EEN VOORBEHOUD.

Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu wilde besluiten,

dat Monseigneur Bienvenu een "wijsgeerig bisschop," een "patriottisch

pastoor was." Zijn ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting

men schier met het samentreffen van twee planeten kan vergelijken,

had een soort van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog

zachtmoediger maakte. Dit was alles.

Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek

persoon geweest zij, is 't hier misschien toch de plaats, om met

een enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige

gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu

er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen.

Gaan wij dus enkele jaren terug:

Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop,

had de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen,

tot baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus

geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli

1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de

synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs moest

samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde het

eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal

Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig

bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts één zitting,

en drie of vier afzonderlijke conferentiën bij. Het schijnt, dat

hij als bisschop uit een bergstreek en nauw aan de natuur verwant,

bovendien in landelijken eenvoud en armoede levende, onder deze zeer

aanzienlijke personen denkbeelden bracht, welke met de temperatuur

dier vergadering volstrekt niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar

Digne terug. Men vroeg hem naar de reden zijner spoedige terugkomst,

en hij antwoordde:--"Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij

binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur."

Een andermaal zeide hij:--"Wat zal ik u zeggen? Deze heeren zijn

prinsen. Ik ben slechts een arme boeren-bisschop."

De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd.

Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij

zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden

zijn ontsnapt:--Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten,

deze keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al

die overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen:

er zijn menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er

zijn armen! er zijn armen!

't Is in 't voorbijgaan gezegd, niet verstandig de weelde te

haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten opgesloten

liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd bij

openbare plechtigheden en ceremoniën, een verkeerdheid. Zij schijnt

gewoonten aan te duiden, die weinig met een wezenlijke weldadigheid

overeenkomen. Een weelderig priester is een tegenstrijdigheid. De

priester moet zich bij de armen houden. Of kan men nacht en dag

onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle ontberingen in

aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige behoeftigheid te

bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich iemand voorstellen,

die, als hij bij een vuur staat, geen warmte gevoelt? Kan men zich

een arbeider voorstellen, die steeds aan een vuurhaard werkzaam,

geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, geen droppel zweet,

geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het groote bewijs van de

weldadigheid eens priesters, vooral van een bisschop, is de armoede.

Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne.

Men moet echter niet meenen, dat hij, 't geen wij "de denkbeelden

der eeuw" zouden noemen, in sommige teedere punten deelde. Hij mengde

zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd en zweeg over de

kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; doch zoo men sterk bij

hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk meer ultramontaansch

dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een portret maken,

en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij te voegen,

dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 stemde

hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze toe. Hij

weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba terugkeerde,

en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor den keizer

aan gedurende de honderd dagen.

Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders,

van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef

hij aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl

de generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in

Provence hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had

vervolgd, als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef

zijn briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt,

een braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde.

Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van

verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van

dien tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich

met het eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen

staatkundige meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in

onze bedoeling; wij maken onderscheid tusschen hetgeen "staatkundige

meening" wordt genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat

verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof,

't welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed moet

zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts zijdelings

betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou schoon

geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest

ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere

bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den

haat der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke

zaken, deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en

de menschlievendheid ziet stralen.

Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige

betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van

het recht en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken,

maar rechtmatigen tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen

en bewonderd hebben. Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen,

behaagt ons minder tegen hen die vallen. Wij beminnen slechts het

gevecht zoolang er gevaar is; en in allen geval hebben alleen de

strijders van het begin het recht, de verdelgers van het einde

te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen moedig beschuldiger was,

moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger van den voorspoed

is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den tegenspoed. Wat ons

betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich neemt, laten wij

't aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. In 1813 kon het

laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend lichaam, door

de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan verontwaardiging

wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in 1814 was het een

plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke maarschalken,

van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den anderen overging,

die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze afvallige afgoderij,

die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht van groote rampen

zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze nadering er van,

terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor Napoleon kon zien

openen, had de treurige sympathie van het leger en het volk voor den

door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den despoot er

buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den bisschop

van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, dat de

hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan den

rand des afgronds had.

Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles

rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig;

weldadig en welwillend, en welwillendheid is een andere vorm van

weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een mensch. Zelfs

moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige gevoelens, welke

wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn schier streng te

beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, wellicht meer dan wij,

die er hier over spreken. De portier van het raadhuis was door den

keizer aangesteld. 't Was een oud-onderofficier der oude garde, met

het legioen van eer van Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch

als de adelaar. Bij gelegenheid ontglipten dien armen drommel

eenige onbedachte woorden, welke de wet destijds met den naam van

"oproerige taal" bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van

het legioen-kruis verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het

voorschrift, om, zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis

te dragen. Met eigen handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit

het door Napoleon geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane

opening niets in de plaats willen stellen. "Ik sterf liever," zeide

hij, "dan op mijn hart de drie padden te dragen!" Hij spotte gaarne

openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: "Die oude jichtpoot met zijn

engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met zijn boksbaard;"

en 't deed hem genoegen in dezelfde verwensching de twee dingen,

welke hij het meest verachtte, Pruisen en Engeland, samen te kunnen

vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn post ontzet werd. Nu

was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood en huisvesting. De

bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem welwillend en stelde

hem tot oppasser der kerk aan.

In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een

liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke

vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was

hem niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk,

welk volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn

bisschop beminde.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 29 / 177 题