De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer
kracht als stoutmoedigheid bezit.
Een man trad binnen.
Wij kennen hem reeds. 't Is de voetreiziger, dien wij straks een
nachtverblijf hebben zien zoeken.
Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter
zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de
hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en
drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij
was afschuwelijk. 't Was een onaangename verschijning.
Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met
open mond te beven.
Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en
richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar
hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder
volkomen kalm en onbezorgd.
De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den
mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat
hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok,
zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid,
zonder te wachten tot de bisschop sprak:
"Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien
jaren in 't bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen
en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier
dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet
afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg,
waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan
't Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere
herberg. Daar zeide men tot mij: "Ga heen!" Niemand wilde met mij te
doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur
niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij,
als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen
ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was
geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goede
God was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug
om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een
steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en
zeide: "klop daar aan!" Ik heb geklopt. Wat is 't hier? Is 't hier
een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs,
vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren
verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan 't mij schelen? Ik heb geld. Ik
ben zeer vermoeid;--twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag
ik blijven?"
"Magloire," zei de bisschop, "dek voor nog een persoon."
De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel
stond. "Spreek," zeide hij, als hadde hij 't niet begrepen. "Hebt
ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van
de galeien." Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij
opensloeg.--"Hier is mijn paspoort, ziet ge, 't is geel. Dit dient
om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge 't lezen? Ik
kan lezen; ik heb 't in 't bagno geleerd. Er is een school voor
hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft:
"Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te..." dat doet er niet
toe... "is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens
diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging
tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk." Dat staat er. Iedereen
heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt
ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?"
"Magloire," zei de bisschop, "leg schoone lakens op het bed in
de alkoof."
Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide
vrouwen was.
Magloire ging om het bevel te volvoeren.
De bisschop zeide nu tot den man:
"Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd,
en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken."
Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot
hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een
onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!
"Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een
galeiboef! gij noemt mij "mijn vriend!" Gij snauwt mij niet af: weg
hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt
wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw,
die mij hierheen heeft gewezen! Ik zal eten! Een bed met matrassen en
lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik
op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt
brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving,
mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge
zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?
"Ik ben een priester, die hier woont," zei de bisschop.
"Een priester!" herhaalde de man. "Ha, zoo, een waardig priester! Dus
vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor
van die groote kerk? Kijk, 't is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog
niet gezien!"
Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn
paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine
zag hem met deelneming aan. Hij hernam:
"Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een
goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?"
"Neen," zei de bisschop, "behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge
mij niet gezegd: honderd negen francs?"
"En vijftien sous," voegde de man er bij.
"Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad,
om dat geld te verdienen?"
"Negentien jaren."
"Negentien jaren!" herhaalde de bisschop met een diepen zucht.
De man voer voort:--"Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik
slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het
afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u
zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik
ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. 't Was
de bisschop de la Majore van Marseille. 't Is de pastoor, die boven
de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien
niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.--Ge begrijpt,
voor onze soort.--Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een
spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij
stonden aan drie zijden in 't gelid, tegenover ons de geladen kanonnen
met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij
was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop."
Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open
was gebleven.
Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde 't op
de tafel.
"Magloire." zei de bisschop, "zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het
vuur." En zich tot zijn gast wendende:--"De nachtwind is guur in de
Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?"
Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en
op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. 't
Woord "vriend" is voor den tuchteling als een glas water voor een
schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.
"Deze lamp brandt slecht," zei de bisschop.
Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer
van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met
brandende kaarsen op de tafel plaatste.
"Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,"
zei de man. "Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen
voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik
een ongelukkige ben,"
De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en
zeide:--"Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet
mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den
binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt,
gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg
niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan
hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt,
dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier
is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens,
voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende."
De man opende wijd de oogen, en vroeg:
"Waarlijk! wist ge hoe ik heet?"
"Ja," antwoordde de bisschop, "gij heet mijn broeder."
"Zie, mijnheer de pastoor!" riep de man, "toen ik hier kwam had ik
grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat
ik heb; 't is over."
De bisschop zag hem aan en zeide:
"Gij hebt veel geleden?"
"O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen,
hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten
voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek
te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik
ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!"
"Ja," hernam de bisschop, "gij komt uit een treurige plaats. Maar
luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over het beschreid
gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed
van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord
hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge
medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en
vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer."
Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep,
bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje
schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had
er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn
bijgevoegd.
Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan,
die aan gastvrije menschen eigen is:--Nu aan tafel! riep hij levendig,
zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste
den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen
gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn
linkerzijde.
De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte,
ieder van soep. De man at gulzig.
Eensklaps zei de bisschop:--Maar mij dunkt, dat er iets op tafel
ontbreekt.
Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken
op tafel gelegd. 't Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer
de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op
den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig,
vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, 't welk aan de
armoede waardigheid verleende.
Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te
zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde
zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.