Toen Raffles en Charly het kerkhof te Inverary verlieten, was de
schemering reeds gevallen. Het gelukte hun daardoor de herberg te
bereiken, zonder door iemand te worden gezien.
Nadat zij in hun kamer licht hadden aangestoken, begon Lord Lister
eerst de sporen van het avontuur uit te wisschen. Toen hij zich had
verkleed en gewasschen, sprak hij, terwijl hij een sigarette aanstak:
„Nu, mijn lieve Charly, moeten wij eens te zamen overleggen, wat er nu
te doen valt om ons doel te bereiken.”
„Ik verzoek je dringend, Edward, waag je leven niet verder. Je hebt
vandaag immers gezien, dat men daar voor niets terugdeinst. Laat ons
vertrekken.”
„Heb je ooit gemerkt, dat ik iets half heb gedaan? Neen. Ik rust niet,
voordat ik mijn doel heb bereikt. Opdat het niet opvalle, dat wij ons
zoo weinig laten zien, moet je naar beneden in de eetzaal gaan en daar
allereerst trachten te weten te komen, wie de familie Webster is, in
wier grafkelder de geheime gang uitkomt. Ik zal intusschen een beetje
gaan rusten en erover nadenken, wat ons te doen staat.”
Terwijl Charly zich naar de eetzaal begaf, strekte Lord Lister zich uit
op een rustbed en gaf zich over aan het genot van zijn sigaretten, die
hij zoo lang had moeten missen, daar de sigaretten bij het
onvrijwillige stortbad nat waren geworden.
Hij had misschien een kwartiertje zoo gelegen, toen hij plotseling
haastig opstond. Hij scheen nu een besluit te hebben genomen. In een
oogenblik had hij twee brieven geschreven en juist was hij bezig, ze te
sluiten, toen Charly weer binnentrad.
„Nu, wat heb je voor nieuws?”
„De familie Webster heeft langen tijd hier gewoond. Nu leeft nog alleen
een zekere John Webster, die bij Lady Ethel de betrekking van
kamerdienaar bekleedt. Hij is gehuwd en woont op het kasteel met zijn
vrouw Bessie, die daar portiersdiensten verricht. John Webster laat
zich bijna nooit in de stad zien. Hij schijnt steeds zeer gesloten en
schijnt wegens zijn spreekwoordelijke gierigheid weinig bemind te
zijn.”
John Raffles volgde het bericht van zijn vriend oplettend, zonder hem
in de rede te vallen. Daarop sprak hij op schertsenden toon:
„Charly, ik geloof, dat ik al kennis met dien John Webster heb gemaakt.
Het zal zeker die man zijn geweest, die bij de kleine poort op mij
wachtte en dien ik ook, na den aanval, dien de lady op mij waagde, nog
even in de kamer zag.
„In ieder geval moet ik terstond handelen, als ik iets wil bereiken.”
Helder en duidelijk zette de Groote Onbekende zijn vriend uiteen, wat
hij van plan was. Hij liet Charly verscheiden voorwerpen in een kleinen
handkoffer pakken, terwijl hij zich zelf door schminken, pruik en baard
onkenbaar maakte.
Toen hij vermomd was, vroeg hij Charly, hoe de vermomming gelukt was.
„Uitstekend, Edward. Ik denk, dat lady Ethel door de gelijkenis
overdonderd wordt.”
„Dat hoop ik, dan zal ook de gewenschte uitwerking niet uitblijven.
Laten wij ons nu echter haasten, opdat we het huis kunnen verlaten,
voordat het gesloten wordt.”
Raffles hulde zich in een langen, zwarten mantel en drukte den hoed
diep in het gezicht. Ook Charly kleedde zich aldus en beide vrienden
verlieten het huis, den koffer met de verschillende voorwerpen
meenemend.— — —
Het was een maanlichte nacht.
Inverary lag in diepe rust en zoo kwamen de vrienden ongezien op het
kerkhof. Zij liepen hier haastig langs en hadden spoedig het grafgewelf
bereikt en de poort geopend.
Doffe slagen van een kerktoren verkondigden thans het tiende avonduur.
„Wij moeten ons haasten,” zei Raffles, „als ik heden nog mijn doel wil
bereiken, want wij hebben minstens een uur noodig, voordat wij mijn
gevangenis hebben bereikt.”
Spoedig werd nu de zware steen verwijderd, die tot toegang diende en de
vrienden klommen nu snel naar boven.
Een blik op zijn horloge overtuigde Raffles ervan, dat het een paar
minuten over elf was, toen zij de ruimte bereikten, die de slechte
vrouw als zijn graf had aangewezen.
Charly opende den kleinen koffer, dien het tweetal had meegenomen en
nam er een stevig touw en een touwladder uit. Raffles bevestigde het
touw aan de dwarsbalk, die den stoot der slede had veroorzaakt. Toen
bevestigde hij de touwladder hieraan en trok haar naar boven. Charly
ging met de voeten op het touw staan om het afglijden te verhinderen en
hield het bovendien nog met beide handen vast.
Nu kon John Raffles makkelijk tot het einde der glijbaan naar boven
gaan. Boven gekomen bevestigde hij de touwladder, die nu een
makkelijken toegang bood. Toen onderzocht hij de inrichting der slede.
Deze was zeer eenvoudig. Een gewicht van ongeveer negentig pond trok de
slede op de hellende baan steeds naar boven. Als zij echter door een
zwaarderen last werd bezwaard, moest zij wel naar beneden suizen om
dan, als de last er weer van was afgenomen, weer naar boven te glijden.
Raffles schoof nu, langzaam naar beneden loopend, het gewicht naar
boven. Halverwege moest dan de slede hem tegemoetkomen. Toen ging hij
erop zitten en trok zich aan het touw, dat het gewicht droeg, naar
boven.
Toen Raffles boven was aangekomen, lichtte hij met de electrische
zaklantaarn bij het luik, dat, zooals hij wist, naar de vertrekken van
lady Ethel voerde. Het luik was gemakkelijkste openen.
Hij luisterde. Niets verroerde zich. Raffles haalde een fijne boor te
voorschijn en maakte een gat, waardoor hij in het vertrek kon kijken.
Hij zag de lady aan tafel zitten. Voor haar stond een ijzeren kistje,
dat zij geopend had.
Het hoofd in de hand geleund, las zij in eenige papieren.
Er werd aan de kamerdeur geklopt en lady Ethel vroeg:
„Wie is daar?”
Een stem antwoordde:
„Ik ben het, John.”
De lady stond op, ging naar de deur en schoof den grendel terug.
John trad binnen.
„Wat wil je?”
„Lord Arthur verzocht u, een oogenblik bij hem te komen. Hij voelt zich
niet al te wel.”
„Ik kom dadelijk. Ook ik gevoel mij onwel. Het plotseling verschijnen
van dien man heeft mij meer opgewonden dan ik dacht. Ja, ja, men wordt
oud. Mijn droom plaagt mij. Ik kan het denkbeeld niet van mij afzetten,
John, dat ons huis een ongeluk dreigt. Heb je goed voor alles gezorgd?”
„Mylady kan geheel op mij vertrouwen; hij zal uw rust niet meer
storen.”
Raffles, die dit tweegesprek hoorde, balde onwillekeurig de vuist bij
deze woorden.
Lady Ethel vervolgde:
„Ik ben van je trouw overtuigd, maar toch kan ik den angst niet van mij
afzetten. Ik geloof, dat het beter is, als ik die papieren vernietig.
Daar juist nog las ik den brief, dien mijn echtgenoot aan Harry had
geschreven om hem terug te roepen. Ik moest den brief onderscheppen,
wilde ik niet den ellendeling, dien ik haatte, hier als heer en meester
zien binnentrekken. Maar laat ik nu naar mijn geliefden zoon Arthur
gaan.”
Lady Ethel sloot de ijzeren cassette en zette ze weder in de muurkast,
waaruit zij het apparaat en het poeder had genomen. Toen verliet zij
met John de kamer.
Raffles wachtte eenigen tijd, of er niet iemand terugkwam. Toen opende
hij onhoorbaar de klep en glipte de kamer binnen. Hij snelde naar de
kast, die de lady had opengelaten en maakte met een breekijzer de
cassette open.
Een perkamentpapier, dat hij reeds in het hotel in orde had gemaakt,
haalde hij te voorschijn en legde het in de cassette. Toen ging hij
naar zijn schuilhoek terug.
Hij behoefde daar niet lang te wachten, toen de deur geopend werd en
lady Ethel, gevolgd door John, de kamer binnentrad. Deze moest de lady,
die zich nauwelijks op de been kon houden, ondersteunen. Zwaar liet zij
zich in een leunstoel vallen en zij steunde diep.
„John, wat is dat! Ik geloof, dat mijn einde nadert. Dat angstgevoel!”
„Zal ik een bode naar de stad zenden, om den dokter te halen?”
„Neen, neen. Dat zou maar opzien baren en ik wil niet, dat mijn zoon
hoort dat ik niet wel ben. Misschien gaat het ook wel weer over. Zeg je
vrouw, John, dat zij gekleed te bed moet gaan. Als ik haar noodig heb,
zal ik haar schellen. Ga nu.”
John verdween. Lady Ethel deed het licht uit en ging naar bed.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Van den kerktoren in Inverary weerklonken twaalf slagen door den
helderen nacht.
Zachtjes werd het luik in den muur van de torenkamer geopend en er kwam
een gedaante uit, die in een zwarten mantel was gehuld. Grauw haar en
een grijze baard omlijstten een bleek gelaat, dat als uit steen scheen
gehouwen.
Geluidloos zweefde de gedaante naar het bed van lady Ethel en boog zich
heen over de slapende.
De lady scheen door zware droomen te worden gepijnigd, want een zacht
steunen ontsnapte haar lippen. Plotseling vloog zij met een kreet van
schrik overeind en staarde met wijd opengesperde oogen naar de
gedaante, die aan haar bed stond.
Spookachtig viel het maanlicht door de vensterruiten en op het gelaat
van den man.
In starre ontzetting keek lady Ethel naar de onbeweeglijke gedaante.
„Henry, jij? Kom je om mij te halen?” kwam het steunend van haar
lippen.
Onbeweeglijk, als een marmeren beeld, stond de gestalte. Zelfs de
lippen schenen zich niet te bewegen, toen het met doffen graftoon aan
het oor der lady klonk:
„Ja. Ik ben Henry. Uw uren zijn geteld. Ik kom om u te waarschuwen. Ge
hebt een zware schuld te boeten. Doe het terstond! Anders is het te
laat en zijt ge vervloekt! In uw cassette zult ge een schrijven vinden,
dat uw schuldbekentenis bevat. Zet er uw handteekening onder. Spoedig!
Ge hebt niet veel tijd! Anders wee u, wee u, wee u!”
Langzaam achteruit gaande, verdween de gestalte achter de gordijnen van
het ledikant.
Lady Ethel Had in namelooze ontzetting neergelegen. Thans nu de
verschijning verdwenen was, verdween de beklemming. Zij vloog overeind
en drukte op den knop van de electrische schel, die boven haar bed was
aangebracht.
Half opgericht riep zij uit:
„Bessie! Bessie! John!”
Eenige minuten later werd de deur geopend en de portierster Bessie
rende de kamer binnen, gevolgd door haar man, John Webster.
De lady was op het bed neergezonken. Haar adem was zwaar.
Bessie liep naar het bed harer gebiedster:
„Wat scheelt mevrouw?”
„Daar, daar! Het spook! Zoek, zoek!”
John, die het bijgeloof en den angst voor spoken van zijn meesteres
kende, hechtte niet veel waarde aan deze kreten en sprak:
„Mevrouw heeft gedroomd. Wil mevrouw een poeder nemen?”
Lady Ethel knikte zwijgend. Bessie had snel een poeder in een glas
water geschud en bood dit haar meesteres aan.
Zij dronk een weinig en sprak daarna op doffen toon:
„De geest van mijn echtgenoot, van Lord Henry, was hier! Zoekt!”
John haalde de schouders op en keek in het vertrek rond. Er was niets
te zien. Plotseling riep de lady uit:
„De cassette, geef mij de cassette!”
John gehoorzaamde. De lady had met koortsachtige haast het slot
geopend. Bovenop lag een vel perkament. Zij wierp er een blik op en
zonk met een diepen zucht in de kussens.
De inhoud bewees haar, dat dit werkelijk de bekentenis was, die zij
volgens den wil van het spook moest onderteekenen. In haar
bijgeloovigen angst was zij er nu vast van overtuigd, dat die
verschijning werkelijk de geest van den gestorven Lord was geweest.
„Inkt! Een pen!” hijgde zij.
Toen men haar het verlangde had gebracht, zette zij haar naam met een
laatste krachtsinspanning onder het document, legde het op zijn plaats
en wierp het deksel der cassette dicht.
Bessie nam het zware ijzeren kistje van het ziekbed en zette het op
tafel. Toen zij zich over haar meesteres neerboog, hoorde zij haar
onregelmatige ademhaling. De lippen der lady waren blauw en koud.
Plotseling richtte deze zich op en riep angstig uit:
„Ik weet het, de dooden staan weer op. Ik kom, Henry, ik kom!”
Met de hand op het hart gedrukt, zonk zij weer achterover en een zacht
gerochel klonk van de lippen der stervende.
„Snel, John, wek lord Arthur. Het loopt af!” drong Bessie. „Ik zal
dadelijk naar lady Mabel gaan. Wij mogen geen tijd verliezen!”
Bessie en John verlieten snel de kamer.
In dit oogenblik werd het luik in den muur weer geopend en Raffles, die
zijn vermomming had afgelegd, werd zichtbaar.
Snel naderde hij de tafel en greep de cassette.
Lady Ethel sloeg nog eenmaal de oogen op. Toen zij Raffles zag in het
zwakke licht, kwam het haar voor, alsof de geest van haar stiefzoon,
dien zij door verdrinken aan den dood had opgeofferd, was verschenen en
met een afschuwelijken kreet viel zij in de kussens achterover.
Raffles wierp nog een langen blik op de doode, daarop mompelde hij:
„Dit is het beste! Nu zijt gij aan den aardschen rechter ontkomen!”
Daarop verdween hij met de cassette in de donkere gang.
De slede, door zijn bekwame hand bestuurd, bracht hem snel en zeker
naar de plek, waar Charly hem wachtte.
De groote onbekende opende daar de cassette en nam er de papieren uit,
die zoo gewichtig waren voor den echten Harry Danby. Ook de brief van
den vader aan Harry werd gevonden. Raffles liet den verderen inhoud der
cassette onaangeroerd.
Hoewel de zending nu vervuld was, voelde hij zich toch niet innig
verblijd. De plotselinge dood der lady drukte op hem.
De beide vrienden verlieten de geheime gang en waren spoedig weer in
hun hotel in Inverary aangekomen.