De avondschemering was gevallen. In het westen daalde de zon in
oranjekleurigen gloed en een zachte avondkoelte ruischte door de
boomtoppen. In majestueuze rust breidde zich de doodenakker voor
Raffles uit.
Zijn scherp oor vernam nu naderende schreden en een oogenblik later
doemde een welbekende gestalte op.
Lord Lister durfde zijn oogen nauwelijks te gelooven. Het was Charly
Brand, die het kerkhof te Inverary had opgezocht, in de hoop, iets te
ontdekken van de geheimzinnige, onderaardsche gang, waarvan de waard
had verteld.
Daar stond hij plotseling tegenover zijn besten vriend.
Charly kon in het eerst geen woorden vinden, toen hij Raffles voor zich
zag, die in zijn vuile kleeren met het verwarde haar nauwelijks te
herkennen was.
Raffles lachte om de verbazing van zijn vriend en zei:
„Ja, beste Charly, zóó ziet er nu iemand uit, die twee keer bijna
verdronken was en door rotspartijen heele buitelingen heeft gemaakt.”
Op Charly’s verbaasde vragen vertelde lord Lister zijn avontuur.
Toen hij vertelde van zijn onvrijwillig bad, drong Charly er op aan,
naar huis te gaan, want zijn vriend vreesde, dat Lister ziek kon
worden.
„Wees onbezorgd, Charly, ik voel mij zoo gezond als een visch in het
water. Wij gaan nog niet naar huis. Ik ben blij, dat ik je zoo
onverwacht ontmoet heb. Ik zal je nu eerst den ingang van het hol
wijzen, men kan nooit weten waarvoor het goed is, dat je georiënteerd
bent. Heb je je zaklantaarn bij je?”
Charly knikte bevestigend.
„Des te beter. Wij hebben dus dubbel licht en zullen het grafgewelf nog
eens gaan onderzoeken.”
De beide vrienden gingen terug naar het gewelf.
Raffles klom het eerst weer op de doodkist, die aan den rotsmuur stond.
Bij het scherpe licht bemerkte Raffles, dat een veel grootere steen op
de kleinere lag, waardoor de eigenlijke ingang naar het gewelf was
afgesloten.
„Ik geloof, dat ik me vergist heb, Charly. Ik dacht eerst, dat deze
toegang al wel een halve eeuw of nog ouder was, maar nu zie ik, dat de
ijzeren handvatsels van veel nieuweren datum zijn. Het is heel
duidelijk, dat menschenhanden van tijd tot tijd regelmatig deze
handvatsels hebben aangepakt.”
„Je kunt wel gelijk hebben, Edward.”
Raffles was weer van de doodkist afgestapt en bekeek haar nauwkeurig.
„Het is wel zeker, dat hier veel voetstappen gestaan hebben, Charly.”
Toen de groote onbekende den lichtbundel van zijn lantaarn verder over
de doodkist liet glijden, ontsnapte plotseling een kreet van verrukking
zijn lippen.
Hij had aan den eenen kant een stukje roode stof ontdekt, die bij het
sluiten van het deksel tusschen de doodkist was geklemd.
„Hola, jongen! Ik geloof niet, dat men de dooden hier in een rood kleed
begraven heeft, dat bovendien nog zoo nieuw schijnt, dat er niet eens
vocht is ingedrongen. Ik zou wel eens willen weten of er hier niet een
vreemde doode rust! Dat moeten we onderzoeken. Ben je misschien bang?”
„Maar Edward! Houdt je mij voor zoo’n hazenhart? Vooruit, aan ’t werk!”
Raffles had zijn werktuigen te voorschijn gehaald en begon nu de
schroeven los te maken, waarmee het deksel van de doodkist was
bevestigd.
Aan de gemakkelijkheid waarmee de schroeven waren los te draaien,
bemerkte men onmiddellijk, dat zij dikwijls en zeker nog voor korten
tijd geopend waren.
Spoedig was de arbeid geëindigd.
Beide vrienden grepen het deksel, hieven het op en lieten het op den
grond glijden. Toen namen zij de lantaarns en lichtten in het binnenste
der kist
Raffles barstte in een schaterlach uit, toen hij den inhoud zag.
Het hoofdeinde der doodkist, dat door een plank was af gedeeld, was met
goud- en zilverstukken opgevuld. In de overige ruimte van de doodkist
lagen in een rooden doek gewikkeld, verscheiden andere metalen.
Bij nadere beschouwing bleek, dat deze stukken metaal deels uit gedegen
goud en zilver bestonden, deels uit gouden ringen, armbanden,
medaillons, enzoovoorts, waar de juweelen, die als versiering er in
hadden gezeten, waren uitgenomen. Naar alle waarschijnlijkheid was deze
voorraad metaal bestemd om te worden saamgesmolten.
Charly had eenige van de blinkende munten in de hand genomen en bekeek
ze opmerkzaam. Raffles trad nader en bekeek ze eveneens. Zijn scherpen
blik ontging het niet, dat hij hier vervalschingen voor zich had.
„Dat is dus het geheim van de doodkist. Het schijnt de schatkist van
een bende valsche munters te zijn.”
Raffles dacht nog eens scherp na.
„Nu begrijp ik ook Charly, wat die stem sprak, die ik achter de deur
hoorde en die over vlammen en vonken sprak.”
Charly had intusschen den doek te voorschijn gehaald, waarin de munten
hadden gelegen; er kwam een onaangename geur uit.
„Aha”, zei Raffles, „daarom dus die zonderlinge bergplaats. De doek is
in een zuur gedrenkt en dit moet, samen met de vochtige lucht in het
grafgewelf, den munten een oud uitzien geven. Het valsche geld kan ons
niet van nut zijn, maar het gedegen goud en zilver kan ons goede
diensten bewijzen bij onze tochten in Londen en onze arme vrienden uit
den nood helpen.”
Met kennersblik bekeek de Groote Onbekende de stukken en liet toen
alles van waarde in zijn zakken glijden.
Toen deze arbeid volbracht was, sloten de beide vrienden de doodkist
weder.
„En nu, Charly, willen we eens gaan onderzoeken, wie dezen grafkelder
behoort.”
Zij verlieten de ruimte, waarin zij zulke belangrijke ontdekkingen
hadden gedaan en zulke groote schatten hadden gevonden.
Op een steen aan den ingang, die weder stevig werd gesloten stond:
Grafkelder van de familie Webster.
„Wie is Webster?” fluisterde Raffles en de beide vrienden haastten zich
om zoo snel mogelijk de herberg in Inverary te bereiken, die ongeveer
tien minuten van het kerkhof lag verwijderd.