JOHN C. RAFFLES.

Baxter was bij het lezen steeds woedender geworden. Marholm daarentegen

hield zich, bijna stikkende van het lachen, aan de tafel vast.

Vol woede hijgde Baxter:

„Wat beteekent dat domme gelach? Gij moest liever probeeren, dien

schurk, dien Raffles, onschadelijk te maken.”

„Kalm, kalm, mijn waarde. Gij hebt hem zeker al een dozijn keeren laten

ontsnappen, al was hij ook nog zoo dicht bij u. Wie kan het mij dan

kwalijk nemen, dat ik hem niet pak? Het doet mij bijna genoegen, dat de

man ons voor den gek houdt; hij moet een geestige kerel zijn.”

„Kom, Marholm, ben je nu heelemaal krankzinnig geworden?”

„Waarom? Hij brengt ons immers op het spoor der valsche munters.”

„Daaraan geloof ik nog niet. In elk geval zal ik mij niet aan zijn

aanwijzing storen, maar dadelijk naar Schotland vertrekken.”

„Ziet gij, dat zou ik niet doen, mr. Baxter. Ik ben ervan overtuigd,

dat gij niets vindt, als Raffles het niet wil.”

„Je dwepen met Raffles staat mij werkelijk tegen!”

Mopperend ging Baxter aan een schrijftafel zitten, terwijl Marholm,

vroolijk glimlachend, zijn glas nog eens volschonk.

Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone · 第 17 / 23 题