IV

Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen

leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder

uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in

de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls

vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd

en zij om verpoozing smeekte.

Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken

deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren

aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene

bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te

leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden,

naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet

meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden

met haar kunnen spelen.

Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens

zijne meening,--die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende

werklieden--zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders

geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene

domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij

zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde,

verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieën zat, en

door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te

groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een

huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het

graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.

Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan;

maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes

leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen

verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen.

Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken

evenals de anderen, en de luiheid, de _juffrouwerij_, zooals hij het

noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.

Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht

gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel

overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak

en kwijnend was.

Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken

scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in

sterkte toegenomen.

Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd

bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren,

naar het speldenwerkhuis zou gaan.

Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben,

want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar

de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij

haar zeide:

"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij

kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het

liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die

u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk

aan werken alleen."

Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen

hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit

gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als

dwalend naar de woning van bazin Damhout.

Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan

Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag

en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.

De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje

de hand en vroeg:

"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"

Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.

"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn,"

zeide moeder Damhout.

"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.

"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van

ongeloof en tevens van opstand.

"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan

reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te

vergeten!"

"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.

"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde

het droeve Lieveken.

"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.

"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik

mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God,

wat ben ik ongelukkig!"

Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen

hare vingeren.--Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de

tafel vallen en begon insgelijks te weenen.

Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te

troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven,

beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en

zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou

kunnen verbidden.

Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:

"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar

het kantwerkhuis te doen?"

"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."

"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"

"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil

wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik

kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel

verdriet."

"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer.

Misschien kom ik terug met goed nieuws."

Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van

Wildenslag.

"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder

van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik

heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij

gaan een lekker kopje te zamen drinken....

En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders

zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn

alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."

"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde

vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij

besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"

"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis

gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt

niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen

aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in

het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert

het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"

"Het bedroeft mij."

"Waarom toch?"

"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart

hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet

misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een

paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar

eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede

peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij

naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis

zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten

avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een

oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met

gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de

kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen

krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam

de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in

het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er

begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen

hebben!"

"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is

zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"

"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn

sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het

kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was

als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken

en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben

moeder...."

"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.

"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen

aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet

gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt

ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel

niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind

gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft

zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het

arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te

sterven."

"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw

Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben

eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in

het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men

mij eenen hoop goud!"

"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw

arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"

"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een

meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met

zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet

tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en

aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is

beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den

schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al

stond ik voor den koning zelven."

De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen

zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het

was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een

kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:

"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch

niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks

daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de

fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"

"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."

"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."

"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school

gaan."

"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe

zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij,

arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te

maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"

"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan,

om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de

school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen.

Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou

dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk

veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige

werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid

zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel

zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u?

De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons,

onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn,

moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de

geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij

nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen

veroordeelde tot een leven zonder hoop."

Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel

te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.

"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve

winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld

winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is

het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"

"Inderdaad, Christina."

"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat

gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou

het u niet hoogmoedig maken?"

"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"

"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde?

Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou

vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn

geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam

zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in

Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."

Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van

ontroering.

"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en

prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien

schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme

werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren

en dus haar geluk in de wereld verzekerd."

"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van

Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."

"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige

armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te

bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen

plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw

leven?"

"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw

Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"

"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch,

achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het

kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken

kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger

bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien

gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."

Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.

"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.

"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder,

en het geluk van mijn kind...."

Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene

zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de

schouders.

"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"

"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.

"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat

het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan

worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te

zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."

"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"

"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal

ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens

afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te

overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en

beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan

geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."

De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter

den hoek der stege.

Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de

terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander

getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang

weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.

Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps

de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend

sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende

oogen.

"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet

niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de

Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"

Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare

moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste

juichend met hem de kamer rond.

"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep

zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"

En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde

haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener

diepgevoelde dankbaarheid:

"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm

Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien,

mijn geheel leven lang!"

Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke

moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog

nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was

veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene

waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden

plicht in den mensch ontstaat.

"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens

goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De

kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat

daar iets op mijne kap te zeggen valle."

In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw

Damhout, en zeide tot allen groet:

"Dank, dank!"

V

Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig

gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare

schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs

genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al

deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De

overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en

bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond

herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en

een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan

een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er

over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar,

zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde

behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten

van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.

Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter

schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke

gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er

over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was

zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind

onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de

geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere

dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven

hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders

nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is

zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon

hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw

mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen

enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde

aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw

in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op

haar geworden.

Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot

werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar

verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden.

Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden

om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel

gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk

Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.

Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze

nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte,

kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan

Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak

tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de

schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters

haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding

harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke

er ooit waren in doorgedrongen.

Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel

gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo

eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen,

van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten,

gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare

eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich

louterde.

Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme

lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het

goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden

mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een

ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot

niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te

laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne

Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis;

en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat

ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders

en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te

verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne

slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de

kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet

hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."

Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere

reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden

haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap

ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar

hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet

leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene

lekkere koffie onthaald.

Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en

over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit

de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk

te laten leeren.

Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei

listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om

haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.

Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare

broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten,

hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene

schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te

brengen, in luiheid mocht leven.--Onrechtvaardigheid vanwege de ouders

was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren;

maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden

zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de

_Mammezel_, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene

opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en

schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te

bedroeven en te plagen.

Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer

men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte,

omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.

Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare

boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de

zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een

liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met

haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in

de wereld te zullen worden.

Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of

van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu

insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te

winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der

kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.

Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag

was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan

ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat

hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge

opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.

Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was;

want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij

elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als

eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime

inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om

alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid

in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van

het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.

Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine

Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen

voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde

eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak

niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht

niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?

Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote

dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van

ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne

zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare

oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens

edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.

Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole

gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en

er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het

gesticht der Zusters zou verlaten.

Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen;

zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om

een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met

eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die

geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint

bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer

broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne

dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef

gelijk hare ouders.

Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw

Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's

moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden,

winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen,

haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.

Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat

zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille

treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en

onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken

ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan

een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo

bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare

genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te

zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij

was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.

Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de

Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid

hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne

goedheid.

Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid

was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.

Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte

aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke

zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje

bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog

misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve

was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste

meisjes te leeren spellen.

Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord,

staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met

elkander.

Dan zeide de oudste:

"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten

verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een

jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze

lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje

op onze school kunnen laten?"

[Illustratie: Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad

papier uit.]

"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik

wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen

naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan;

maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De

kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij

of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de

kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg

zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."

"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te

leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"

"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien,

zoo allengskens."

"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog

naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal

genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene

bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast

zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij

zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal

beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots

inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"

"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep

moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor

uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan

uit gansch mijn hart."

Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de

school der Zusters.

Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de

gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen

onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken;

hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had

reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters

hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid,

en roemden op zijnen spoedigen voortgang.

Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van

timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der

teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit

nieuwe vak behendig worden zou.

Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des

avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze

Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal,

welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.

Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het

stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een

enkel voorval--indien men het voorval mag heeten--was van aard om

aangeteekent te worden in hunne herinnering.

Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot

eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags

volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen

te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te

maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige

haast iets voor haar verborg.

Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek

alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer,

alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.

Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate

blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met

zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:

"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij

eens dezen avond niet kwame!"

En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij

lachende:

"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik

voor u hield verborgen."

"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.

Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem

zoo vroolijk maakte.

"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.

"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."

"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke

heilige staat daar?"

"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.

"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb

een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan

gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb

gedaan wat ik kon."

Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde

dit op de tafel en riep:

"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"

Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf

gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in

de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede,

driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het

eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne

eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen

geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof

kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen

raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde

geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.

Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en

niet juichte, zeide hij beschaamd:

"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt

om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben

leeren lezen."

Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen

rolden als parelen uit hare oogen.

"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"

"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij

zijt."

"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het

beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."

"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet!

Geef het mij, als 't u belieft!"

"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."

"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo

zorgvuldig bewaren!"

Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de

gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden

ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare

moeder wilde toonen.

Bavo en Lieveken · 第 6 / 16 题