UIT DEN DOODE HERREZEN.

Schril klonk de toon van een electrische bel door de kamer. Een

bejaarde vrouw stond op uit den leunstoel en ging naar de deur. De bel

klonk nu voor de tweede maal.

„Tweemaal—dat is voor jou, John”.

De oude man knikte en verliet de kamer. Hij was ongeveer vijf-en-zestig

jaren oud.

Zijn gelaat was glad geschoren en spaarzaam grijs haar bedekte zijn

schedel.

Met een vlugheid, die men hem niet zou hebben toegedacht, beklom hij de

treden der wenteltrap, die naar de eerste verdieping leidde. Hij klopte

aan een lage deur van gesneden eikenhout en trad eenige oogenblikken

later binnen.

In het vertrek stond een dame van omstreeks vijftig jaren tegen de

tafel geleund. Heur haar was grijs, haar gestalte groot en opvallend

mager; haar oogen waren van een glinsterend zwart en hadden een

stekende uitdrukking. De vastopeengesloten lippen werden overwelfd door

een sterk krommenden, smallen neus, waardoor het gelaat een

roofvogelachtige uitdrukking kreeg.

John was in de deur blijven staan.

De dame wendde nu het hoofd om en vroeg met snijdend-scherpe stem:

„Wie heeft dien brief gebracht?”

„De zoon van den waard uit „De Koningin van Schotland” heeft hem een

half uur geleden afgegeven. Mevrouw was er niet en daarom heb ik den

brief, als gewoonlijk, op tafel gelegd”.

Lady Ethel antwoordde niet. Zij gooide den brief met beleedigd gebaar

op tafel en ging naar het venster. Eenige oogenblikken keek zij

nadenkend naar buiten en sprak toen op korten, bevelenden toon:

„Laat Lady Mabel dadelijk hier komen!”

John boog zwijgend en verdween door een kleine deur, die links van de

torenkamer naar het inwendige van het kasteel voerde.

Lady Ethel was naar de tafel teruggegaan, nam den brief weer op en ging

in een leunstoel zitten. Nogmaals begon zij woord voor woord te lezen.

De brief was maar kort en luidde als volgt:

„Lady Ethel!

Ik ben van mijn wereldreizen naar Schotland teruggekeerd.

Hedenmiddag zal ik het slot van mijn vader bezoeken en ik verheug

mij er reeds op, mijn stiefbroeder, die mijn erfenis zoo trouw

heeft beheerd, te kunnen begroeten.

Ik wensch echter u alleen te spreken. Een vriend van mij, die van

alles op de hoogte is, heeft mij naar Inverary vergezeld. Ik meld u

dit, opdat ge de maatregelen, die ge misschien wilt aanwenden,

daarnaar kunt treffen.

Om drie uur kom ik aan de kleine poort, die voert naar den

Bernhard-pas, en ik wensch, dat ge mij vandaar naar u zult doen

geleiden.

Harry Danby, Graaf van Eaglestone.”

Nogmaals en nogmaals las lady Ethel dezen brief. Donkere wolken lagen

om haar slapen. Zij knikte en fluisterde:

„Mijn droom! Mijn droom! Ik zag de graven zich openen en de dooden van

Eaglestone weer opstaan! Ja, ja, de dooden staan weer op!”

Er werd geklopt en een dame trad het vertrek binnen.

Het was een verschijning, die de aandacht trok. Op een middelmatig

groote, slanke figuur stond een hoofd, dat men schoon had kunnen

noemen, als niet een trek van koele berekening het gelaat ontsierd en

de harmonie der edele reine trekken verstoord had.

Goudblonde vlechten lagen als een kroon om het voorhoofd en den

blanken, vollen hals sierde een kostbaar snoer van paarlen en

briljanten, terwijl kostbare ringen flonkerden aan de kleine, smalle

handen.

Met een sierlijke hoofdneiging trad zij het vertrek binnen en zei:

„Goeden morgen, mama! Ge hebt mij laten roepen?”

Mabel, de echtgenoote van lord Arthur, was naar lady Ethel gegaan, had

haar de hand gekust en was toen op een laag stoeltje aan de voeten der

oude dame gaan zitten.

Lady Ethel beantwoordde den morgengroet van haar schoondochter met een

lichten hoofdknik. Peinzend staarde zij door het venster, zij scheen de

aanwezigheid der jonge vrouw nauwelijks te bemerken.

Na een poos zei Mabel, terwijl een spottend glimlachje over haar gelaat

gleed:

„Wel, mama, zoo heelemaal in gepeins verdiept? Ik dacht, dat ge mij

heel belangrijke dingen hadt mee te deelen, omdat ge mij zoo overhaast

hebt laten roepen”.

Lady Ethel scheen op te schrikken uit haar gedachten, toen haar

schoondochter haar toesprak. Een diepe zucht ontsnapte haar borst en

zij sprak, op ieder woord den klemtoon leggend:

„Je hebt mij gisteren niet willen gelooven, toen ik beweerde, dat ons

huis door ongeluk wordt bedreigd. Ik had gelijk!”

Mabel lachte even.

„Maar mama! Ik bid u! Hoe kan iemand zóó bijgeloovig zijn?”

Toen antwoordde zij:

„Ik weet, wat ik zeg. Ik zag in mijn droom, hoe de dooden om het

kasteel spookten. Toen werd een machtige, zwarte hand opgeheven, die

den bliksem in het slot zwaaide. Ik zag echter geen vlammen; slechts

dichten walm en zwarten rook. Steeds zwarter werden de wolken en toen

zij waren opgetrokken, was bet kasteel verdwenen, slechts Arthur zat op

een steen en weende. Achter hem echter stond een gebaarde man, die in

zijn hand het kasteel Eaglestone hield, dat belachelijk klein was

geworden.”

Lady Mabel was van haar zitplaats opgesprongen. Zij draaide in een

kring rond, klapte in haar handen en riep lachend:

„Dat moet wel een aardig handje zijn geweest, mama, dat een heelen berg

droeg!”

„Spot niet, Mabel! Ik weet, dat de dooden weer op zullen staan”,

antwoordde lady Ethel op bezorgden toon.

Haar hand greep den noodlottigen brief, toen vervolgde zij:

„Je weet, dat de stiefbroeder van je man al bijna dertig jaar verdwenen

is...”

„Ja, hij is als een dief door vader verjaagd en toen te gronde gegaan.”

Lady Ethel was bij de woorden van haar schoondochter een weinig bleeker

geworden. Zij klemde den brief krampachtig tusschen haar vingers en

sprak langzaam en toonloos:

„Harry Danby is thans in Inverary en zal over een paar uren hier zijn

om zijn erfenis te aanvaarden”.

Als door een adder gestoken, sprong lady Mabel op.

„Wat, deze dief, die landlooper durft naar hier terug te keeren?”

schreeuwde zij uit met schrille stem.

„Ja, mijn kind, ik heb daarjuist zijn brief ontvangen”.

Lady Ethel sprak wederom met grooten nadruk en Mabel staarde haar

schoonmoeder als verdwaasd aan.

Toen vroeg zij:

„Blijft ge daaronder zoo kalm, mama?”

„Wij zullen dien landlooper natuurlijk niet ontvangen!”

„Dat zal moeilijk gaan. Ik geloof, dat het maar beter is, als wij

trachten, met hem op een goeden voet te komen.”

„Wat zegt ge, met een dief...?”

„Weet je zoo zeker, dat hij een dief is?”

Langzaam waren deze woorden over de lippen der oude dame gekomen.

Mabel keek haar schoonmoeder verbaasd aan.

„Er mag komen, mama, wat er wil! In ieder geval zal ik nooit...”

Lady Ethel viel haar schoondochter scherp in de rede:

„Je zult hem vriendelijk ontvangen, als ik het verlang. En ik wil het!”

De oude lady had zich hoog opgericht en met gebiedenden blik keek zij

haar schoondochter aan.

Mabel haalde de schouders op.

Zij waagde het echter niet, tegen te spreken, en zei slechts op licht

spotten den toon:

„Ik zou wel eens willen weten, mama, waarom ge plotseling zoo toegevend

gestemd zijt!”

„Dat is mijn zaak! Ga nu, ik wacht bezoek; zorg ervoor, dat Arthur

niets merkt en wacht beiden, totdat...”

Zij zweeg. Een andere gedachte scheen haar door het hoofd te flitsen,

en na eenigen tijd vervolgde zij:

„...Wacht, tot ik je laat roepen. Ik wil ook niet, dat je Arthur iets

zegt, van wat ik je daarjuist heb meegedeeld. Ga!”

Mabel keek haar schoonmoeder aan met loerenden blik; zij wilde

heengaan, doch eensklaps riep lady Ethel haar terug en sprak op

wonderlijk weeken toon:

„Je hebt eigenlijk gelijk, kind. Het is voor ons misschien beter, als

wij hem niet terug zien. Ik zal eens denken, wat ons te doen staat.

Zorg er echter voor, dat Arthur niets hoort. Ga nu!”

Mabel boog zich over de hand, die haar schoonmoeder haar ten afscheid

had gereikt en verliet toen het vertrek.

Lady Ethel drukte op den knop van een electrische schel en eenige

oogenblikken later trad John binnen.

Zij streek den brief glad, dien zij een oogenblik tevoren weer had

geknoeid, reikte hem haar vertrouwden bediende en ging toen naar het

venster.

Minutenlang keek zij naar buiten, en zei toen op half luiden toon:

„Mijn droom, mijn droom! Ik zag de graven zich openen en de dooden van

Eaglestone rond het kasteel spoken!”

„Het was slechts een droom, mevrouw, die zeker niets te beteekenen

had”.

Lady Ethel haalde de schouders op en ging naar het venster toe. Haar

gelaat vertrok zich tot een duivelschen glimlach, toen zij op

halfluiden toon fluisterde:

„Harry vertrouwt mij niet. Nu, wij zullen zien, wie overwint! Al ben ik

ook dertig jaar ouder geworden, zal ik ook heden nog de kracht bezitten

om je te verpletteren. De dooden moeten in hun graven terug! Ik zal je

verbannen!”

Zij wendde zich weder tot John, die nog steeds naast de deur stond.

„John, ik weet, dat je mij genegen bent. Reeds tientallen van jaren heb

ik je trouw op de proef gesteld en je weet, dat ik mij nooit ondankbaar

heb betoond voor de bewezen diensten. Ik voel, dat ik niet lang meer te

leven heb en daarom wil ik mijn werk niet nog te gronde zien gaan. Ik

reken op je beproefde trouw en stilzwijgendheid.”

De oude dienaar boog voor zijn gebiedster en kuste haar eerbiedig de

rechterhand.

Lady Ethel vervolgde:

„Dus, John, je moet om drie uur aan de kleine poort zijn, die naar den

bergpas voert. Dan breng je hem dadelijk door de gang rechts naar hier.

Zoodra hij hier is, sluit je de deur, die naar de verbindingsgang

voert, van buiten af, en stel je het „vreemdelingenbed” op.”

Toen Ethel de laatste woorden sprak, vloog een leelijke grijns over het

gelaat van den ouden dienaar.

„Het „vreemdelingenbed” zal opgericht worden. Vuur of water?”

„Dat weet ik nog niet. Ga nu op je post.”

John boog en ging heen.

Lady Ethel ging naar een kast en haalde daar een vreemd, klein toestel

uit te voorschijn, dat zij op tafel zette.

Het apparaat was niet grooter dan een lucifersdoosje. Het onderdeel

bestond uit een klein pannetje met een onevenredig langen steel. Aan

dezen steel schroefde lady Ethel een mondstuk vast, dat ontelbare fijne

gaatjes, bevatte.

Toen nam zij het goedsluitende dekseltje eraf en schudde uit een

doosje, dat zij eveneens uit de kast had genomen, een weinig van een

rood poeder in het pannetje.

Nadat zij uit een fleschje drie druppels van een violette vloeistof op

het poeder had laten loopen, opende zij het venster van de torenkamer

en de deur, die zich daar tegenover bevond.

Daarna bond lady Ethel een zakdoek stevig om haar mond en neus, nam het

contactstopje van de electrische leiding, die zich aan het toestel

bevond en stak het in de opening, die aan den tafelpoot bevestigd was.

Zij drukte op een kleinen knop en op hetzelfde oogenblik kwam uit de

openingen van het toestel een rookwolk te voorschijn, die het vertrek

met een bedwelmende lucht vulde.

Lady Ethel knikte voldaan.

Door den sterken tocht was de damp spoedig vervluchtigd en zij sloot

vensters en deur weer. Vervolgens nam zij den doek, die haar mond en

neus had omgeven en legde hem naast zich op tafel. Zij plaatste het

kleine toestel zoodanig, dat het precies kwam te staan voor den

persoon, die plaats zou nemen op den stoel dicht bij de deur.

Daarbij legde zij, als toevallig, eenige tijdschriften en couranten

over het vreemde toestelletje, zoodat een onwetende niets van de

aanwezigheid ervan kon vermoeden.

Juist was zij klaar met de toebereidselen, toen John binnentrad om haar

te melden, dat de vreemdeling gekomen was.

„Is het vreemdelingenbed in orde?”

„Ja.”

„Laat hem binnenkomen.”

Lady Ethel bleef bij de tafel staan met haar rug naar het venster,

zoodat haar gelaat in de schaduw was, terwijl het volle licht op den

binnentredende viel.

De deur werd geopend en lord Lister trad binnen.

Met een snellen blik nam hij de gestalte der dame op en sprak, een

hoffelijke buiging makende.

„Mylady heeft mijn brief ontvangen, zooals ik begreep uit de ontvangst

aan de kleine poort. Ik ben Harry Danby, graaf van Eaglestone.”

De lady scheen door de verschijning van den gewaanden Harry Danby

onaangenaam verrast te zijn. Zij had wel iemand verwacht, die door het

noodlot zwaar beproefd was, een geknakte, die smeekend tot haar kwam en

nu zag zij tegenover zich een man, die aan de manieren van een man van

de wereld een flink optreden, groote wilskracht en zelfbewustzijn

paarde.

Zij wees op den stoel, die het dichtst bij de deur stond en sprak, zelf

plaats nemende:

„Ik heb den brief ontvangen met de daarin door u uitgesproken

wenschen.”

„Ik dank u, mylady!” zei Raffles, terwijl hij plaats nam.

„Gij hebt geen reden tot dankbaarheid. Een vreemdeling komt hier en

beweert Harry Danby te zijn. Hoe wilt ge bewijzen, dat ge het inderdaad

zijt? Onze familie weet slechts, dat Harry sinds dertig jaren verdwenen

en naar alle waarschijnlijkheid dood is.”

„O, neen, mylady”, antwoordde lord Lister op vroolijken toon, „hij

leeft en verheugt zich in een uitstekende gezondheid!”

Hij kon dit met groote zekerheid zeggen, want vóór zijn vertrek uit het

hotel had hij van Harry Danby nog bericht ontvangen.

„Om u zekerheid te verschaffen, mylady, wil ik u iets toonen, dat u

zeker wel zal overtuigen. Kent ge dit medaillon en deze portretten?”

Lord Lister had het medaillon, dat hij van den echten Harry Danby

gekregen had, te voorschijn gehaald en toonde het thans lady Ethel.

Zij wierp er slechts een blik op en sprak toen zachtjes:

„Hij is het inderdaad.”

Lord Lister had leedvermaak over haar schrik.

Eindelijk begon de lady weder te spreken en op korten, scherpen toon

zeide zij:

„En wat wilt ge nu eigenlijk hier?”

„Dat is inderdaad een wonderlijke vraag, mylady; ik wil mijn erfenis

aanvaarden!”

„Ge schijnt te hebben vergeten om welke reden ge dertig jaar geleden

het ouderlijke huis moest verlaten!”

„O neen, dit geschiedde, omdat een wraakzuchtige, slechte vrouw

zichzelve tot dievegge had verlaagd om mij eer, naam, recht en bezit te

ontnemen. Thans, mylady, is het uur der vergelding gekomen. Dertig

jaren lang heb ik onschuldig geleden, thans echter zult ge de

rechtmatige straf niet ontgaan.”

Lord Lister was opgesprongen. Zijn gelaat gloeide in edelen toorn. Zijn

oogen schoten bliksemstralen.

Lady Ethel was bij die aanklacht in elkander gekrompen, alsof haar

zweepslagen waren toegediend. Thans keek zij op naar Raffles, die als

een god der wrake voor haar stond en een duivelsch glimlachje ontsierde

haar gelaat. Zij greep vlug naar den doek, dien zij te voren om mond en

neus had gedragen en terzelfdertijd drukte zij met haar linkerhand op

het knopje.

Een geweldige dampwolk vloog uit het kleine toestel, dat voor lord

Lister stond, omhulde deze in een oogenblik en verbreidde een

bedwelmenden geur door het geheele vertrek.

Dit alles geschiedde zoo plotseling, dat Raffles geen tijd had tot

nadenken. Instinctmatig drukte hij zijn zakdoek, dien hij in de hand

hield, tegen den mond, doch in het volgende oogenblik verloor hij het

bewustzijn en met een doffen slag viel hij ter aarde.

De lady rukte het venster open. Toen liet zij op een zilveren fluitje

een signaalteeken hooren.

Een oogenblik later trad John de kamer binnen. Ook hij had neus en mond

dichtgebonden. De lady wees hem op den man, die op den vloer lag.

John drukte op een veer naast de deur en al spoedig vertoonde zich een

opening in den rechtermuur vlak bij den vloer.

Men zag nu het begin van een stijl afdalende glijbaan. Hierop stond

bovenaan bij een opening in den muur een soort kleine slede.

John nam het lichaam van den bewustelooze, bracht het naar de opening

en schoof het er in. Vervolgens lichtte hij een hefboom op en met

huiveringwekkende snelheid vloog het lichaam van den ongelukkige in de

afgrijselijke diepte.

Alsof er niets gebeurd was, sloot John de klep in den muur en vroeg

toen aan zijn gebiedster:

„Wat gebiedt mylady, water of vuur?”

De lady had met de armen over elkander aan het venster gestaan en had

het verloop met koude onverschilligheid gevolgd.

„Water zal het bloed van dien ellendeling het spoedigste koelen. Ik

verwacht, dat ik nu voor goed van hem verlost ben! Hebt ge mij

begrepen?”

John boog en verliet het vertrek.

Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone · 第 10 / 23 题