DE BEIDE VRIENDEN

Inverary, de hoofdstad van het graafschap Argyll, ligt diep tusschen

ruwe, kale rotsblokken. Een weinig noordelijk van de hoofdstad strekt

een kleine landtong zich uit naar het Zuiden.

Op een der meest ontoegankelijke rotsen verheft zich een oud slot, dat

met zijn tinnen het ruwe bergland geheel beheerscht. Trots verheffen

zich de kanteelen van Eaglestone (Steen van den adelaar).

De geschiedenis van het kasteel Eaglestone gaat terug tot in de

twaalfde eeuw. Sinds 1680 was het, zooals wij reeds lazen, in het bezit

van het geslacht Danby, waarvan de oudste zoon graaf van Eaglestone

was.

In den loop der eeuwen is het uitwendige van het kasteel eenigszins

veranderd. In den vroegsten tijd bestond de burcht slechts uit hooge

gewelven, onderaardsche gangen en holen, die in de harde rotsen waren

uitgehouwen.

In later tijden is het eigenlijke kasteel op deze overoude grondvesten

opnieuw opgebouwd, zoodat er feitelijk een samenstelling is ontstaan

van den ouden burcht en het nieuwe kasteel. De totaal-indruk heeft

daardoor echter geenszins geleden, want ook de nieuwste opbouw is reeds

vier eeuwen oud en de tijd, die alles uitvaagt, heeft ervoor gezorgd,

dat ook dit gedeelte er grijs en verweerd uitziet.

De weg, die naar den burcht voert, is uiterst moeilijk.

Een goed voetganger kan dezen weg niet afleggen in korter tijd dan vijf

à zes uren. Als men dezen weg ten einde is gekomen, ziet men plotseling

een peilloozen afgrond aan zijn voeten, die ongeveer negen meter breed

is. Op de tegenover liggende rotsen verheft zich de poort van het

kasteel. Eerst als de geweldige ophaalbrug wordt neergelaten, kan men

het inwendige van die onverwinbare vesting betreden. Dit is de eenige

officieele toegang tot het kasteel. Er is echter nog een kleine poort,

die ongeveer tegenover den hoofdingang is gelegen en naar een smal pad

voert, dat voortslingert over de kam van het gebergte. Deze weg wordt

echter niet gebruikt.

In den volksmond leefde nog de sage voort, dat een onderaardsche gang

dwars door de rotsen zou loopen en uitkomen op het kerkhof van

Inverary. Men zou langs dezen weg in zeer korten tijd van het kasteel

naar Inverary kunnen komen. Eenigen beweerden, dat die weg slechts een

uur duurde, anderen waren de meening toegedaan, dat men er nog wel twee

à drie uren voor noodig had. In elk geval werd van dezen onderaardschen

weg slechts bij overlevering gesproken en geen sterveling wist te

zeggen, waar op het kerkhof van Inverary dan eigenlijk die gang wel zou

uitmonden.

In het Schotsche plaatsje heerschte heden eenige opgewondenheid. In het

hotel „De Koningin van Schotland” waren twee vreemde heeren aangekomen.

Den weinigen gasten, die in den namiddag in de gelagkamer bij elkander

zaten, vertelde de vrachtrijder op hun nieuwsgierige vragen, dat de

beide heeren met den trein van Edinburg waren gekomen en nog wel in een

coupé eerste klasse. Hij veronderstelde, dat het wel heel voorname

heeren moesten zijn, die waarschijnlijk iets op het slot te doen

hadden.

De beide heeren hadden twee der voornaamste kamers op de eerste

verdieping van het hotel genomen. De waard, die hen persoonlijk naar de

kamers had gebracht, wilde juist met een buiging zich verwijderen, toen

een der gasten zei:

„Breng ons een goede flesch! Wij zouden graag eenige inlichtingen van u

willen hebben; breng dus ook een derde glas mee en blijf ons wat

gezelschap houden. Wij kunnen dan gezellig wat babbelen en zijn er

meteen van overtuigd, dat de wijn drinkbaar is.”

De waard, een klein manneke met vrij ronden buik en kleine

varkensoogjes, grijnsde vergenoegd en zei, zich de handen wrijvend:

„’t Is een groote eer voor mij, heeren, maar ge kunt geheel onbezorgd

zijn, geheel onbezorgd, mijn wijnen zijn uitstekend.”

„We zullen zien”, antwoordde de grootste der beide heeren, terwijl hij

een sigaret uit zijn koker nam. De waard kwam behulpzaam met een

lucifer aan.

„Welke wijnsoort verlangt ge, mylord?”

„De beste, die ge in den kelder hebt.”

„Daar kunt ge op rekenen—op rekenen. De heeren zullen goed bediend

worden—goed bediend worden.”

De waard boog herhaaldelijk en ging heen.

Toen de deur gesloten was, begon de jongste der beide vrienden

smakelijk te lachen.

„Wat is dat een komische kerel, Edward! Die zegt alles dubbel!”

„Beste Charly”, zei Raffles, „hij vindt zich zelven zeker zóó

interessant, dat hij denkt, dat men hem wel twee keer kan hooren.”

Charly deed zijn koffer open en haalde er een doosje uit, dat hij

Raffles gaf.

„Overtuig je er nu zelf van, dat de pruik uitstekend gelukt is.

Romanroad heeft zichzelven overtroffen.”

John Raffles deed de doos open. Hij haalde het kleine medaillon, dat

Harry Danby hem gegeven had, uit den zak en vergeleek portret en pruik.

Hij knikte tevreden.

„Inderdaad uitstekend! Ik geloof zeker, dat, mèt den baard, Harry zelf

mij voor zijn gestorven vader zal houden. Ik hoop, dat dit kunstwerkje

ons uitstekende diensten zal bewijzen.”

Er werd geklopt.

John Raffles deed de pruik weer in de doos en riep toen:

„Binnen!”

De deur ging open en de waard trad binnen met een vriendelijk lachje.

Hij droeg drie wijnglazen op een blad en onder den linkerarm een flesch

wijn.

Hij zette het blaadje met de glazen op tafel en hield de flesch met

zegevierend gebaar omhoog.

„Ge zult tevreden zijn—tevreden zijn. ’t Is de beste, dien ik heb—dien

ik heb.”

Hij had het stof van de flesch geveegd en vulde nu de drie glazen.

Raffles proefde den wijn, nadat hij het glas tegen het licht had

gehouden en vol welbehagen genoot hij van het heerlijke bouquet.

De waard keek in gespannen aandacht naar de bewegingen van zijn

voornamen gast En toen zei hij zegevierend:

„Nu, had ik geen gelijk—geen gelijk?”

„De wijn is goed—ik ben tevreden”, antwoordde Raffles.

Het drietal klonk en de waard zei met een grappige buiging:

„Op uw welzijn! Opdat het u in mijn huis nog langen tijd moge

bevallen—moge bevallen.”

Charly kon zich niet weerhouden den waard na te doen en zei lachend:

„Daarop is alle kans—alle kans.”

Lord Lister bood den waard, die een beetje gekrenkt was over Charly’s

scherts, zijn sigarettenkoker.

Toen begon hij:

„Zeg eens, kunt ge ons niet eenige bijzonderheden meedeelen over de

lieden, die op Eaglestone wonen?”

De waard krabde zich eens het hoofd en keek Raffles verlegen aan.

Deze vervolgde:

„Ik zou gaarne iets omtrent hun doen en laten weten. Wij waren langen

tijd in het buitenland en komen nu uit Londen om eenige gewichtige

dingen met de bewoners te bespreken; het is dan altijd goed, dat men

van te voren een weinig is ingelicht.”

„Ah zoo, ah zoo!—Dan kan ik u helpen—u helpen! Lord Arthur is een beste

heer—een beste heer. Kwam hier vroeger dikwijls—heel dikwijls. Nu hij

getrouwd is, ziet men hem zelden meer—zelden meer. Men vertelt——”

Verschrikt hield de waard op.

Raffles schonk het glas van den waard nog eens vol en vroeg:

„Nu, wat zegt men? Ge kunt gerust spreken.”

„Och, het is niet erg—niet erg. Lady Mabel moet nogal eigenzinnig

zijn—eigenzinnig zijn. Lord Arthur was vroeger zoo vroolijk—zoo

vroolijk en nu—en nu—”

„Is hij nu niet meer vroolijk?”

„Neen, heelemaal niet—heelemaal niet. Altijd bedroefd—altijd bedroefd.”

„En”, vervolgde lord Lister, „wat is lady Ethel voor een dame?”

Toen de waard dezen naam hoorde, schrikte hij zichtbaar. Hij keek het

venster uit en zei zoo onbevangen mogelijk:

„Daar komt de stoomboot van Lochgalphaed.”

„Dat is inderdaad heel belangwekkend voor u, maar ik zou liever iets

over lady Ethel hooren.”

Toen Raffles opnieuw den naam van lady Ethel uitsprak, was het, alsof

de kleine dikkerd een stortbad kreeg. Hij zei op klagelijken toon:

„Ach heeren, daarvan weet ik niets te vertellen—niets te vertellen.”

„Ge behoeft ons alleen te vertellen, wat de lieden over het algemeen

beweren.—Is lady Ethel gezond?”

„Neen, heelemaal niet—heelemaal niet. Ze is al sinds jaren ziekelijk.”

„Nu—en verder?”

De waard haalde de schouders op en antwoordde niets.

Raffles begreep, dat hij op deze manier geen stap verder kwam. Hij

roerde vooreerst het onderwerp niet meer aan en dronk zijn glas leeg.

Toen vroeg hij, of er nog een flesch van hetzelfde merk te krijgen was.

De waard antwoordde bevestigend en verdween snel om de bestelling uit

te voeren.

Toen de deur gesloten was, zei Raffles glimlachend:

„Ik had niet gedacht, dat de man zoo goed kon zwijgen, maar ik zal zijn

tong wel los maken.”

De waard verscheen spoedig met de tweede flesch en Raffles begon nu

ijverig in te schenken en tevens druk te redeneeren over allerlei

onverschillige dingen.

Toen vroeg lord Lister plotseling:

„Lady Ethel is zeker heel vroom?”

„Die vroom—die vroom? Een duivel is ze—een duivel!”

Toen scheen hij tot bezinning te komen en zei:

„Vergeef mij, heeren, de lieden zeggen het ten minste—zeggen het.”

Raffles zette den kleinen man weer op den stoel en antwoordde:

„Kom, kerel, wees verstandig en vertel eens, wat de menschen zeggen. Ge

kunt ons ten volle vertrouwen; wij zullen er geen woord over

vertellen”.

In zijn grappig taaltje vertelde nu de waard, dat de oude lady in den

geheelen omtrek gehaat en gevreesd was. Men vertelde, dat zij een

verbond met den duivel had gesloten en kon heksen. De knechts der

leveranciers moesten verschrikkelijke kreten gehoord hebben en wisten

te vertellen van spookachtige verschijningen, van honden met vurige

oogen en andere ondieren.

Toen de waard zijn vertelling had geëindigd, dankte Raffles hem en

lachte om het bijgeloof en de dwaze praatjes. De waard verzekerde

echter plechtig, dat iets van deze geschiedenis waar moest zijn. In

ieder geval was het niet zuiver op het kasteel!

Raffles vroeg, of de waard er een knecht op nahield, die den volgenden

morgen een brief naar het kasteel zou kunnen brengen.

De waard antwoordde bevestigend en Raffles beval, dat de knecht om

zeven uur gereed moest zijn.

De Groote Onbekende bestelde toen een rijkelijk souper op zijn kamer,

nam schrijfgereedschap en zei tegen Charly, toen de waard vertrokken

was:

„En nu, beste jongen, zullen we lady Ethel ons bezoek aankondigen en

ons dan morgen in het hol van den leeuw wagen.”

Lord Lister No. 0019: De erfenis van Eaglestone · 第 8 / 23 题