WAT HIJ DACHT.

Een laatste woord.

Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen

tijd, den bisschop van Digne een schijn van "pantheïsme" geven--om

een woord, dat thans zeer in de mode is, te gebruiken--en, hetzij

tot zijn blaam of zijn lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat

van die persoonlijke, onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms

in eenzaam levende geesten ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt,

dat zij er den godsdienst uit verdringt, zoo vermelden wij wel

uitdrukkelijk dat niemand dergenen, die Monseigneur Bienvenu gekend

hebben, zich zou veroorloofd hebben iets dergelijks te denken. Wat

dien man verlichtte, was het hart. Zijn wijsheid was uit het licht

ontstaan, dat daaruit voortkomt.

Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt duizeling,

en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door de

Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig

zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis

een gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te

verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder

geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden

zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen

sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen.

In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als 't ware

boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen groote geesten

hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een stoutmoedige drang om meer

licht. Hun vereering is een vraag. 't Is een onmiddellijke godsdienst,

vol angsten en verantwoordelijkheid voor dengene, die er de steilten

van beproeft.

Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af,

ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou

schier kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende

weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons

omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en 't is waarschijnlijk,

dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij,

er zijn menschen op de wereld--zijn zij menschen?--die duidelijk

aan den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte

zien, en die een visioen van den ontzettenden berg der oneindigheid

hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; Monseigneur Bienvenu

was geen genie, geen groote geest. Hij zou teruggedeinsd zijn voor die

hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote geesten, als Schwedenburg en

Pascal, in verbijstering hebben gebracht. 't Is waar, deze grootsche

bespiegelingen hebben een zedelijk nut, en langs zulke steile wegen

komt men de denkbeeldige volmaaktheid nader. Hij echter koos den

kortsten weg, den weg van 't Evangelie.

Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp

geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen;

hij poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te dringen;

hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). Zijn

nederige ziel beminde slechts; dat was alles!

't Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een bovenmenschelijke

verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin te veel bidden

als te veel beminnen; en indien 't ketterij is buiten de formulieren

te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. Jeronimus ketters zijn.

Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen

in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij koorts; overal

hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen oplossen, poogde

hij de wonde te verbinden.

Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in

hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich

zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en

die aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden,

zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt

te vertroosten.

Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij hield

zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De algemeene

ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor hem slechts

een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. "Bemint elkander;" dit

bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte niets meer, en dit

was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide de man, die zich

"wijsgeer" waande, de reeds genoemde senator, tot den bisschop:--"Zie

toch, hoe het in de wereld toegaat; oorlog van allen tegen allen; de

sterkste is de verstandigste. Uw "bemint elkander" is een dwaasheid."

"Welnu," antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem te

redetwisten, "zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich

insluiten, als de parel in de oester."

En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen in

tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken onaangeroerd liet,

die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der bespiegeling, de

afgronden der bovennatuurkunde, al die ondoorgrondelijkheden, welke

den apostel tot God, den atheïst tot het niet voeren: het noodlot, het

goede en het kwade, de oorlog van het eene tegen het andere schepsel,

het geweten van den mensch, het denkend somnambulisme van het dier, de

herschepping door den dood, de wederopstanding van al de wezens, die

het graf bevat, de onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende

liefdeneigingen op het steeds voortbestaande ik, de geest en het

stof, het niet en het zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de

noodzakelijkheid,--alle diepe problemen, schrikbarende duisternissen,

voor welke de reusachtige aartsengelen van het menschelijk geslacht

zich buigen; vreeselijke afgronden, welke Lucretius, Manou, Paulus

en Dante met dien vlammenschietenden blik aanstaren, die, door strak

in het oneindige te turen, er sterren schijnt te ontdekken.

Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige

vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder

zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen

eerbied voor het verborgene koesterde.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 35 / 177 题