IX

Bavo belde ten huize van M. Raemdonck; de meid leidde hem in het

bureel. Hier kwam een reeds bejaarde man, de meester-klerk

ongetwijfeld, hem te gemoet met eenen vriendelijken glimlach op het

aangezicht, greep hem de hand en zeide:

"Ik wensch u geluk, mijn jongen; men heeft u eene welverdiende eer

bewezen; ik was er tegenwoordig en heb mij diep ontroerd gevoeld. Het

zal u geluk bijbrengen dat gij uwe ouders zoo bemint en dankbaar

zijt."

Bavo murmelde den naam van M. Raemdonck.

"Ja, ik weet het," zeide de meester-klerk, "mijnheer heeft u doen

komen, maar hij is met eenen koopman in de fabriek gegaan en heeft

gezegd, dat gij hier een beetje zoudt wachten. Zit neder, mijn vriend.

M. Raemdonck zou u goed willen doen, indien het mogelijk is. Hij zou

gaarne weten wat gij kent en tot hoeverre gij geleerd zijt, en hij

heeft mij gelast u op de proef te stellen, indien gij hierin

toestemt."

"Ik ben hem wel dankbaar en zal alles doen wat u belieft, mijnheer,"

antwoordde de jongen.

"Welnu, zet u daar voor den lessenaar; ziehier de kopie van eenen

brief. Schrijf dien eens in het net, op uw best en zonder feilen.

Wees niet bevreesd. Daar hebt gij een model voor den vorm des briefs.

Begin maar; ik zal intusschen mijn eigen werk voortzetten."

Er heerschte eene volledige stilte in het bureel, totdat Bavo, door

het hoofd op te heffen en zich om te keeren, teeken gaf, dat de brief

was afgeschreven.

De meester-klerk naderde, hield de oogen eene wijl op het papier

gevestigd en zeide dan met verwondering:

"Ho, jongen, wat schoon geschrift, wat vaste hand ... en geene feilen!

Bravo, dit had ik niet verwacht; het zal M. Raemdonck verblijden, want

hij draagt u eene ware genegenheid toe, omdat gij de zoon zijt van

eenen onzer oudste en beste werklieden. Kunt gij ook goed rekenen?"

"Daarin was ik de sterkste van de geheele school, mijnheer, ten minste

volgens mijne meesters."

"Welnu, ziehier eene kolom cijfers; tel ze eerst op; vermenigvuldig

dan de uitkomst met 365 en deel het geheel met 514."

In eenige minuten had Bavo de rekening gemaakt, en de meester-klerk

bevond met innige tevredenheid, dat hij niet had gemist.

"Blijf nu een oogenblikje hier wachten, mijn vriend," zeide hij; "ik

ga M. Raemdonck van uwe komst verwittigen."

Hij liet Bavo alleen in het bureel, opende eene deur en trad ten einde

van eenen gang in eene zaal, waar de eigenaar der fabriek voor eene

tafel zat en bezig was met eenige papieren te doorbladeren.

"Welnu, Pasmans, hoe staat het met de geleerdheid van den jongen?"

vroeg hij. "Zoudt gij hem kunnen benuttigen?"

"Het is een wonder, mijnheer," antwoordde de meester-klerk; "de jongen

is nauwelijks vijftien jaar, en hij heeft een geschrift zoo vast en

zoo fraai als van eenen ouden klerk; hij kan goed rekenen, heeft een

fijn begrip en is bekwaam tot alles, ten minste voor hetgeen onder

mijn toezicht op het bureel kan te doen zijn."

"Gij wilt toch niet zeggen, dat hij den klerk, dien gij eergisteren

wegzondt, zou kunnen vervangen?"

"Neen, mijnheer, ik durf het niet zeggen, alhoewel ik overtuigd ben,

dat ik uit dezen leerling der gemeenteschool meer nut zal trekken;

maar hij is te jong, en men mag hem in den beginne niet door eene al

te hooge jaarwedde bederven."

"Inderdaad, de andere klerk had duizend franken. Wat zou men den zoon

van Damhout kunnen geven? Gij weet dat ik zijne ouders wil beloonen?"

"Het derde gedeelte, mijnheer; driehonderd franken, bij voorbeeld. Het

ware genoeg om te beginnen. Ik zal den jongen helpen en leeren. Indien

hij vlijtig en getrouw blijft, kunnen wij zijn loon opvolgend

verhoogen."

"Het is wel, Pasmans, ik bedank u om uwe goedwilligheid. Zend mij den

jongen, maar zeg hem niets."

Eenige oogenblikken daarna trad Bavo in de zaal en bleef met de klak

in de hand voor M. Raemdonck staan.

Deze beschouwde hem eene wijl, met het hoofd knikkende, als schepte

hij behagen in de regelmatige wezenstrekken en in de nederige, doch

tevens moedige houding van den jongen.

"Het is een schoone dag voor u geweest, mijn vriend," zeide hij. "Gij

hebt vele beschermers aangewonnen, en indien gij vlijtig en verstandig

blijft, zult gij waarschijnlijk uwen weg in de wereld maken; maar wat

u ook gebeure, vergeet nooit, dat uwe ouders, arme fabriekwerkers,

zich hebben opgeofferd om u te laten leeren."

"Ik zal het niet vergeten, mijnheer," antwoordde Bavo zeer stil, maar

op eenen ontroerden toon en met eenen glim van wilskracht, waarvan de

innigheid den eigenaar der fabriek met verrassing sloeg.

"Ha, dit is wel," zeide hij, "dat gij goed doordrongen zijt van alles,

wat uwe arme ouders voor u hebben gedaan; uw vader bovenal, niet

waar?"

"Ja, mijnheer, mijn vader heeft voor mij gewerkt, mijn vader is voor

mij doodelijk ziek geworden; mijne moeder heeft nachten zonder slapen

doorgebracht om mij naar de school te laten gaan."

"En gij zult ze liefhebben en, is het u mogelijk, ze beloonen in

hunnen ouden dag?"

"Ja, mijnheer, zoolang ik leef."

"Gij zijt nu op de fabriek van M. Verbeeck, en gij zult de naaste week

eerst aan den _duivel_ staan als helper. Het is een goed middel om tot

iets te geraken; maar dit gaat wel langzaam, mijn jongen. Met uwe

geleerdheid kan men misschien eenen korteren weg vinden."

"Ik zal meesterknecht worden, mijnheer!" antwoordde Bavo met

bedwongene kracht.

"En dan?" morde M. Raemdonck.

"Dan, mijnheer, dan zal mijn vader niet meer werken, en mijne moeder

ook niet."

"Gij zijt een brave jongen," sprak M. Raemdonck getroffen. "Wat wint

gij nu? Vier of vijf franken in de week, niet waar? Dit is niet

genoeg. Ik wil u helpen het edele doel bereiken, dat gij uw dankbaar

hart aanwijst, door u eene loopbaan te openen, waarin men, met uwe

geleerdheid en uwen goeden wil, veel spoediger kan vooruitgaan. Ik was

voornemens u een boek te geven; maar al de boeken mijner bibliotheek

zullen tot uwe beschikking staan. Een ander geschenk ga ik u doen.

Wilt gij klerk worden op mijn bureel?--Blijft gij bij uwe goede

gedachten en vlijtig, dan zal ik u voorthelpen met liefde, als waart

gij mijn eigen zoon."

"O, mijnheer, zooveel goedheid!" kreet Bavo, de handen dankend

opheffende. "Hoe blijde zal mijne moeder zijn!"

"Gij aanvaardt dus de plaats?"

"Ik kan schier niet spreken, mijnheer. Ach ja, ja, ik zal zoo mijn

best doen!"

"Maar gij vraagt niet wat gij zult winnen. Indien gij u nuttig maakt

en u vlijtig toont, zal ik uwe jaarwedde al spoedig verhoogen; het

hangt van u af.

Voor alsnu en om te beginnen, zult gij ... zult gij vierhonderd

franken trekken; het is ten minste tweemaal zooveel als uw

tegenwoordig loon."

Bavo borst in tranen los en scheen in zijne ontroering te stikken; hij

stamelde verwarde woorden, zegende zijnen weldoener en sprak van zijne

moeder en van zijnen vader, doch was te zeer ontsteld om een

verstaanbaar woord te uiten.

[Illustratie: Eenen Godspenning wil ik u geven.]

M. Raemdonck opende eene lade van zijnen schrijflessenaar, nam er

iets uit, naderde tot den duizeligen jongen en zeide hem:

"Kom morgen op het groot bureel; de oude meester-klerk is een braaf

man en een edelmoedig hart; hij zal u vriendelijk zijn en u

voorthelpen. Eenen Godspenning wil ik u geven; het zal mijn geschenk

zijn. Daar, neem dit, draag het uwen vader met de goede tijding, en

poog mijner bescherming waardig te blijven; dan zult gij uw eigen

geluk en het geluk uwer goede ouders verzekeren. Vaarwel, mijn jongen,

tot morgen dus."

Het hoofd van Bavo draaide, het was hem duister voor de oogen; hij

bevond zich in de straat zonder het te weten. Vierhonderd franken ging

hij winnen! Welke rijkdom, en hoe zou zijne moeder verbaasd staan en

gelukkig zijn bij dit wonderschoon nieuws! Hij kon het niet gelooven;

hij droomde misschien? Neen, neen, het was waar. Klerk zou hij worden

en vierhonderd franken winnen!

Dan eerst voelde hij iets in zijne hand en opende ze. Daar blonken hem

twee goudstukken van twintig franken in de oogen!

Een luide schreeuw ontvloog hem, en, zonder op de voorbijgangers te

letten, die hem verwonderd nakeken, sprong hij, met de hand in de

hoogte, juichend vooruit en liep uit al zijne kracht, totdat hij zijne

woning bereikte.

"Moeder, vader!" riep hij, "ik word klerk in het groot bureel van M.

Raemdonck; ik win vierhonderd franken; ik zal spoedig meer winnen:

daar, daar is mijn Godspenning! Vader, vader, wij zullen rijk zijn;

gij zult leven zonder werken, gij hebt genoeg gedaan voor mij. Moeder

zal des nachts niet meer moeten naaien; zij zal eene meid hebben. Nu

nog niet, maar het zal komen, ja, ja, mettertijd, of ik zal er onder

bezwijken."

En van ontsteltenis afgemat, liet de opgewonden jongen zich lachend en

juichend op eenen stoel vallen.

De ouders bestaarden met verwondering de twee goudstukken, welke hun

zoon op de tafel had geworpen; zij insgelijks schenen buiten zich

zelven van verbaasdheid.

Damhout sloeg eensklaps de armen om den hals zijner vrouw, drukte haar

op zijn hart en stamelde met tranen in de oogen:

"O, Christina lief, dat God u zegene! Aan u, aan u alleen zijn wij al

dit geluk verschuldigd. Gij zijt meer dan eene moeder voor uwe

kinderen, meer dan eene vrouw voor mij; gij zijt onze goede

engelbewaarder op aarde!"

Bavo stond eensklaps recht en kreet, terwijl hij naar de deur liep:

"O, Lieveken! Lieveken!"

Met eenen angstigen gil sprong zijne moeder hem achterna.

"Hemel, mijn arme zoon, wat geschiedt u?" gilde zij.

Maar Bavo wierp zich in hare armen en zeide met het schaamrood op de

wangen:

"Het is niets moeder lief; ik droom, de blijdschap maakt mij

zinneloos!"

X

Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde

en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was

verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des

avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat

zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en

sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij

zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.

Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje

rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige

vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne

moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje

zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost

zijn in haar verdriet.

Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief

besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte

hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en

wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest

alles, alles weten, even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware

geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die

hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem

bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij

moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar

Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er

was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne

blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat

zij Lieveken niet meer zagen.

De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met

koortsig verlangen op het antwoord.

Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag

en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote

haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:

"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"

"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen

zucht.

Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des

avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne

moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van

Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had

men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste

was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit

opschrift had gegeven.

Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve

gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem.

Zoolang hij op zijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en

worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde,

en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem

onophoudend bestormden.

Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier

vaderlijke minzaamheid:

"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij

zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert

eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij

doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer

tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne

plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn;

anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."

De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze

vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees,

dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en

misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven,

Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen.

Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek?

Was zij dood misschien?--want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe

herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.

Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem

eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre

zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de

hand, dat zij hem scheen te toonen.

De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:

"Een brief van Lieveken?"

"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."

"En wat staat er in, moeder?"

"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."

"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve.

Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:

"Goede madam Damhout."

"Zie, waarom noemt zij mij nu _madam_?" kreet de verwonderde

Christina.

"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men

iedere vrouw _madam_; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid

u:

"Goede madam Damhout,

"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen

antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in

zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde

vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M.

Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die

gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons

zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moeder en ik van blijdschap

hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben

gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk

zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer

zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal

wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar

het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en

een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor

mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken

in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor

mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo

baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen

afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen

mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat

beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in

een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier

vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal

verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was

ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij

zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme

Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of

kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij

uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel;

maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij

nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme

zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede

moeder naar de school heeft geleid.

"Uwe ootmoedige dienstmeid,

"GODELIEVE WILDENSLAG."

Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout

had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te

doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was

er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij

verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was

immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat

Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.

Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem

verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te

midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij

drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige

aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de

zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het

grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel

van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het

medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde

malen met diepen weemoed:

"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"

Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in

zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten

niet zoo vrij uitstorten.

Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van

Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te

schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou

daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder

steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te

manen.

Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje

beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te

spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de

betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete

vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende

overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op

de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen,

werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.

Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam

geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden,

maar even vruchteloos.

Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven

vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de

bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op

zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het

fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen

besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te

breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve

veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar

uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare

vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch

niet!

Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem

eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te

verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het

schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige

verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en

overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak,

zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.

Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen

... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne

moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene

geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te

beheerschen en te overwinnen?

Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne

moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den

naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette

echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige

vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne

moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer

snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.

Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk

kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden

waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens

zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij

waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad.

Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in

vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij

zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in

Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de

Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.

Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne

plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van

M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds

tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en

zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er

zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in

eene betere en min donkere straat te gaan wonen.

Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd

deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met

smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had

gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en

herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en

hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de

herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?

Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een

weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men

had reeds begonnen de meubelen over te dragen.

Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo

zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De

jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms

rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls

de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.

Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:

"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe

Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"

En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:

"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder

u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij,

want gij zijt een brave vent."

"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het

geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij

gebleven?"

"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."

"Uit Frankrijk?"

"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."

"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.

"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.

"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet

waar?" vroeg vrouw Damhout.

"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd

gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van

daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen

gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week

na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken.

De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in

het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet

juist."

"En de Wildenslags varen altijd wel?"

"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er

zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij

moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve

weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn

daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."

Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende

dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen,

vroeg moeder Damhout:

"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve

Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?

"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe

oogen?"

"Ja."

"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel

gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de

Wildenslags zijn grove menschen."

"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"

"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor

hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale

kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen

ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als

razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den

kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te

vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De

leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd,

alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en

mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal

spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust

om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."

"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt

gij het waarlijk gezien?"

"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve

geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en

gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."

De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste

stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige

verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in

zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.

Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem

te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en

zeide met kracht:

"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar

vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te

denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich

zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is

geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd

en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit

alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar

aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de

werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik

wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten.

Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij

zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik

niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de

straat...."

Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder

bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis

in de stem:

"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik

aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik

genezen, genezen voor altijd!"

En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder

teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.

Bavo en Lieveken · 第 11 / 16 题