WIJSBEGEERTE NA TAFEL.

De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man,

die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen,

welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was

regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het

oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een

oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad

mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn

vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk

van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden,

de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij

was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel

van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product

van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het

oneindige en het eeuwige, en over de "hersenschimmen van den goeden

bisschop." Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging

in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.

Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf *** (deze

senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan

het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd

deftig was:

"Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een

bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij

zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn

eigene wijsbegeerte."

"Ge hebt gelijk," antwoordde de bisschop. "Naar men zich een

wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen

bed, mijnheer de senator."

Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:

"Laten we verdraagzame lieden zijn."

"Verdraagzame duivels zelfs," zei de bisschop.

"Ik verzeker u," hernam de senator, "dat de markies d'Argens, Pyrrhon,

Hobbes en Naigeon in 't geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek

staan al mijn philosofen verguld op sneê."

"Zooals gij zelf, mijnheer de graaf," viel de bisschop hem in de rede.

De senator ging voort:

"Ik haat Diderot; 't is een idéoloog, een declamator en een

revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan

Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij

had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig

is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen het fiat

lux (er zij licht). Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter

zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige

Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah

mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken,

die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,'t welk mij plaagt! Leve

het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak

geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals 't behoort,

beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw

Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. 't

Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering:

waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen

wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport;

laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger

te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven

wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven,

daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof

ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik

moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met

het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige,

met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van

mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een

droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat

zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid,

wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is

geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het

wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor

den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk

een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig,

opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den

mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw

er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een

engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens

te hulp; was 't niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene

ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen

der sterren zijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al

die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu

wel niet in den Moniteur gaan verkondigen, maar fluister het onder

vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs

op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben

zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben

niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik

geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een

weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde

te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden

voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het

genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is

gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. 't Is beter tand dan

gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven

wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon;

maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde. Finis. Algemeene

uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof

mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij

iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen,

Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene

zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales

of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de

waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men

kan, dit is 't voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik

mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij

geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen,

de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men

geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid,

den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun

droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb

er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede

God is goed voor het gepeupel."

De bisschop klapte goedkeurend in de handen.

"Dat noem ik spreken!" riep hij. "Dat materialisme is toch een

uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit

het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich

niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus,

noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit

bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken

het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat

zij, zonder eenig bezwaar, alles mogen aannemen en kunnen verduwen:

ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen

macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van

het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit

alles, in 't graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet

ten uwen opzichte, mijnheer de senator; 't is mij evenwel onmogelijk

u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt,

een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor

de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is

en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is

door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel

heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden

God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met

uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is."

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 22 / 177 题