De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean
ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was 't het te zachte bed? Hij
had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij
zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw
en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.
Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was
geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.
Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich,
toen sloot hij ze weder om te slapen.
Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is
geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap,
maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan
hij terugkeert. Zoo ging 't ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder
inslapen en begon te denken.
Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest
verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere
en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar;
zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan
eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen
in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige
verdrong. Deze gedachte was:--Hij had de zes zilveren vorken en
lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel
had gelegd.
Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier--op korten afstand--juist
toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan,
legde de oude dienstmaagd ze in een kastje aan 't hoofdeinde van
het bed.--Hij had het kastje goed opgemerkt,--rechts, als men uit de
eetkamer komt.--Het was oud massief zilver.--Met den grooten soeplepel
er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.--Het
dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.--'t Is waar,
dat hij meer zou hebben verdiend zoo de "administratie" niet hem
"bestolen" had.
Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder
eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette
zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel,
dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn
beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder
schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.
Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets
onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo
in de duisternis, de eenige wakende in het slapend huis, had
gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette
ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende
houding aan en zat weder bewegingloos.
In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben
aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit,
keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg;
tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid
van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het
bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen
draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.
Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten
hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,--een kwart of een
half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!
Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil
in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het
raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; 't was volle
maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor
ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en
verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering,
waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de
wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door
een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het
raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder
tralies, kwam in den tuin uit en was slechts, volgens landelijk
gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een
koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds
weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet,
beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur,
die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur
zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander,
't geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan,
of van een met boomen beplanten weg scheidde.
Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast
besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel,
opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak
hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op
den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok,
zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam,
waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam,
dat hij er op gelegd had. 't Geleek een korte ijzeren staaf, aan
't eene eind als een spies uitloopende. 't Ware moeielijk geweest in
de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen;
't kon een breekijzer, 't kon een groote beitel zijn.
In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens
mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om
steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en
't is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik
hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam,
en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der
aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur
stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.