linkerarm op en nam
zijn pet af, toen liet hij even langzaam dien arm zinken, en met
de pet in de linker-, zijn wigge in de rechterhand, en het woest,
met borstelig haar bedekt hoofd ontbloot, verzonk Jean Valjean weder
in gedachten.
De bisschop sliep, onder dien vreeselijken blik, rustig en diep.
In den maneschijn vertoonde zich onduidelijk boven den schoorsteen
het kruisbeeld, dat voor beiden zijn armen scheen te openen, om den
een te zegenen, den ander te vergeven.
Eensklaps zette Jean Valjean zijn pet weder op en ging, zonder verder
naar den bisschop te zien, rechtstreeks naar het kastje bij het
hoofdeneinde; hij hief de wigge op om het slot open te breken; maar
de sleutel stak er in; hij opende het, en het eerste voorwerp dat hij
zag, was het mandje met zilverwerk; hij nam het, en ging met haastigen
tred, onbezorgd voor het gerucht dat hij maakte, naar de deur, trad
de bidkamer weder binnen, opende het venster, nam zijn stok, stak het
zilverwerk in zijn ransel, wierp het mandje weg, klom uit het raam,
snelde door den tuin, sprong als een tijger over den muur en vluchtte.