VOORZICHTIGHEID GA MET WIJSHEID GEPAARD.

Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door

de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een

groot werk over de "Plichten" bezig, dat helaas niet voltooid is. Met

zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit

gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen:

ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder,

naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de

groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan:

plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den

naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de

bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten

en onderdanen, in den brief aan de Romeinen; aan de overheid, aan de

vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders,

kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de

geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief

aan de Corinthen.

Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit,

't welk hij der wereld wilde aanbieden.

Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk

lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de

knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk

uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de

bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem

misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.

Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met

een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den

tuin uitzag.

Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij

met mejuffrouw Baptistine.

Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den

schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.

Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de

zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw

Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder,

gekleed in een puce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806,

welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der

gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een

enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde

nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als een boerin,

en mejuffrouw Baptistine als een dame. Magloire droeg een wit geplooid

mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden

sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit

een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam,

een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band

om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan

de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele

kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw

Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok,

mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld

naturelletje, à l'enfant verborgen. Magloire had een schrander,

levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op

gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlip was,

gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg,

sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd

tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk

als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak

zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te

zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote,

eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar

gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een

oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd

geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden,

welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid

tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst

een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!

Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien

avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans

nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden

herinneren.

Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid

tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan

de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.

Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten

was gaan koopen, op verschillende plaatsen 't een en ander had hooren

verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad

was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht

laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien

in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer

de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten

te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De

voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en

zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen,

"bovenal de voordeuren."

Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit

zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den

haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op 't

geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw

Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder

te mishagen, bedeesd te vragen:

"Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?"

"Ik heb er iets van gehoord," antwoordde de bisschop. Hij draaide

zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en

zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat door het vuur beschenen werd,

naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:

"Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar

bedreigd?"

Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig

met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van

gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin

Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen

opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den

avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een

verschrikkelijk gezicht.

"Waarlijk?" zei de bisschop.

Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te

duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij

zegevierend voort:

"Ja, Monseigneur; 't is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk

een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie

heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet

eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat,

is 't er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw

zegt het ook..."

"Ik!" viel de zuster de spreekster in de rede, "ik zeg niets. Zooals

mijn broeder doet is 't mij wel."

Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:

"Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur

het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat

hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, 't

is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels

moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is

verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend

kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte

ieder maar binnen te laten, al is 't ook midden in den nacht; lieve

Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen..." Op dit oogenblik

werd juist vrij hard aan de deur geklopt.

"Binnen," riep de bisschop.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 43 / 177 题