WAT HIJ GELOOFDE.

Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop van Digne niet

te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij slechts eerbied

gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich niet door woorden

beoordeelen. Voor 't overige nemen wij de mogelijke ontwikkeling van

alle volkomenheden der menschelijke natuur bij sommige karakters aan,

zelfs al verschillen ze ook met ons in godsdienstig geloof.

Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene

verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf

bekend, waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het,

dat geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De

diamant is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij

kon. Ik geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte

hij uit de goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te

bevredigen, terwijl 't hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij

moeten hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te

spreken, boven zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden,

omdat hij "veel bemind had", achtten sommige "ernstige, verstandige

lieden" hem kwetsbaar. "Ernstige, verstandige lieden," geliefkoosde

uitdrukkingen onzer treurige wereld, waarin de zelfzucht het wachtwoord

van de waanwijsheid ontvangt. Waarin bestond nu deze overvloed van

liefde? In een opgeruimde welwillendheid, die, gelijk reeds gezegd

is, zich over menschen, ja soms over zaken uitbreidde. Hij kende geen

verachting. Hij was toegevend jegens al wat God geschapen had. Ieder

mensch, zelfs de beste, heeft een soort van onwillekeurige hardheid

in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar de bisschop van Digne

had deze hardheid niet, die evenwel velen priesters zoo eigen is. Hij

ging niet zoo ver als de brahmin, maar scheen de woorden van Salomo's

Prediker ter harte te hebben genomen: "Weet men waarheen de ziel

der dieren gaat?" Een leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden

verstoorden noch verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door

aangedaan, schier verteederd. Hij scheen er over te peinzen om

aan gene zijde van het aardsche leven de oorzaak, de verklaring

of de verschooning er voor te zoeken. 't Scheen of hij soms God

om verzachting van hun lot bad. Zonder toorn, en met het oog van

een taalvorscher, die een oud handschrift ontcijfert, onderzocht

hij de schijnbare tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze

bespiegelingen ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren

morgen dat hij meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster

niet zag, die achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde

iets op den grond; 't was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke

spin. Zijn zuster hoorde hem zeggen:--Arm dier! 't is zijn schuld niet.

Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche goedhartigheid

niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die verheven

beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van Marcus

Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een mier

niet wilde vertreden.

Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin ingeslapen,

en dan kon men niets eerwaardigers zien.

Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens 't geen van zijn jeugd en

zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een hartstochtelijk,

ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en zachtmoedigheid

was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg eener diepe

overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door overdenking in

zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals een steen, door

waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn onuitwischbaar;

deze vormen onverstoorbaar.

In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom van

vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. Hij

was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, en om dit te bestrijden deed

hij groote wandelingen te voet; hij ging met vasten tred en slechts

een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid willen wij echter geen

gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, toen hij tachtig jaren

oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk voorkomen, 't geen niet

belette, dat hij een slecht bisschop was. Monseigneur Bienvenu had,

wat het volk "een fraaien kop" noemt; maar die was zoo vriendelijk,

dat men de fraaiheid er van voorbij zag.

Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een zijner

beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd hebben,

was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich verspreidde. Zijn

blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij alle behouden had

en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem dit openhartig

en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: "er is geen

kwaad in hem," en van een grijsaard: "'t is een allerliefst man." Zoo

was, gelijk men zich herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had

gemaakt. Op 't eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste

maal ontmoette, was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig

man. Maar wanneer men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem

zag denken, veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends:

zijn hoog, ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar,

werd het te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden;

de majesteit kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze

laatste ophield te blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan

als door de verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend

zijn vleugelen uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied

vervuld, en gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en

toegevende zielen voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn,

dat zij niet anders dan zachtmoedig kunnen zijn.

Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke

diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten,

het bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid,

gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van

zijn leven vervulden. "Vervullen" is het juiste woord, en zekerlijk

was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede gedachten,

goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet volledig,

als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, zoodra

de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin door

te brengen, vóór hij naar bed ging. 't Scheen hem een soort van

eerdienst te zijn, door overpeinzingen in 't gezicht der gesterrende

hemellichamen, zich tot den slaap voor te bereiden. Soms hoorden de

vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog zeer laat in den nacht langzaam

in den tuin wandelen. Daar was hij alleen, in zich zelven gekeerd,

aandachtig, rustig, biddend, de kalmte zijns harten met de kalmte des

hemels in overeenstemming brengende, in de duisternis aangegrepen

door den zichtbaren luister der sterrenbeelden en den onzichtbaren

luister van God, en zijn ziel openende voor de gedachten, die van den

Onbekende komen. Wanneer in zulke oogenblikken, als de nachtbloemen

haar geuren deden opstijgen, zijn hart als een licht te midden van

dezen gesterrenden hemel vlamde en verrukt door de oneindige schepping

zweefde, zou hij misschien zelf niet in staat zijn geweest te zeggen,

wat in zijn geest omging; 't was hem, alsof iets uit zijn binnenste

opsteeg, en iets in hem nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen

de diepten der ziel en de diepten der Schepping.

Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de

toekomstige eeuwigheid,--een geheimzinnige verborgenheid; aan de

doorloopen eeuwigheid,--een nog vreemder verborgenheid; aan al het

oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde,

en zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het

aan. Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij

aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een

vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid,

de gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen,

en door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking

en verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit

ontstaan het leven en de dood.

Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder,

en zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige,

schrale vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door

onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende.

Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens,

't welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het tuinwerk

des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine ruimte,

waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God beurtelings in

Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te aanbidden? Was dit

inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? Een kleine tuin om

in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan zijn voeten, wat

men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men kan bestudeeren

en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren aan den hemel.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 33 / 177 题