Op den hoek van Kingsroad vonden de drie wandelaars een klein lokaal,
dat op dezen tijd nog niet druk werd bezocht.
De grootste der beide heeren, die den ongelukkige hadden gevonden,
bestelde een uitgebreid avondeten en warme dranken voor het drietal.
De onbekende was als ’t ware willoos; hij liet als een klein kind voor
zich zorgen en had nog nauwelijks een woord gesproken. Zijn blikken
echter zeiden des te meer en vol dankbaarheid hingen zij aan zijn beide
redders, die zich beijverden om door vroolijk gebabbel over alle
mogelijke onverschillige dingen zijn onaangename gedachten op de vlucht
te drijven.
Toen de grootste der beide vrienden zijn jas had uitgedaan, zag men een
elegante, buigzame gestalte. Het gelaat was fijn besneden en verried
hooge intelligentie. Iedere beweging wees erop dat deze persoon van
omstreeks dertig jarigen leeftijd behoorde tot de hoogste kringen.
Zijn vriend was jonger. Een kleine snor versierde diens bovenlip en in
het frissche gelaat keken een paar blauwe oogen goedmoedig de wereld
in.
Toen het drietal het avondeten had gebruikt, zei de oudste der beide
vrienden:
„Wij hebben thans den inwendigen mensch zoo’n beetje versterkt; nu is
het zaak om eens verder te praten. Wij wenschen ons niet aan u op te
dringen, maar wenschen u te helpen. Ik verzoek u dus, als ge daartoe
genegen zijt, ons iets naders omtrent uw persoon mee te deelen.”
De spreker reikte den vreemdeling de hand, die deze greep en vol
dankbare ontroering drukte. Toen zei hij met diepe stem:
„Ik dank u van ganscher harte voor de goedheid, die ge mij hebt
bewezen. Ge hebt er recht op, iets omtrent mij te vernemen. Ik wil mijn
noodlot geheel en al in uw handen leggen; gij zult over mijn verder
leven beslissen.”
„Dat is goed. Opdat ge echter weet, wie ge uw vertrouwen schenkt, wil
ik u eerst zeggen, wie wij zijn. Ik ben lord Edward Lister en dat is
mijn vriend Charly Brand.”
De vreemde stond op en boog.
„Mijn naam is Harry Leyden, en thans, heeren, luistert naar het verhaal
van mijn noodlot.”
En hij begon:
„Aan de westkust van Schotland ligt het graafschap Argyll, een ruw
berglandschap.”
Lord Lister knikte en sprak:
„Dat weet ik; die buurt is mij bekend.”
„Goed,” sprak Leyden, „dan behoef ik u niet te vermoeien met de
beschrijving van het landschap. Op ongeveer zes uren afstands van de
hoofdstad Inverary ligt, tusschen ruwe rotsen het kasteel Eaglestone.
Tot het midden van de zeventiende eeuw behoorde het aan de Schotsche
familie Campbell, die nog heden den titel graaf Argyll voert. Toen op
den 27sten Mei 1661 Archibald, graaf Argyll, een vriend van Cromwell,
als koningsmoordenaar werd onthoofd, viel het kasteel Eaglestone aan de
Kroon. In 1680 ging de bezitting over aan het geslacht Danby. De
beteekenis van dit geslacht voor de geschiedenis van Engeland zal u
zeker bekend zijn. Eaglestone is sindsdien tot op den huidigen dag in
het bezit van het geslacht Danby gebleven. Juist heden voor tien jaren,
op zijn 65sten geboortedag, stierf lord Robert Danby.”
Bij de laatste woorden smoorde de spreker een snik en heete tranen
ontrolden zijn oogen.
Lord Lister legde de hand met bemoedigend gebaar op Leyden’s arm en
deze vervolgde op meer vasten toon:
„Ge zult er u over verbazen, heeren, dat deze zaak mij zoo ontroert
Maar—lord Robert was mijn vader. Ik heet eigenlijk: Harry Danby, graaf
van Eaglestone.”
Harry Danby vervolgde thans opgewonden:
„Toen ik veertien jaren oud was, stierf mijn moeder. Nadat mijn vader
de overledene vier jaren oprecht betreurd had, trouwde hij op
39-jarigen leeftijd met Ethel Vanderford. Zij had de kunst verstaan,
mijn vader door allerlei vrouwelijke trucs in te palmen. Hij was steeds
een oprecht karakter geweest en begreep niet dat de liefde van lady
Ethel slechts gehuicheld was; dat het haar slechts te doen was om zijn
rijke bezitting.
„Nauwelijks een jaar na het huwelijk werd een zoon geboren en sinds dat
oogenblik deed mijn stiefmoeder alles om mij, wien de bezitting eens
ten deel moest vallen, te verdringen. Ik begreep in den beginne niets
van al de sluwe streken dier listige vrouw, maar later werd mij haar
handelwijze volkomen duidelijk.
„Het was haar er om te doen, het hart van mijn vader hoe langer hoe
meer van mij te vervreemden en dit werd haar des te gemakkelijker
gemaakt, wijl ik haar zelf daartoe in de gelegenheid stelde.
„Door vrienden was ik in gezelschap verzeild geraakt, waar men het
grootste levensgenot zoekt in spel en weddenschap. Ik geraakte al
spoedig in den maalstroom en met de gedachte, dat ik toch eens een
rijke erfgenaam zou zijn, zag ik op geen geld; het goud rolde mij door
de vingers.
„Lady Ethel had, bezorgd als zij was voor haar zoon, aan wien deze
anders zoo liefdelooze vrouw hing met geheel haar hart, mijn vader
steeds weer op mijn verkwistende leefwijze opmerkzaam gemaakt. Het kwam
tusschen hem en mij tot hevige uitbarstingen en hij verklaarde mij ten
slotte, dat hij geen schulden meer van mij wenschte te betalen.
„Ik moest hem de hand erop geven, soliede te worden en slechts onder
deze voorwaarden betaalde hij mijn schulden.
„Lady Ethel speelde een onwaardig spel. Terwijl zij achter mijn rug
mijn vader voortdurend tegen mij opzette, deed zij zich aan mij steeds
voor als een liefhebbende moeder.
„Op zekeren dag echter vielen mij de schellen van de oogen en ik
bemerkte vol ontzetting, welk een slechte vrouw zij was.
„Hoewel ik mijn vader mijn woord had gegeven, mij te zullen beteren,
was ik toch weer gaan spelen en moest een schuld van twaalf duizend
gulden binnen 24 uren afdoen. Ik waagde het niet, vader dit te
bekennen, want ik vreesde zijn rechtmatigen toorn. En in mijn grooten
angst wendde ik mij tot mijn stiefmoeder.
„Zij, die zich steeds zoo hulpvaardig had betoond, beloofde ook thans,
mij te helpen en mijn dankbaarheid kende geen grenzen. Ik viel voor
haar op de knieën en kuste haar handen. Zij verscheen mij als een goede
engel en was toch inderdaad de zwartste duivel die ooit op aarde
rondwandelde. Des avonds wilde zij mij het geld brengen.
„In dien tijd logeerde een groot jachtgezelschap op het kasteel, dat
den volgenden morgen een drijfjacht zou ondernemen.
„Vol ongeduld wachtte ik het oogenblik, waarin mijn stiefmoeder mij de
duizend pond sterling zou brengen. Het werd al later en later. Ik was,
volgens afspraak, op mijn kamer gebleven en brak mij het hoofd over de
vraag, waar lady Ethel die groote som toch vandaan zou halen, maar
tenslotte vergenoegde ik mij met de zekerheid, dat ik spoedig in het
bezit zou zijn van de vereischte som en mijn schulden kon delgen,
zonder dat vader iets vernam van mijn nieuw vergrijp.
„Het was reeds elf uur, toen zacht aan mijn deur werd geklopt. Ik
opende en mijn stiefmoeder duwde mij vlug een portefeuille in de hand.
Zij legde den vinger op den mond, mij tot zwijgen dwingend en ging snel
weer heen.
„Ik deed de portefeuille open en vond daarin tot mijn onuitsprekelijke
vreugde de ronde som van duizend pond. Ik kuste de portefeuille en
dacht daarbij vol dankbaarheid aan de edele geefster. Daarna ontkleedde
ik mij en legde mij ter ruste. De portefeuille had ik op het
nachttafeltje gelegd.
„Met de gelukkige zorgeloosheid der jeugd sliep ik in en vertoefde al
dra in het land der droomen.
„Ongeveer een uur had ik geslapen, toen ik door luid rumoer gewekt
werd.
„Ik sloeg de oogen op, en zag mijn vader, die met een zijner vrienden
in mijn kamer stond. Zij waren gekomen om mij te wekken, want het
volgende was er voorgevallen.”
Leyden, of beter gezegd lord Danby hield even op en bedekte het gelaat
met de handen. Een diepe zucht ontsnapte zijn borst.
Na een korte pauze vervolgde Danby zijn verhaal.
„Toen het jachtgezelschap tegen middernacht zich naar de slaapkamers
had begeven, ontdekte een der gasten, dat hij een portefeuille met 1000
pond sterling miste. Hij begon zijn kamer te doorzoeken en ging toen
naar de eetzaal terug, waar hij mijn vader aantrof. Hij achtte zich
verplicht, den gastheer het gebeurde mede te deelen en deze was ten
zeerste ontsteld, dat zoo iets in zijn huis had plaats gevonden.
„Men wilde terstond de dienstboden ondervragen. Als zoon des huizes zou
ik den heeren daarbij behulpzaam zijn en daarom kwam mijn vader mij
wekken.
„Het is onmogelijk te beschrijven, wat thans gebeurde.—Toen men licht
in mijn slaapkamer had gebracht, zag de eigenaar terstond de hem
behoorende portefeuille op het nachttafeltje liggen. Mijn vader was
buiten zich zelven. Hij wilde mij te lijf om mij te worgen.
„In mijn angst en verwarring bekende ik alles: mijn lichtzinnigheid,
mijn speelschulden. Ik vertelde ook, dat mijn stiefmoeder mij deze
portefeuille gebracht had en dat ik ze had aangenomen, in de
veronderstelling, dat lady Ethel mij wilde helpen.
„Mijn vader liet lady Ethel terstond ontbieden. Sidderend wachtte ik
haar komst, opdat die afschuwelijke verdenking zoodra mogelijk van mij
zou worden afgewend. Zij verscheen al heel spoedig—en—ik dacht mijn
verstand te verliezen—zij—ontkende alles.— —
„Koud, met een hoonlach op het gelaat, zei ze mij, dat ik wel gedroomd
moest hebben. Nooit had zij zich op eenige wijze ingelaten met den
lichtzinnigen zoon; nog veel minder eraan gedacht, hem op eenigerlei
wijze te steunen of voor hem een gast te bestelen. Het was schandelijk
van mij, haar van zooiets te beschuldigen.
„Mijn vader, die nu niets anders kon gelooven, dan dat ik den gast had
bestolen om mijn schulden te betalen en dat ik nu nog zijn echtgenoote
op schandelijke wijze verdacht wilde maken, vloog in toomelooze woede
op mij af. Plotseling sloeg hij met zijn handen in de lucht en stortte
ter aarde; een beroerte had zijn rechterzijde verlamd.”— — — — — —
Met doffe stem vervolgde Harry Danby:
„Nu nog zie ik alles voor mij. Vader, worstelend met den dood, lag op
den vloer; zijn oogen, waaruit ontzetting, woede en schaamte spraken,
waren op mij gericht. Dra was hij door vrienden omringd en op den
achtergrond stond, koel, hoogopgericht, de vrouw, die mijn grenzelooze
vertwijfeling zag en maar glimlachte, zooals dat slechts de duivel kan.
Met een laatste krachtsinspanning wees vader mij de deur.— — — —
„Ik was geheel buiten mijzelven. Ik kon mijn gedachten niet bij elkaar
houden en, als door furiën achtervolgd, vloog ik bij nacht en ontij de
deur uit. Ik rende door velden en weiden, zonder te weten waarheen,
totdat ik aan den rand van een sloot uitgeput neerviel.
„Hier vond een arme kolenbrander mij den volgenden morgen. Hij nam mij
mede en verpleegde mij, want hevige zenuwkoortsen hadden mij
aangegrepen.
„Toen ik eindelijk weer beterde en de crisis voorbij was, schreef ik
mijn vader. Ik legde hem nog eens alles uit en zwoer hem, bij de
nagedachtenis van mijn gestorven moeder, dat ik onschuldig was. Ik
kreeg geen antwoord. Drie dagen wachtte ik. Toen ging ik naar het
kasteel. Ik werd echter niet ontvangen. Den volgenden dag echter
ontving ik een brief. Mijn hart klopte van blijde verwachting. Toen ik
de enveloppe opende, vielen er eenige bankbiljetten uit, maar er was
geen letter bijgevoegd.
„Ik was wanhopig.
„Nadat ik eenigszins tot kalmte was gekomen, nam ik zooveel van het
geld, als ik voor de reis naar Londen noodig had. De rest liet ik den
armen kolenbrander voor zijn zorgvuldige verpleging. Ik nam afscheid
van de menschen, die mij zoo liefdevol hadden opgenomen en vertrok naar
Londen. Daar liet ik mij op een schip aanmonsteren, dat naar Australië
ging en was voor mijn familie dood en vergeten.
„Bij mijn vlucht had ik geen papieren meegenomen en ik was dus niet in
staat, mijn identiteit te bewijzen.
„Het eenige, wat ik nog bezit, is dit medaillon. Het is een aandenken
aan mijn overleden moeder, die het mij op haar sterfbed om den hals
hing.”
Bij deze woorden, haalde Harry Danby een medaillon te voorschijn en
reikte het lord Lister. Het was een klein, ovaal voorwerp, dat aan den
voorkant het familiewapen der Danby’s toonde: een springende leeuw en
een hert. Daarboven zweefde een adelaar met uitgebreide vleugels. In
het medaillon waren de miniatuur-portretten van Danby’s vader en
moeder.
Lord Lister liet Charly Brand het medaillon zien en gaf het toen den
eigenaar terug.
Harry Danby vervolgde nu zijn verhaal.
„Wat moet ik nog verder vertellen, heeren? Toen ik in Australië op een
boerderij werk had gevonden, schreef ik mijn vader nogmaals een
uitvoerigen brief, maar wederom kreeg ik geen antwoord. Ik ben er thans
van overtuigd, dat mijn vader nooit mijn brieven heeft ontvangen. Die
satansche vrouw heeft ze onderschept. Als haar boosaardig plan wilde
gelukken, dan mochten mijn brieven, die vaders oordeel konden wijzigen,
hem nooit onder de oogen komen. Ik, haar stiefzoon, moest voor de
familie dood zijn en blijven, opdat haar eigen zoon, Arthur, alles zou
ten deel vallen.
„Mijn laatste dertig jaren waren vreeselijk voor mij. Het was alsof de
vadervloek, die zoo geheel onverdiend over mij was uitgesproken, alle
geluk had vernietigd. Ondanks alle moeite heb ik nooit eenig
noemenswaard kapitaal kunnen verwerven. Ik kon nauwelijks in eigen
onderhoud voorzien.
„Den naam Harry Leyden, dien ik bij mijn vlucht uit Europa had
aangenomen, behield ik. Later leerde ik nog Azië, Afrika en Amerika
kennen, maar alle aangewende moeite was tevergeefsch. Ik keerde twee
jaar geleden naar Engeland terug. Hier ging het mij nog slechter.
Ofschoon de verleiding mij vele keeren in verzoeking bracht, ben ik tot
het laatste uur stipt eerlijk gebleven en heb mij aan geen enkele
misdaad schuldig gemaakt. Daar ik echter uit deze ellende geen uitweg
meer zag, wilde ik een einde maken aan mijn ellendig bestaan. Toen zijt
gij gekomen en hebt mij teruggeroepen tot dit aardsche tranendal.”
Lord Lister scheen diep getroffen door alles, wat hij gehoord had,
evenals Charly. De donkere oogen van den lord gloeiden van toorn en hij
zei tot zijn secretaris:
„Dat is wat voor ons, mijn jongen. Die vrouw moet gestraft en deze
ongelukkige in eer hersteld worden.”
Charly drukte zijn vriend de hand.
„Ik ben het ditmaal volkomen met je eens, Edward, en wil van ganscher
harte helpen, voor zoover het in mijn macht is.”
Harry Danby schudde bij deze woorden droef het hoofd en zei op triesten
toon:
„Ik dank u hartelijk voor deze deelneming, maar ik verzoek u, geen tijd
en moeite voor mij te verspillen. Mijn leven is toch geknakt, ik geef
niets meer om het bezit van rijkdommen. Mijn stiefbroeder Arthur mag
alles behouden. Wat mij zoozeer ter neder drukt is de gedachte, dat
mijn vader gestorven is, zonder overtuigd te zijn van mijn onschuld.”
„Neen”, zei lord Lister, „ge zult en moogt niet zoo spreken. Hoe ge met
uw onschuldigen stiefbroeder wilt handelen, moet gij weten, maar uw
onschuld moet klaar worden bewezen. Leeft die vrouw nog?”
„Ja! Ik heb van tijd tot tijd inlichtingen ingewonnen en weet, dat ze
voor korten tijd nog leefde!”
„Goed. Dan moet ze haar schuld bekennen en u in eer herstellen. Men
heeft u in uw geboorteplaats nooit teruggezien en weet niets van u af.
Ik zelf zal, als Harry Danby, mij in het hol van den leeuw wagen. Mijn
vriend volgt mij en het zal ons beiden zeker gelukken, u in uw rechten
te herstellen. Wilt ge uw lot in mijn handen leggen?”
Lord Lister stak zijn hand over de tafel uit. Harry sloeg er in en zei:
„Ge hebt mij het leven gered, ik ben u dank verschuldigd Ge kunt doen,
wat ge wilt.”
„Dan moet ge naar Londen gaan. Hier zijn honderd pond voor uw eerste
uitgaven.”
Harry Danby weerde het a£.
Lord Lister echter zei:
„Neem dit, beste vriend, als ge in het bezit van uw rechtmatig eigendom
zijt gekomen, kunt ge mij het geleende wel terugbetalen. Ik heb u
noodig voor de uitvoering van mijn plan; ge moet daarvoor gezond en
frisch zijn. Wij zullen briefwisseling met elkander houden, want uw
inlichtingen kunnen voor mij van het grootste belang zijn. Kom mij
morgen vroeg bezoeken en vertel mij dan, waar ge woont. Ik denk, dat we
reeds vanavond kunnen afreizen.”
Lord Lister gaf Harry zijn adres en vroeg hem om het kleine medaillon.
„Ik wil u nog iets zeggen”, sprak hij toen. „Ik heb mij tegenover u
lord Lister genoemd. Dat komt uit. Maar men kent mij nog onder een
anderen naam, waarvan de klank allesbehalve aangenaam is voor mijn
vrienden van Scotland Yard. Ik ben John Raffles.”
Zonder een antwoord af te wachten, verdwenen lord Lister en Charly.
Verbluft keek Harry het tweetal na. De naam van dien man was hem wel
bekend en hij wist, dat deze er een sport van maakte, onrechtmatig
verkregen goed door geweld weer terug te bezorgen aan den rechtmatigen
eigenaar.