In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens dezelfde als in zijn
openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de bisschop van Digne
leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen gadeslaan,
een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest.
Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn
korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur
aan zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, 't zij in de
kerk, 't zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, bestaande
in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij.
Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet
hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn
groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht houden,
privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, getijboeken,
catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet mandementen
schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires vereenigen, een
kerkelijke en een administratieve correspondentie voeren, eenerzijds
met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, duizend zaken
wachten op hem.
Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten en zijn
brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan de noodlijdenden, de kranken
en de bedrukten; den tijd, dien deze hem lieten, besteedde hij aan
den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, dan weer las en schreef
hij. Hij had voor deze beide soorten van werk slechts één naam:
hij noemde het tuinieren. "De geest is ook een tuin," zeide hij.
Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en wandelde
op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. Men
zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met neêrgeslagen
oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn violetkleurigen,
gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, zware schoenen en
met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten aan de punten,
op het hoofd.
't Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij zijn komst
iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden kwamen aan
de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij deelde zegen
uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees men zijn huis.
Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te spreken,
en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij geld had;
was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken.
Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde
dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig
kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig.
Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt
geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het
avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze
maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel
had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur
keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te
disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden
maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn
tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide
dan ook in de stad: "wanneer de bisschop niet smult als een pastoor,
eet hij als een trappist."
Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en Magloire;
vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder aan
't schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant van een
foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf of zes
merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een verhandeling
over het vers van Genesis: "En de geest Gods zweefde over de
wateren."--Hij vergelijkt met dit vers drie teksten: het arabisch,
dat zegt: "de winden Gods bliezen;" Flavius Josephus, die zegt:
"Een wind van boven viel op de aarde;" en eindelijk de Chaldeeuwsche
overzetting van Onkelos, die zegt: "Een wind, die van God kwam,
blies over de wateren." In een andere verhandeling onderzocht hij de
godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom
van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de
verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de
vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen.
Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek hij
in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige
regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak
volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij
vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een boek in kwarto,
getiteld: Correspondance du lord Germain avec les généraux Clinton,
Cornwallis et les amiraux de la station de l'Amérique.
Deze kantteekening luidt als volgt:
"O gij, die zijt!
"In den prediker Salomo heet gij de Almachtige, in het boek der
Makkabeeën Schepper, in den brief aan de Ephezers Vrijheid, in
Baruch Onmetelijke, in de psalmen Wijsheid en Waarheid, in het
evangelie van Johannes Licht, in het boek der koningen Heer, in
het tweede boek van Mozes Voorzienigheid, in het derde Heiligheid,
in Esdra Gerechtigheid; de schepping noemt u God, de mensch Vader,
maar Salomo noemt u Erbarmer, en dit is de schoonste van al uw namen."
Tegen negen uur 's avonds verwijderden zich de beide vrouwen en begaven
zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den bisschop
alleen beneden tot den volgenden morgen.
't Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der woning van
den bisschop van Digne te geven.