"Dit beeld doet u glimlachen, niet waar?" zeide de bestierder, die nu
met de flesch wijn in de zaal trad.
"Glimlachen?" antwoordde ik zeer ernstig. "O, neen, mij schijnt het,
dat onder dit gebrekkig kinderwerk de geheimenissen van een gansch
leven liggen verborgen."
"Zóó is het inderdaad. Toen ik nog een kleine jongen was, heb ik
gepoogd de beeltenissen te schetsen van twee kinderen, tusschen wier
eenvoudige harten het onderwijs eene diepe en duurzame neiging had
doen ontstaan. Nu zijn ze verbonden door het huwelijk, en hunne
schoonste, hunne dierbaarste herinnering is nog dit gebrekkig
beeldeken."
"Welk schoon verhaal zou daarvan kunnen gemaakt worden!" riep ik,
terwijl ik een glas wijn aanvaardde. "De titel ware gevonden: _Bavo en
Lieveken_! Och, ik bid u, mijnheer, vertel mij uwe geschiedenis."
"Maar ik verlang niet, dat mijn leven worde openbaar gemaakt."
"Men kan het beschrijven met veranderingen, met vooronderstelde namen,
op zulke wijze, dat men de personen niet duidelijk herkenne."
Mijne gedachte scheen den bestierder te verschrikken; hij weerstond
zeer lang mijn aandringen; doch ten laatste meende ik de overwinning
nabij te zijn.
Ik deed eene laatste poging, door hem voor oogen te stellen, dat de
geschiedenis zijns levens, indien ik mij in mijn vooruitzicht niet
misgreep, een machtig voorbeeld zou kunnen zijn, een spoorslag om den
werklieden al het nut van het onderwijs voor hunne kinderen te doen
beseffen, en misschien om andere edelmoedige menschen, eigenaars van
fabrieken, over te halen tot het oprichten van scholen in hunne
gestichten. Door zulk verhaal te schrijven, kon ik eenigszins
medewerken tot het bereiken van het edel doel, dat hij en zijne vrouw
zich voorstelden. Daarenboven, ik zou het derwijze schikken, dat men
niet zou kunnen ontdekken, of ik ware of ingebeelde personen in mijn
boek had beschreven en doen handelen.
"Het is eene ernstige zaak," zeide de bestierder. "Ik wil er eerst met
mijne vrouw over spreken. Er is slechts één middel, en dit is, dat gij
het avondmaal met ons neemt. Weiger mij niet: anders zult gij zeker
onze geschiedenis niet kennen."
Ik liet mij gezeggen. Dien avond bracht ik door tusschen Bavo en
Lieveken. Over mij zaten de oude Damhout, Christina, zijne vrouw, en
moeder Wildenslag; aan de andere zijden der tafel hielden zich vier
allerschoonste kinderen, twee meisjes en twee jongskens.
Ik verliet het huis met het hoofd vol zoete droomen, het hart vol
woorden van vriendschap, van geluk en van liefde, en het geheugen vol
van de eenvoudige, doch roerende geschiedenis, die ik in dit boek u
heb verteld.