EEN BLIK IN DE WANHOOP.

Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.

De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze

door haar voortgebracht worden.

Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van

geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat

ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn

geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den

arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der

tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij

verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.

Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte

was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad

gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou

hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter

was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten;

dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men

wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt,

dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede--gelukkig of

ongelukkig?--de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en

lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven;

dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen

beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een

dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij

te vergrijpen en zich te verbeelden, dat men door diefstal aan de

armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door

welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat;

kortom, dat hij ongelijk had gehad.

Voorts vroeg hij zich af:

Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk

had gehad? Of 't, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was

geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen

vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig

streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten

opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige,

in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een

te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf

niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was

omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld

van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van

den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de

zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband

met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet

ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere

werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad

die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?

Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben,

haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing

èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds

tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat

van straf?

Of 't niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer

leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het

lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op

toegevendheid hadden?

Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het

vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde

haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot,

dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet

zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde

voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel

dat hij berokkend had en 't nadeel dat men hem berokkende; eindelijk

besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid,

maar zekerlijk een onbillijkheid was.

De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan ten onrechte

vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den

grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde

zich verontwaardigd.

De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had

hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, 't welk men de

gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen

hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking

met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn

kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk

woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij

allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en

hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn

haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen,

wanneer hij ging.

Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders

Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht

werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde

tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en

leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand

te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden

kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.

't Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had

gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid

vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar

veroordeelde.

Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze

negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het

licht, aan de andere zijde de duisternis toe.

Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij

was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de

maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er

de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.

't Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.

Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch,

door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan

de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het

lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en

ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk

ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er

niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean

Valjean in 't bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel,

onverderfelijk in deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het

goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten,

en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?

Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog

waarschijnlijk en zonder aarzeling "neen" zou geantwoord hebben,

zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van

bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden

tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen

doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien

had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander

gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet

nasleepte.

Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou

hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen,

door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd

hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere

holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van

dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op

't hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord: Hoop!

Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor

Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien

onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al

de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze

zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had

deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van

de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot

die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige

horizont van zijn geest uitmaakte.

Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in

hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs

niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele

rampen, niet omtrent vele zaken nog in 't duister zou zijn. Vaak

wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de

duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij;

men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde

bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als

een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps,

't zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn,

een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal,

die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor en achter, de

afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.

Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij

wist het niet.

Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het

verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare

gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen

wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van

Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde

uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean

zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf

hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden,

zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding

te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open

vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben:

Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen;

alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer

hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem

onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.

Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij

een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem

evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien

van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde

hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere

gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden

hem dan ook den bijnaam van "Windas" gegeven.

Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld,

geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los

en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was,

hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden

tijd hadden er bij te komen.

Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen,

die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de

lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. 't

Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt

dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders

van vliegen en vogels.

Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden,

waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean

kinderspel. Was hij aan den kant van een muur, dan schoof en trok hij

zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en

hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een

derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan

het dak van het bagno.

Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig

om hem een paar keeren in 't jaar dien akeligen glimlach van den

tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels

is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in

waarheid in gedachten verdiept.

Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van

zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op

hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin

hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn

blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn

hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen:

wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet

duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders

was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en

daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens

in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder

verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok,

dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop,

zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden,

oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans,

in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en

donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen,

dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de

ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft,

en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en

onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,--deze

in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen,

in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,--voelen op

hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor

hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.

In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over,

en van welken aard konden die zijn?

Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het

zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.

Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden

vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier

onbeschrijfelijken toestand gebracht.

Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon

te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger,

verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al

wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij:

't is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan;

hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een

slag met den stok gaf.

De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige

waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie

zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens

bestonden. 't Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het

licht, dat door een keldergat dringt.

Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde

resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean,

de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van

Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem

gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was

geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige,

geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het

ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige,

gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een

ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen

achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt

zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande

verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane

onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en

rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze

gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij

niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid,

na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot

haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen

de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde,

onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of

welk levend schepsel.--Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean

niet ten onrechte een "zeer gevaarlijk mensch" werd genoemd.

Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottige wijze,

meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het

bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 53 / 177 题