Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds
bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts
vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en
hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van
groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen
traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als
nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime
verschriktheid.
Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl
de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo
te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend
alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel
mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren
van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en
genaaid, was sneeuwwit.
Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te
mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke
wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.
Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen,
alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en
verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank.
Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid
harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens,
dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding
hebben genoten.
Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren
stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude
gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op
weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?
Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde
bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met
bedwongene stem:
"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"
"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het
meisje.
"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen
verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons
geworden?"
"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was
het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig
blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige
genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."
"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had
gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke
poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende
dwingeland."
"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen
toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.
"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij
hun de middelen schonk om ons te helpen."
"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het
kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst
droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe
tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene
bedelaresse!"
"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen,
ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."
Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door
eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had,
zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.
De vrouw weerhield haar en zeide:
"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder
is de Kruisstraat."
"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte
vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot
... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."
"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch
donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad;
maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het
Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of
tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo
dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."
Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij
begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de
stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was,
hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps
zeide de vrouw:
"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk
prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het
ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds
licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan
de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid
voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."
"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige
sterkte," murmelde de bange maagd.
Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de
vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond.
Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht
haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de
heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze,
dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.
Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen
te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.
Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te
klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg,
leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant
der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw,
terwijl zij uitriep:
"Moeder, moeder, hij is daar!"
"Wie?"
"Bavo!"
"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid
voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."
"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die
vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne
tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou
bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."
"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"
"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief!
Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit
te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."
"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen,
omdat gij niet met mij zijt?"
"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle
schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot
hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen,
kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig
hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal
mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken,
om de schande af te koopen en onze eer te redden."
"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het
beproeven."
Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:
"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne
tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem
niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf
in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In
zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige
opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed,
waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de
akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig
wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"
En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in
de richting der Sint-Baafskerk.
De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en
mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:
"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik
begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij
toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar
leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te
keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande,
redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"
Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij
verlangde M. Damhout te spreken.
De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte
kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en
bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor
eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.
Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing
deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:
"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel
aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet
verzekeren."
"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.
"M. Damhout? Die ben ikzelf."
"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."
"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde
der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den
voormiddag weder."
"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg
moet vertrekken!"
"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij
met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.
"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de
lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."
"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan
... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"
"Ziek en ongelukkig, mijnheer."
De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen
en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een
nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest
en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en
hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.
"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet
toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.
"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij
verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft
ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende
hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die
zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep
ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer
goede moeder durven hopen."
"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.
"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing
uit de eeuwige oneer!"
"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe
zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"
"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in
Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben
kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de
jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer,
dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het
magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren
weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich
daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.
De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen
en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en
hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O,
mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een
zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch
leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan
aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen;
hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de
armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene
rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op
de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne....
O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste
voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en
vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór
morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u
is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne
tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks
verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met
dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"
Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend
tot den jongeling op.
Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij
ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:
"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken
kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op
den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ...
maar uwe dochters?"
"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.
"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"
"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."
"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen
angst in de oogen.
Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw,
die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.
"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht,
"maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen,
ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde
mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw,
gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het
geluk ongelukkig gemaakt."
"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"
"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer
Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel
kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid
medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke
verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw
goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek
gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem
prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."
"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag
sidderende.
Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en
hernam:
"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam
mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij
gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits
men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in
de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen
ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij
gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en
er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat
zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind
verkocht voor wat geld?"
"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het
eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun
in het ongeluk!"
"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar
overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar
hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet
vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en
moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten
opzichte van uw kind."
Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van
den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de
vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en
bevende lippen, deinsde terug en riep:
"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons,
de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin
onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind
hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er
onder; mijn moed breekt...."
Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.
"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare
uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet
gegrond?"
"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare
tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij
Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren
schelden?"
"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp
in de hand heeft zien slaan."
"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was
hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste,
op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van
hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft
verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver
als toen gij haar leerdet lezen."
"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel
aangegrepen. "En zij is getrouwd?"
"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder
eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."
"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek
u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange
jaren?"
"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het
hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te
verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult
vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort
een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en
vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve
op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon
gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon
het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang
eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen,
begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen
onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."
"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"
"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve
heeft er op geantwoord."
"Wij schreven er nog drie andere."
"Daarvan weet ik niets, mijnheer."
"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien
achtergehouden of vernietigd?"
"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve
beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre
boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van
Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve
zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."
"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te
hebben?"
De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:
"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve
aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel
verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."
"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.
"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag.
"Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven
dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den
toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen
naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde
er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te
hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij
had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters,
omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een
voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene
dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als
leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar
bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan
wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij
natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel
tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij
naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van
mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het
rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven,
gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud
bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene
kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed
vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons
in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert
als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze
verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve,
aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde
de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor
Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige
zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar,
door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme
gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en
ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve
hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar
huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen
ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen
in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering
onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige
leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het
gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en
wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien
had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou
leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om
terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het
hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij
het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was
niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem
toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen
zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze
meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te
reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland.
Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen.
Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij
onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken;
maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij
niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons
hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige
uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze
weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van
daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten
er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene
oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot
den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u,
mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind
bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons
bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel,
geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor
ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag
van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den
dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde,
dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare
oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone
kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan
voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen
worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te
krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er
niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van
onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord,
dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne
fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te
laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer,
eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het
bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van
genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel.
Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om
moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen,
wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft.
Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn
arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen
van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet
anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om
zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En,
mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was
verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling.
Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij
nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering
zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van
Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven,
met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot
vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."
Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.
De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord;
de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden
en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter
had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen;
sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.
Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:
"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo
wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe
woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om
uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare
geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders
over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet
meer bezoeken."
"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe
eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart
uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"
Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld
uit.
"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den
prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet
meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe
eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen
overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe
Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen?
Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed
heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het
geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van
eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja,
vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de
vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed
mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze
gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene
onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te
weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst
en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."
Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de
handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:
"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet
niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons
vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u
zegenen voor uwe milde weldaad...."
"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan
Godelieve?"
"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de
Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."
"En waarom kwam zij niet met u?"
"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."
"Vervaard? Van mij?"
"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben
wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten
verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."
"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis.
"Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers
van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik
eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te
troosten en haar moed te geven!"
"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij
u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij
zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen
begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."
Bazin Wildenslag ging ter deur uit.
Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op
een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling
zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die
tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen
hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben
gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten
spotlach tot zich zelven:
"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene
onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te
beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader
heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede
ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer
eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat
Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft
gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en
tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk
van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."
Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl
beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:
"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te
besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd
overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er
tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan,
moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied
op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij!
Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het
zóó, dat ik haar moest wederzien?"
Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.
Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en
dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen
hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden
der kamer.
Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap
gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar
hij wederhield zich zelven en zeide:
"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees
niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe
ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen,
en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van
eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij
bedekken."
Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen
plechtigen nadruk:
"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog
voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen
verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de
ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den
naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat
uwer grootmoedigheid."
Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik;
hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun
noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol
dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd,
waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij
was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat
geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne
dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve
gebood het hem.
Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op
eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:
"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene
groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die
herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht
opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar
staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."
Godelieve hief de handen smeekend op.
"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje!
Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek,
mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit
huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan
nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen
uitdrukken...."
"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O,
neen, ik bid u, nog een oogenblik!"
Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het
meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat
de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij
elken zijner blikken gesidderd.
"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan
onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.
"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de
dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."
"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns
levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren,
ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."
Er heerschte eene korte stilte.
"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene
geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene
gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"
Hij bekwam geen antwoord.
"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij,
"onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene
maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."
"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord
laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het
bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer,
dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor
Godelieve gewoon is te bidden."
"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.
"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk
van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde
bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter
doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond
nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"
Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:
"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij
zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen
eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken;
mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend
zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te
zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne
zinnen zijn verward...."
Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig
geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde
en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.
Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen
glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik,
zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo
haar met ontzag aanschouwde.
[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]
"Ik smeek u, mijnheer, heb toch medelijden met mij!" zeide zij.
"Vergeten wat gij voor mij als kind hebt gedaan, vergeten wie ons nu
uit den afgrond der smart zoo grootmoedig opheft,--de dood zelf kan
mij daartoe niet bekwaam maken; want in Gods schoot zelven zal
mijne ziel zich nog uwer goedheid herinneren. Maar zoek geene plaats
voor mij te Gent. Na den dag van morgen zal ik den grond mijner
geboortestad niet meer betreden. Ik ken de edelheid uws harten; gij
begrijpt mij, ik ben er zeker van."
"Maar neen, ik begrijp u niet!" morde Bavo.
"Gij begrijpt den onverbiddelijken plicht niet, mijnheer, die mij
dwingt in Frankrijk een bestaan te zoeken?" hervatte Godelieve. "Ach,
bestonden er tusschen u en mij geene diepe, geene onverdelgbare
herinneringen, ik zou uit erkentenis de dienstmeid uwer moeder, en,
ware het mogelijk, uwe slavin willen worden. Nu mag geen andere band
tusschen ons bestaan dan de weldaad van den eenen kant en de eeuwige
dankbaarheid van den anderen. Ik heb veel geleden, zonder dat mijn
moed er onder is gebroken. Moest ik een oogenblik uwe achting derven,
mijnheer, ik stierve eenen pijnlijken dood. Ja, ja, Bavo, de ziel der
arme Godelieve heeft honger naar uwen eerbied, en zij zal dien
behouden met hare dankbaarheid tot aan het graf. Vaarwel, mijnheer,
tot morgen!"
En opstaande greep zij den arm harer moeder en trok haar naar de deur.
De jongeling stak de handen uit, als om haar te wederhouden; maar de
plechtige woorden der maagd hadden hem zoo geweldig tot het gevoel der
wezenlijkheid en tot het besef des plichts teruggeroepen, dat hij als
aan den vloer bleef genageld, totdat hij de voordeur hoorde sluiten.
Dan hief hij, stom en met verbaasden blik, de armen in de hoogte,
allerlei onduidelijke woorden in zich zelven murmelende. Zijne zinnen
waren ontsteld en zijne gedachten verward.
Eindelijk, na een oogenblik rust, zeide hij in zich zelven:
"Wat is zij schoon, wat is zij schoon! Onder die slechte kleederen
scheen zij mij fier en indrukwekkend als eene koningin. Hoe heeft zij
de zuiverheid, de fijnheid des harten kunnen behouden in zulke wereld,
tusschen grove, onwetende menschen, dwars door nood, honger en
ellende? Ha! het onderwijs! Ik ben het, die deze ziel het licht en de
sterkte heb gegeven om aan de verleiding, aan de zedelijke verlaging
te wederstaan; mijne moeder is het, die haar de liefde tot deugd en
plichtsbetrachting heeft ingeboezemd. Roos onder de doornen, lelie
bloeiend op een mesthoop! En de lelie is zuiver gebleven, en de roos
heeft hare geuren uitgewasemd als eenen balsem over het lijden
dergenen, die haar omringden! Edel moet zij zijn boven de edelsten, om
onder zulke beproeving niet te zijn bezweken. Dank, dank, o, mijn God,
dat Gij de kiemen, door een ander kind in haren geest en in haar hart
gestort, niet onvruchtbaar liet zijn!"
Hij wreef zich het voorhoofd en stapte in de kamer rond, als wilde hij
zijne stormende gepeinzen ontvluchten. Eensklaps staan blijvende, riep
hij uit:
"Onmogelijk, onmogelijk! De wereld, mijne ouders ... hare broeders,
hare zusters ... het eenige geluk, dat mij op aarde moet geweigerd
blijven!... Maar heeft zij daar schuld aan? Zij zal verre van hare
geboortestad gaan dwalen, verdriet hebben, gaan kwijnen misschien? Ja,
ja, ik bedrieg mij niet: hare schuchterheid, hare schaamte, hare
verschrikte kuischheid, hare laatste woorden.... Zij ook heeft
getreurd, zij ook heeft eenen wreeden knagenden worm in het hart
gedragen!"
Hij stortte neder op eenen stoel, sloeg zich de handen voor de oogen
en morde met wanhoop:
"Eilaas, eilaas, het kan niet zijn! Zij heeft gelijk; ik mag haar niet
meer zien na den dag van morgen. Ik insgelijks wil het aandenken
mijner kindsheid eerbiedigen en het zuiver bewaren tot aan het graf.
Zij heeft het gezegd; er is voortaan geen andere band tusschen ons
mogelijk dan de herinnering aan het verledene, de weldaad en de
dankbaarheid!"
Na een oogenblik stilte sprong hij weder recht.
"Ik zou haar verliezen voor altijd?" kreet hij. "Die edele ziel, dat
beminnend harte zou gaan verkwijnen in vreemde streken?... Er is een
andere band, een heilige band, een eeuwige band; er is een
geneesmiddel voor haar verdriet en voor mijne treurnis.... Ho, ik kan
het niet meer uitstaan; ik moet mijne moeder, mijnen vader, mijnen
meester spreken! Veroordeele mij de gansche wereld, het geluk mijns
levens staat op dien prijs! Aan mij, aan mij de vriendin mijner
kindsheid! aan mij het zuivere, zoete Lieveken!"
En onder het uitspreken dezer woorden liep hij als een dwaze ter deur
uit.