I
Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de
Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle,
drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten
onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste
doet leven.
Het is vooreerst de _Duivel_, dat machtig tuig, waarin het katoen
wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft
verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende
potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze
mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot
haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en
eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne
ontelbare spillen en bobijnen.
Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige
snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende
wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van
wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden
andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een
zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de
denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig
maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne
stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig
wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft
geschapen.
Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang
der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen
katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het
duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te
verslinden.
Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de
raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens
doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die
draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw
aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of
hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre,
als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele
onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden
door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent
tusschen katoen en menschenvleesch!
Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij
ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het
ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der
eenzaamheid en der rust....
Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der
fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen
arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor
een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der
afgeloopene week te wachten.
Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige
schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen
neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en
de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele
moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en
voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen
toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood!
Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en
tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den
moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk,
omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen
toelachte.
Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide
zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove
zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer
dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het
uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem
toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem
een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen
wij lachen en vermaak hebben!"
"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn _jubilé_ viert?"
"Welk _jubilé_?"
"Van vijfentwintig jaar spinner."
"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van
Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was
opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet
het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den
kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar
op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig
jaar oud."
"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat
loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het
kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot
tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij
mede? Eenen halven frank tot inzet.
Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch
Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn:
een buitengewoon _Smeerken_, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad
Pier de Knul?"
De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
"Ik heb geene goesting, Jan."
"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig
cents weigeren om het _jubilé_ van eenen ouden vriend te vieren?"
"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo
bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang
bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan
in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends
en zeide hem:
"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart
vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar
huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het
eerste jaar af,--sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens
meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij
wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet,
dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer
vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje,
dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout
hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet,
dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens
mij."
"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor
haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van
uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de
school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt
winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och
arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met
de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf
uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn,
zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer
willen bezien of herkennen."
Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan
Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde
overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die
den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen
ander erfdeel kunnen nalaten...."
"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt
gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid
doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen?
Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit
eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat
allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben
evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er
niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met
mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er
is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er
van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog
een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op
af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het _jubilé_ van rossen
Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat
knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een
hart in het lijf hebt."
Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van
vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de _Blauwe Geit_, bij
Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een
leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog
de andere.
"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te
laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van
kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog
niet."
Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de
beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te
ontvangen was gekomen.
Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met
zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het
venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest
blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden
opgelicht.
Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen
rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het
leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen
zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel
zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld!
Hoera, vivat de _leute_!"
En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in,
gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste
gaslantaarn van zijn loon zou betalen.