Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is,
twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie
kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het
huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in
gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de
straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en
het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder
door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In
de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste
van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan,
die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende,
te Digne kwamen.
De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd
gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.
Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het
hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel
melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van
aan de zieken in het hospitaal. "Ik betaal mijn tienden," zeide hij.
Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te
verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den
koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier
bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn
"wintersalon."
In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan
een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer
was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een
dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de
bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.
Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden
herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai,
nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het
geld aangenomen en aan de armen gegeven. "Het fraaiste altaar," zeide
hij dan, "is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt."
Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in
zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer hij bij toeval zeven
of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal,
of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige
kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen
van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel
uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers
elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken
van zijn huisraad beroofd.
Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan
verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des
winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers
door in den tuin te wandelen.
In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de
zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij
slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw
Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout,
die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed;
maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping
moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen,
wanneer men zitplaatsen te kort kwam.
Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn,
een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met
geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou
minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij 't in vijf
jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en
een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie
ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?
Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den
bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond
het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter
een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden
nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren
twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het
bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De
bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met
een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur;
een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger
verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op
den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix
op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur
stond een tafel, waarop een inktkoker, en die verder beladen was met
verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de
armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.
Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale
lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen,
duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van
St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde,
abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen
de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er
deze portretten gevonden en ze laten hangen. 't Waren priesters,
vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat
hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning
op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander
tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire
de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de
bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt,
op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier
ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.
Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof,
welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een
nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het
midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte
dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.
Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden
als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met
kalk gewit.
In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal
vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer
van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden,
had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze
versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks
geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor 't overige
onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden
werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was
de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende,
dat dit den armen niets onthield.
't Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten
had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven
waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte
tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen
gelijk hij was, moeten wij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had,
dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.
Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden
gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars
droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen
van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de
beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.
In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed,
een kastje, waarin Magloire 's avonds de zes zilveren vorken en lepels
en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in
't slot steken.
De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden,
die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin,
langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin
in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire
groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en
daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs
gezegd: "Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te
trekken, is dit toch een nutteloos bed. 't Ware beter, dat er salade
op groeide, dan bloemen."--"Gij vergist u, Magloire," had de bisschop
geantwoord, "het schoone is even nuttig als het nuttige." En na eenig
zwijgen voegde hij er bij: "Misschien nog nuttiger!"
Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop
schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar
uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was
hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor
't overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij
wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om
tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en
koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor
Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde
de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden;
en zonder aan de achting voor beiden ooit in 't minst te kort te doen,
begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden
blikken gieter.
Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die,
zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger
sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit
ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op
de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In
den beginne had deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust,
maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar
deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn
gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was
nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden
in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven:
"Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten
mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen."
In een ander boek, getiteld: Philosophie de la science médicale,
had hij deze kantteekening geschreven: "Ben ik geen geneesheer,
evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zij
hun zieken noemen; en dan de mijne, welke ik de ongelukkigen noem."
Elders had hij geschreven: "Vraag niet naar den naam van dengene,
die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats
noodig heeft, is de naam een lastig ding!"
Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke--ik weet
niet of 't de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was--hem
op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of
Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen,
door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open
te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis
eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten
ernst op den schouder, zeggende: "Zoo de Heer het huis niet bewaakt,
waken de wachters vergeefs."
Daarop sprak hij van iets anders.
Dikwijls zeide hij: "Er is een dapperheid van den priester, evenals
er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar," liet hij er
op volgen, "de onze moet rustig zijn."