Hoe dona Mencia hem in Burgos ontving.
Den volgenden morgen was ik vroeg uit de veeren. Ik ging met de
eigenares afrekenen, die reeds op was en die me wat minder trotsch en
beter gehumeurd scheen dan den vorigen avond, wat ik toeschreef aan
de aanwezigheid van drie dappere dienaren van den heiligen Hermandad,
die zich met haar op zeer vrije wijze onderhielden. Zij hadden in het
logement geslapen; en dit waren ongetwijfeld de aanzienlijke heeren,
voor wie al de bedden vrij waren gehouden.
Ik vroeg in het gehucht den weg naar het kasteel, dat ik wilde gaan
opzoeken. Bij toeval richtte ik mij tot een man van het karakter van
mijn gastheer te Pegnaflor. Hij stelde er zich niet mee tevreden op
de vraag die ik hem deed, te antwoorden, maar hij vertelde me nog,
dat don Ambrosio, echtgenoot van dona Mencia, drie maanden geleden
gestorven was en dat de markiezin zich in een klooster te Burgos,
dat hij mij noemde, had teruggetrokken. Dadelijk begaf ik mij naar die
stad, in plaats van den weg naar het kasteel te vervolgen, zooals ik
eerst van plan was en ik snelde allereerst naar het klooster, waarin
dona Mencia woonde. Ik verzocht de sleutelbewaarster aan die dame
te zeggen, dat een jonge man, die pas uit de gevangenis van Astorga
ontslagen was, haar wenschte te spreken. Oogenblikkelijk ging de
oppaster mijn verzoek overbrengen. Een oogenblik later kwam ze weer
terug en liet me een spreekkamer binnengaan, waar ik nog niet lang
was of ik zag achter de traliën de weduwe van don Ambrosio in zwaren
rouw verschijnen.
"Wees welkom," zeide zij vriendelijk tot mij. "Vier dagen geleden heb
ik aan iemand in Astorga geschreven, waarin ik hem verzocht u in mijn
naam te gaan opzoeken en u te zeggen, dat ik u dringend verzocht mij
bij het verlaten van de gevangenis te komen opzoeken. Ik twijfelde er
niet aan, dat ge spoedig in vrijheid zoudt worden gesteld; alles wat
ik den baljuw te uwen gunste had verteld, was genoeg daarvoor. Men
had mij dan ook verteld, dat ge reeds in vrijheid gesteld waart, maar
dat men niet wist wat er verder van u was geworden. Ik vreesde u niet
meer terug te zullen zien en van het genoegen beroofd te worden u mijn
dank te kunnen betuigen, wat me zeer zou hebben gespeten. Troost u,"
voegde zij er aan toe, ziende hoe beschaamd ik was zoo slecht gekleed
onder haar oogen te komen, "bedroef u niet over den toestand, waarin
ik u zie. Na den gewichtigen dienst, dien ge me hebt bewezen, zou ik
wel de ondankbaarste van alle vrouwen moeten zijn, als ik niets voor u
deed. Ik wil u uit den slechten toestand helpen, waarin ge u bevindt;
ik moet het en kan het. Ik bezit meer dan genoeg om mijn schuld aan
u af te doen zonder mij te behoeven bekrimpen."
"Gij kent," vervolgde zij, "mijne lotgevallen tot op den dag dat
wij samen gevangen genomen zijn; ik zal u vertellen wat mij sedert
overkomen is. Toen de baljuw van Astorga mij naar Burgos had doen
geleiden, na een getrouw verslag van mijne geschiedenis te hebben
vernomen, begaf ik mij naar het kasteel van don Ambrosio. Mijn
terugkeer veroorzaakte buitengewone verrassing, doch men zeide mij
dat ik te laat kwam. De markies, als door den bliksem getroffen door
mijn vlucht, was ziek geworden en de doktoren wanhoopten aan zijn
behoud. Ik trad zijn kamer binnen en wierp mij bij zijn bed neder,
badende in tranen en het hart vol smart. "Wat brengt u hier," zeide
hij, "komt gij uw werk aanschouwen? Is het u niet voldoende mij het
leven ontnomen te hebben? Zijt gij niet tevreden voor gij mij hebt zien
sterven?" "Heer," antwoordde ik, "Inès heeft u zeker gezegd dat ik met
mijn eersten man ben gevlucht en zonder het treurige ongeval, dat mij
hem heeft doen verliezen, zoudt gij mij nimmer hebben weergezien." Ik
vertelde hem toen, dat don Alvares door de dieven gedood was en dat
men mij had opgesloten. Ik vertelde hem al het overige en toen ik had
uitgesproken, nam don Ambrosio mijn hand en zeide teeder: "Nu is het
genoeg, ik beklaag mij niet langer over u. Mag ik u eigenlijk wel iets
verwijten? Gij vindt een geliefden echtgenoot terug, gij verlaat mij om
hem te volgen, mag ik dat gedrag laken? Neen mevrouw, ik had ongelijk
daarover te tobben. Ook heb ik niet gewild dat men u vervolgde, hoewel
mijn dood het gevolg zal zijn van uw verlies voor mij. Ik eerbiedigde
in uw ontvoerder zijn heilige rechten en zelfs de neiging die gij voor
hem hadt, en door uw terugkeer herwint gij al mijn genegenheid. Ja,
mijn waarde Mencia, uwe tegenwoordigheid overstelpt mij van vreugd,
maar helaas zal ik er niet lang van genieten. Ik voel mijn einde
naderen. Nauwelijks heb ik u weer, of ik moet u vaarwel zeggen." Bij
deze woorden voelde ik eene matelooze droefenis in mij opwellen. Don
Alvares, dien ik aanbad, heeft mij nimmer tranen doen storten. Don
Ambrosio stierf den volgenden morgen en ik bleef eigenares van de
aanzienlijke goederen, die hij mij geschonken had bij ons huwelijk. Ik
zal daar geen onwaardig gebruik van maken, hoe jong ik ook ben, zal
men mij niet zien in de armen van een derden echtgenoot. Ik wil mijn
dagen in een klooster eindigen en een weldoenster worden."
Na dit gesprek haalde dona Mencia van onder haar japon een beurs te
voorschijn, die ze mij ter hand stelde, zeggend: "Ziehier honderd
dukaten, die ik u alvast geef om u te kunnen kleeden. Als die op zijn,
kom me dan weer opzoeken, want ik ben niet van plan mijn dankbaarheid
bij zoo weinig te laten." Ik bedankte de dame duizendmaal en zwoer
haar dat ik niet uit Burgos zou vertrekken zonder afscheid van haar
te hebben genomen. Na dien eed, dien ik niet van plan was te breken,
ging ik een logement zoeken. Het eerste het beste dat ik tegenkwam,
ging ik binnen. Ik vroeg een kamer en om de slechte opinie, die mijn
havelooze plunje kon opwekken, te voorkomen, vertelde ik den waard,
dat ik, zooals hij me zag, toch best in staat was mijn onderkomen te
betalen. Op die woorden antwoordde de waard, Majuelo geheeten en van
nature een groot spotter, op kouden toon en terwijl hij me met een
sluwe uitdrukking op zijn gezicht van boven tot beneden opnam, dat
hij die verzekering mijnerzijds niet noodig had om overtuigd te zijn,
dat ik een goede klant voor hem zou wezen; dat men door mijn kleeding
heen iets edels in mij ontdekte en ten slotte dat hij er niet aan
twijfelde of ik was een zeer welgesteld edelman. Ik zag heel goed,
dat de plaaggeest me in het ootje nam; en om opeens een eind aan zijn
aardigheden te maken, toonde ik hem mijn beurs. Ik telde mijn dukaten
zelfs voor zijn oogen op een tafel en ik merkte, dat mijn specie hem
er toe bracht wat gunstiger over mij te denken. Ik verzocht hem een
kleermaker te laten komen.
"Beter is het een uitdrager te halen; hij kan u ineens een keuze van
kleeren meebrengen, zoodat ge oogenblikkelijk gekleed zijt," antwoordde
hij. Ik vond dien raad zeer juist en besloot hem op te volgen, maar,
daar de dag bijna ten einde was, stelde ik mijn inkoop uit tot den
volgenden morgen en mijn gedachten waren slechts gericht op een goed
avondmaal, om me schadeloos te stellen voor al de slechte maaltijden,
die ik sinds het verlaten van het hol gekregen had.