DE PLEK DER MISDAAD.

Met razende snelheid gleed de slede, waarop de bewustelooze lord Lister

lag, langs de glooiende baan naar beneden. Plotseling volgde een hevige

schok, de slede was met den voorkant tegen een tamelijk hooge dwarsbalk

gestooten.

Door dezen stoot werd de slede van haar last bevrijd en werd toen door

middel van een zeer vernuftig aangebrachte machinerie weer

teruggeslingerd.

Bij dezen slag moest natuurlijk het lichaam van den ongelukkige

vooruitvliegen. Hij maakte tweemaal een buiteling in de lucht en vloog

toen in de richting van een tamelijk ruime opening in de rots.

Men hoorde het geluid als van opspringend water en daarna bleef alles

doodstil.......

Maar wat was dat?

Een klotsend geluid verbrak de stilte en plotseling vlamde een licht

op.

John Raffles lag op de knieën en hield in de rechterhand zijn

electrische zaklantaarn om rondom zich heen te zien. Wat hij

aanschouwde, was ontzettend. Door de vreeselijke slingering, die zijn

lichaam door de botsing der dwarsbalken ondervonden had, was hij tot in

den rechterhoek van het rotsachtige hol geslingerd.

De grond was op deze plaats zeer steil. Er bevond zich daar tamelijk

veel water. Als Raffles op den rotsachtigen bodem was terecht gekomen,

had hij onvermijdelijk eenige ribben, wellicht zijn nek gebroken. Het

water had echter de kracht van de botsing getemperd. Het had ook nog

een andere goede werking; de koele bedding deed den bewustelooze uit

zijn verdooving ontwaken.

Daar de Groote Onbekende instinctmatig zijn zakdoek in den mond had

gestopt, toen het kleine toestel zijn verderfelijke werking begon, was

de verdooving niet zoo erg geweest als lady Ethel veronderstelde. Het

koude water deed zijn uitwerking en daarom geraakte Raffles spoedig

weer uit zijn verdooving en kwam hij tot zichzelven.

Nadat hij eerst den zakdoek uit zijn mond had genomen, kreeg hij

spoedig zijn electrische zaklantaarn te voorschijn, om zich te

overtuigen, waar hij eigenlijk was.

Hij bevond zich in een ruimte, die wel tien meter in ’t vierkant was.

Er was geen venster, dat licht gaf of licht kon binnenlaten. Ongeveer

zes meter over den aardbodem zag hij aan een der muren een donkere

opening. Dat was het einde van de glijbaan, waarop hij zoo snel van de

torenkamer in de vreeselijke diepte gegleden was.

De atmosfeer in deze gruwelijke gevangenis was om te stikken en er

heerschte een vochtige, verschrikkelijke ontbindingslucht.

Raffles had zich uit zijn knielende houding opgericht en bewoog zich nu

langzaam voorwaarts.

Plotseling stootte zijn voet op een voorwerp. Toen hij het licht der

electrische lantaarn daarheen richtte, zag hij tot zijn ontsteltenis

het skelet van een mensch, waaruit bij het ongewone lichtverschijnsel

eenige ratten de vlucht namen. Walging en schrik maakten zich van hem

meester.

Plotseling werd zijn opmerkzaamheid door een aanhoudend gorgelend

gedruisch getrokken. Hij ging naar de plaats terug, waarheen hij was

geslingerd en vanwaar het geluid was gekomen. Tot zijn verbazing

bemerkte hij, dat het water, dat hem bij de val zulke groote diensten

had bewezen, bijna verdwenen was.

Een ronde, ijzeren klep was in de diepte gezonken. Hij begreep nu ook,

waarom hij in de voeten een sterke, stekende pijn gevoelde. Bij den val

uit de hoogte was hij met volle kracht met de voeten tegen die klep

geslagen en deze had zich naar buiten geopend, waardoor het water kon

afvloeien.

Raffles ging dadelijk een en ander eens wat nader onderzoeken en kwam

tot de ontdekking, dat deze klep van onderen te openen was en wel door

een ketting, die, over raderen geleid, in een smalle rotskloof voerde.

Lord Lister was op de steenen gaan zitten en lichtte met zijn lantaarn

in het gat achter het luik. Tot zijn verbazing ontdekte hij, dat er

eenige traptreden achter schenen te liggen. Hij wilde reeds door het

luik gaan om een en ander te onderzoeken, toen een klaterend geluid

achter hem zijn opmerkzaamheid trok. Hij keerde zich om en zag tot zijn

verbazing, dat plotseling uit twee pijpen, die hij tevoren niet had

opgemerkt, waterstralen plasten.

Als een bliksemstraal flitste hem de gedachte door het brein, dat de

duivelsche vrouw hem wilde laten verdrinken.

Steeds sterker rolden de waterstralen van de hoogte neer. Als Raffles

niet in zijn val het luik had opengestooten, zou het water in vijf

minuten wel tot manshoogte zijn geklommen. Thans echter vloeide het

even snel naar beneden af als het van boven neer ruischte.

Raffles had zich in een hoek van het hol teruggetrokken, waar hij

volkomen droog bleef. Hij begreep heel terecht, dat die waterval wel

eens zou ophouden.

Om zich den tijd wat te verdrijven, wilde hij een sigaret opsteken,

maar hij bemerkte tot zijn teleurstelling dat deze in zijn etui

kletsnat en dus onbruikbaar waren geworden. Hij wierp de sigaretten op

den grond en de kleine, witte rolletjes werden door den stroom in den

afgrond gespoeld.

Zijn goed humeur zegevierde echter spoedig en hij mompelde:

„Als ik toch die lekkere douche krijg, zal ik mij maar een beetje gaan

wasschen.”

Hij rekte de armen uit, schoof z’n manchetten wat in de hoogte en begon

z’n vuile handen te wasschen.

Na ruim drie minuten werd de waterval al minder en minder en hield

eindelijk geheel op.

Lord Lister keek op zijn horloge en zag, dat het half vijf was.

Vroolijk mompelde hij:

„Het zal u tegenvallen, lady Ethel, als ge denkt, van mij bevrijd te

zijn. Neen, mijn waarde, John Raffles heeft een taai leven. Zijn goed

gesternte straalt en spoedig zult ge het genoegen hebben, mij weer te

zien.

„Laat ons nu eens beproeven, zoo gauw mogelijk deze behaaglijk

ingerichte „vreemdenkamer” te ontruimen, voordat misschien een nieuwe

verrassing komt. ’t Is eigenlijk heelemaal niet beleefd, lady Ethel, om

gasten zoo’n vochtig bed te geven.”

Hij boog zich wederom naar het luik voorover, lichtte in de diepte en

stelde vast, dat er inderdaad eenige traptreden naar beneden voerden.

Hij nam de lantaarn tusschen de tanden en ging in de diepte.

Hij voelde vasten bodem, liet de handen voorzichtig los, greep de

lantaarn en lichtte eens in het rond.

De drie traptreden leidden naar een donkere gang, die scheen voort te

loopen. De gang was droog; het water moest dus in de rotsspleten

wegvloeien. De lucht was ook hier nog drukkend, maar Raffles bedacht

zich geen oogenblik en ging snel voorwaarts.

Nadat hij nauwelijks twintig schreden had geloopen, bemerkte hij, dat

de gang zich vertakte. Welken weg moest hij nu volgen?

Moest hij naar links of rechts uitgaan?

Hij redeneerde aldus:

„Ik weet niet of ik rechtuit of naar links vlugger in vrijheid komen

zal. De weg links schijnt gemakkelijker te zijn, die rechtuit echter

steil naar beneden te voeren. Waarom moet de mensch zich het leven

onaangenaam maken, als dit niet absoluut noodig is? Laat ons dus naar

links gaan.”

En hij ging naar deze richting.

Nadat hij ongeveer tweehonderd schreden had afgelegd, boog de gang

scherp naar rechtsom en spoedig stond Raffles voor een kleine trap, die

in de rotsen was uitgehouwen en die naar een met ijzer beslagen poort

voerde.

Raffles bekeek die deur.

Waar zou ze heenvoeren? Hij overtuigde zich ervan, dat hij zijn pistool

bij zich had, nam deze in de hand en wilde juist probeeren de poort te

openen, toen hij bedacht, dat het pistool zeker niet meer al te

betrouwbaar zou zijn. Zijn sigaretten waren immers nat geworden; zijn

patronen konden immers ook vochtig zijn geworden, zoodat ze zouden

weigeren.

Dit oogenblik van aarzelen was uitstekend voor lord Lister, want

plotseling hoorde hij achter de poortdeur stemmen. Hij kroop in een

hoek en doofde zijn lantaarn.

De deur scheen heel dik te zijn, want hoewel hij zijn uiterste krachten

inspande, kon hij slechts weinig verstaan.

„Hij hoorde, dat een diepe stem over „vlammen” en „vonken” sprak,

hoorde ook, dat twee andere stemmen antwoordden, was echter niet in

staat, den inhoud van het gesprokene te verstaan.

„’t Is goed,” overdacht hij, „misschien heb ik op den anderen weg meer

geluk. Het geheim, dat hierachter steekt, zal ik later wel uitvorschen.

Ik moet nu eerst weer het daglicht zien.”

Hij ging den gekomen weg weer terug en was spoedig wederom op de plek,

waar de gang zich vertakte.

Langzaam en voorzichtig voortloopend constateerde hij nu inderdaad, dat

deze gang inderdaad loodrecht in de diepte voerde. Aan den rechterkant

was een stevige ijzeren ketting aangebracht, die zeker als steunpunt

diende, opdat men op den gladden bodem niet zou uitglijden.

Zoo vlug mogelijk zocht Raffles in de gang voorwaarts te dringen en

plotseling stond hij recht tegenover een steilen rotswand. Hij

overtuigde er zich van, dat hij ongeveer drie kwartier voor zijn

afdaling had gebruikt. Toen lichtte hij met zijn lantaarn langs den

muur.

Hij begreep, dat hier ergens een uitgang moest zijn.

Toen begon hij langs den muur te kloppen en heel onder aan verried een

holle klank, dat een der steenen niet vastzat.

Raffles spande nu alle krachten in en het gelukte hem tenslotte

inderdaad het kleine rotsblok te verwijderen.

Nu lichtte hij opnieuw met de lantaarn in de ruimte, die thans ontstaan

was. Alles was duister.

Hij vond, dat zijn toestand langzamerhand heel onaangenaam begon te

worden.

Maar toch kroop hij door de opening en liet toen wederom het licht van

de lantaarn in het rond vallen.

Een huivering beving hem.

Hij stond op een lijkkist. Verderop stonden twee doodkisten dwars. Hij

begreep, dat hij in een familiegraf stond.

Voorzichtig stapte hij van de doodkist af en zocht verder naar een

uitgang. Nu zou hij spoedig in vrijheid zijn, want de deur, die naar

het familiegraf leidde, moest wel gemakkelijk te openen zijn.

Nadat Raffles met de grootste moeite het rotsblok weer op zijn plaats

had geborgen, ging hij naar de deur, die naar het grafgewelf voerde.

Deze ging gemakkelijk open en na enkele minuten bevond Raffles zich

weder in vrijheid.

Met diepe halen ademde hij de vrije lucht in. Toen rekte hij zich uit

om zijn ledematen wederom de oude buigzaamheid terug te geven.

Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone · 第 12 / 23 题