DE BROEDER DOOR DE ZUSTER GESCHILDERD.

Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops

van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen,

gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar

de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij

ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen

dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron,

een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.

Digne, 16 December 18..

"Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u

spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere

reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering

en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans

onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren,

een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het

geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn

salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om

de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in 't

vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld

was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht,

werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat

men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest

mijn kamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over

elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die,

al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men

ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen;

iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet

terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich

een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen,

Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer

zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal

zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen;

en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in

een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm

gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar

't is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens

leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.

"Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij

geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus

steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel,

en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft,

wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een

genot boven duizenden!

"Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over

spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u,

de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden,

en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs

niet des nachts. Dit noemt hij zijn dapperheid.

"Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als

Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs

niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.

"Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in

den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op

onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.

"Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich

roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien

dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad

ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand,

en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een

koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was,

welke de roovers hem gebracht hadden.

"Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig

op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelen van

't rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.

"In den beginne dacht ik: 't is verschrikkelijk; er is geen gevaar,

dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef

Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich

wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen,

begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben

gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit

mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot

den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad,

om zich te gewennen aan 't geen zij zijn onvoorzichtigheden

noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken

ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis

kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle

ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste

is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.

"Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele

opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt,

en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.

"Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.

"Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd

omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend

is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een

goed koningsgezinde. 't Is werkelijk een zeer oude Normandische

familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden

Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel

behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste

was Guy van Etienne Alexandre, "mestre-de-camp," en nog iets

bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise

huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis

de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en

luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.

"Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef

den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de

korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te

schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds

bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik

door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed,

en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier

is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.

"Baptistine."

"P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf

jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, 't welk men

kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan

de knieën?--'t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept

een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!"

Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar

de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk

doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn

zacht en kalm voorkomen, 't welk zich nooit verloochende, verrichtte

de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen,

zonder dat hij 't zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch

lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking;

doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel

woord of gebaar, in 't geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij

't behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van

bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige

oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde;

dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden

hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen,

verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij,

dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij

meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook--ik zeg niet zijn

gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem

waakten. Zij vertrouwden hem aan God.

Voor 't overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars

broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er

van overtuigd.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 24 / 177 题