Om een denkbeeld te geven van 't geen nu aan tafel plaats had, kunnen
wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van
mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven,
waarin het gesprek tusschen den galeiboef en den bisschop met naïeve
uitvoerigheid verhaald wordt.
"... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een
uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:
"Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor
mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij
niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.
"Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn
broeder antwoordde:
"Hun werk is zwaarder dan het mijne."
"Neen," hernam de man, "zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik
zie 't wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel
pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor
moeten zijn."
"De hemel is meer dan rechtvaardig," zei mijn broeder.
"Een oogenblik later liet hij er op volgen:
"Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?
"Volgens de mij voorgeschreven marschroute.
"Ik geloof, dat de man zoo zeide.
"Toen vervolgde hij:
"Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. 't Is moeielijk
reizen; des nachts koud, overdag heet."
"Ge gaat naar een goed gewest," zei mijn broeder. Tijdens de
revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar
Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn
wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er
zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen,
groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste
twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon,
te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...
"Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn
broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:
"Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?
"Ik antwoordde:
"Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens
de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.
"Ja," hernam mijn broeder, "maar in 93 had iemand slechts zijn handen
en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier,
waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt een zeer aartsvaderlijke en
schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij."
"Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige
inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:--de
groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien
hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren;
en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van
het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de
opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien
zij grurin noemen;--deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten
en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen
het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;--en
tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.
"Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden
wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur
vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u
bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden
iets vleiends voor mij.
"Hij weidde vooral uit over het goede beroep van den grurin
(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem
rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan
voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd
heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond,
behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den
man kon herinneren aan 't geen hij was, noch hem kon doen weten wat
mijn broeder is. 't Was echter een goede gelegenheid geweest voor een
kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een
bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat
het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest
zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen
en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te
gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als
naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf
opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan
kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van
de bergbewoners van Pontarlier, die "een licht werk, nabij den hemel,
hebben en die," voegde hij er bij, "gelukkig zijn door hun onschuld,"
hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem
ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na
rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in het hart mijns
broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean
Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat
het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een
oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander,
door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad
het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets
waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking,
zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke
plek heeft, is 't niet het beste medelijden, die in 't geheel niet
aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns
broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij
zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet
tegen mij; hij was van 't begin tot het einde dezelfde man als elken
avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den
heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.
"Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren,
werd er aan de deur geklopt. 't Was vrouw Gerbaud met haar kind op
den arm. Mijn broeder kuste het kindje op 't voorhoofd en leende
van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan
vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij
sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw
Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot
den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan,
naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat
wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan,
en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter
Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit
het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn
koud en zulk een vel verwarmt. 't Is jammer, dat het zoo oud is;
het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij
in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau,
zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.
"Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar
het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen,
zonder een woord te spreken."