DE WERKEN EN DE WOORDEN ÉÉN!

In den omgang was hij vriendelijk en vroolijk. Hij schikte zich naar de

bevatting der beide oude vrouwen, die haar leven bij hem doorbrachten;

wanneer hij lachte, was 't de hartelijke lach van den knaap.

Magloire noemde hem gaarne Uwe Hoogheid. Op zekeren dag stond hij

op van zijn stoel en ging naar zijn bibliotheek een boek halen. Dat

boek stond op eene der hoogste planken. Daar de bisschop klein van

gestalte was, kon hij er niet bij.--

"Magloire," zeide hij, "breng mij een stoel, mijn grootheid reikt

niet tot aan deze plank."

Een zijner verre verwanten, mevrouw de gravin de Lô, liet zelden een

gelegenheid voorbijgaan zonder in zijn tegenwoordigheid op te sommen,

wat zij "de vooruitzichten" van haar drie zonen noemde. Zij had

verscheiden zeer oude bloedverwanten, van welke haar zoons natuurlijk

de erfgenamen werden. De jongste van de drie moest van een oudtante

honderd duizend francs rente erven; de tweede zou van een oom den

hertogstitel bekomen; de oudste moest zijn grootvader in het pairschap

opvolgen. De bisschop hoorde meestal zwijgend, deze onschuldige en

verschoonbare moederlijke uitweidingen aan. Eens echter scheen hij

ernstiger dan gewoonlijk, toen mevrouw de Lô wederom in 't breede van

al die erfenissen en van al die "vooruitzichten" sprak. Met eenig

ongeduld vroeg zij hem: "Maar, neef, waaraan denkt ge toch?"--"Ik

denk aan iets zonderlings," zei de bisschop, "'t geen, geloof ik,

in St. Augustinus staat, n.l.: "Stel uw hoop op hem, van wien ge

niet erft."

Een anderen keer ontving hij een brief, het overlijden meldende van

een edelman uit het gewest, waarin met weidsche praal, behalve de

waardigheden van den overledene, al de leenheerlijke en adellijke

titels van zijn geheele familie waren opgenoemd. "Welk een breeden

rug heeft toch de dood," riep hij. "Welk een verbazenden last van

titels geeft men hem te dragen en hoeveel geest moeten de menschen

hebben om aldus het graf aan de ijdelheid dienstbaar te maken!"

Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die

meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan

te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn

preek had de liefdadigheid tot onderwerp. De rijken vermaande hij,

om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke

hij zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven,

dien hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor

bevond zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken,

en een kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met

het fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee

millioen overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes

aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte

men op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters

in het kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme

vrouwen toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en

zeide glimlachend tot zijn zuster: "Zie! mijnheer Géborand koopt voor

een stuiver den hemel."

Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen

weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken

brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen;

er bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek,

die tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke

zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij

hem op den arm en zei: "Mijnheer de markies, ge moet mij iets geven."

De markies keerde zich om, en antwoordde droog: "Monseigneur, ik heb

mijn armen."

"Geef ze mij," hernam de bisschop.

Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek:

"Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn één millioen

driehonderd twintig duizend boerenhuizen met slechts drie openingen;

één millioen achthonderd zeventien duizend met slechts twee: de deur

en het venster; en eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten

met slechts één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting

op deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen,

kleine kinderen, die daarin verblijf houden, en 't is geen wonder

dat er koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God geeft den

menschen lucht, maar de wet verkoopt ze hun. Ik beschuldig de wet

niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van Var,

in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, den

mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar branden

houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is het in

geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half jaar en stoken

den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij dat brood met

de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig uren in water weeken om

het te kunnen eten.--Broeders, hebt mededoogen! Ziet hoe men rondom

u lijdt!"

In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en sprak

die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt en

er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij was

in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste

zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen

sprak, vond hij den weg tot aller harten.

Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe.

Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in

aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan

is, placht hij te zeggen.

Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een voormalig

zondaar was, verschanste hij zich niet achter een harde strengheid,

en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het wenkbrauwfronsen der

zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men vrijwel in de volgende

woorden kan samenvatten:

"De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een

verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe.

"Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in den

uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij

nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. 't Is een val,

maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan.

"'t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar 't is een

regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, maar weest

rechtschapen.

"'t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te zondigen. Volstrekt

niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het aardsche is aan

de zonde onderworpen. De zonde is een wet der zwaartekracht."

Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd worden,

dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te wezen,

die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich haast,

om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen.

Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der

maatschappij zoo zwaar drukt.--De zonden der vrouwen, der kinderen,

der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden zijn de

zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der overheden,

der rijken en der geleerden, sprak hij.

Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de maatschappij

bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de duisternis

welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een donkere

ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de

eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt.

Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op

nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het

evangelie had ontleend.

Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een

crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle

pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een

vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De

valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw

was aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk,

dat de man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen

bewijzen tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door

haar bekentenis in 't verderf storten. Zij deed het niet. Men drong

bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings

op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw

was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de

ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de

man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde

haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou

eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde

dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door

de jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te

voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De

bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was,

vroeg hij:

"Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden?

"Voor het Hof van Assises."

"En waar," vervolgde hij, "zal mijnheer de procureur des konings

worden gevonnist?"

Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens

moord ter dood veroordeeld. 't Was een ongelukkige, die wel niet

geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als

goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel

belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den veroordeelde,

werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke moest den

armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging naar

den pastoor. 't Schijnt dat deze weigerde, zeggende: "'t Gaat mij

niet aan; ik heb met dit werk en dezen koorddanser niets te maken;

ik ben ook ziek; bovendien,'t is mijn ambt niet."--Men bracht den

bisschop dit antwoord, en deze zeide: "De heer pastoor heeft gelijk,

't is zijn ambt niet, maar het mijne."

Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel

van den "koorddanser" brengen, noemde hem bij zijn naam, drukte

hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij hem

door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van den

veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij hield

hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. Hij

was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen

om hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man

zou in wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond,

aan welks rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet

onwetend genoeg om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling,

een geweldige schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel

gescheurd, dat ons van de verborgenheid der dingen scheidt, en 't welk

wij het leven noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren

en zag niets dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien.

Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop bij

hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen mantel

en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den geboeiden

veroordeelde, voor de oogen des volks.

Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme

zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had

nu een kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had

gevonden, en hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen

de bijl zou vallen, zeide hij: "Hem, dien de mensch doodt, zal God

weder doen opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader

aan. Bid, geloof en ga het leven in! De vader wacht u!" Toen hij

het schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter

zijde ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid,

òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, welke

hij glimlachend "zijn paleis" noemde, zeide hij tot zijn zuster:

Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan.

Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren er

personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop "gemaaktheid"

noemden. Dit werd echter slechts in hoogere kringen gezegd. Het

volk, dat edele handelingen van geen kwaad verdenkt, was getroffen

en vol bewondering.

Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok

gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde.

Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u oprijst, heeft

het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf eenigszins

onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch neen zeggen,

zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er voor staat

is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of tegen

kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen vervloeken,

gelijk Beccaria. De guillotine is de verlichamelijking der wet; zij

noemt zich gerechtigheid; zij is niet onzijdig en veroorlooft anderen

niet, onzijdig te blijven. Die haar ziet, voelt een geheimzinnige

huivering. Alle maatschappelijke kwestiën plaatsen om de valbijl haar

vraagteekens. Het schavot is een visioen. Het schavot is geen stellage,

geen machine, geen gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het

gelijkt een soort van wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is

alsof deze stellage ziet; deze machine hoort; dit werktuig begrijpt;

dit hout, dit ijzer, dit touw een wil hebben. In de afgrijselijke

gedachten, welke 't gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt

het vreeselijk, doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot

is de medeplichtige van den beul; het verslindt; het eet vleesch en

drinkt bloed. Het schavot is een soort van gedrocht door den rechter

en den timmerman vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het

gegeven heeft, een verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te

hebben geput.

Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen

den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer

ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor

het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke

gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke

zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich

nu iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde

binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen:

"Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. 't Is verkeerd, zich in

de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet

vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de

menschen aan dit onbekende?"

Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk geheel

uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan vermeed,

over de gerechtsplaats te gaan.

Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en

stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar zijn duurste

plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of

kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging

er uit eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man

zitten die zijn geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die

haar kind beweende. Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen,

kende hij ook het oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij

troosten! Hij trachtte niet de smart door vergetelheid te lenigen,

maar ze door de hoop grooter en waardiger te maken. Hij zeide: "Let

wel, op welke wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan 't geen

verteert. Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van

uw geliefden overledene in den hemel erkennen." Den wanhopige poogde

hij tot kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den

onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt,

te veranderen in een smart die naar een ster opziet.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 13 / 177 题