"Dat weet ik niet."
"Dan hoop ik dat je het spoedig weten zult," zei hare tante vriendelijk
en met nadruk. Even later had zij de kamer verlaten.
Het was met een gemengde gewaarwording van teleurstelling en
verlichting dat Elsje, toen zij beneden kwam, bemerkte dat niet
alleen hare tante, Cécile en Louise vertrokken waren, maar dat ook
Frits reeds ontbeten had en naar het dorp gegaan was om boodschappen
te doen. Tegen koffietijd kwam hij terug, maar terstond na het lunch
ging hij naar zijn kamer, waar hij "allerlei te beredderen" had,
zooals hij beweerde. Grootmama en Elsje gingen toen samen buiten zitten
handwerken, maar het was een vreemde, ongezellige middag, vond de oude
dame en wat Elsje betreft--zij was zoo stil en tevens zoo ongedurig
dat grootmama haar telkens vroeg, of de hoofdpijn nog niet over was
en of zij niet eens even zou gaan liggen. Elsje was blij, toen het
etenstijd was, maar bedaarder werd zij er niet op, toen Frits haar
na den eten aarzelend vroeg, of zij lust had nog eens naar de heide
te wandelen, naar het bekende plekje, dat zij zoo mooi vond. "O ja,
ik wil heel graag," zei ze snel--ze durfde nu niet te zeggen dat ze
eigenlijk liever alleen uit wilde gaan--"dan neem ik een boek mee,
als je 't goed vindt, het lijkt me zoo prettig toe, daar een beetje
te gaan zitten lezen."
"Zeker, dat vind ik uitstekend," antwoordde Frits, "ik zal ook een
boek halen."
Een paar minuten later wandelden zij, ieder gewapend met een boek,
de bewuste dennenlaan door naar den heuvel bij de heide. Frits had
ook nog een klein pakje in zijn hand. Elsje begreep volstrekt niet,
waarom hij dat meenam en wat het bevatten kon--het was een bruin
papieren pakje en zij keek er een paar malen nieuwsgierig naar, maar
durfde toch niet vragen, wat er in het papier was. Zij voelde zich weer
vervelend verlegen en weinig op haar gemak. Het was onuitstaanbaar,
en als Frits nu maar wat meer gepraat had en er niet zoo ernstig had
uitgezien, juist alsof hij nog wat boos op haar was, zou ze wel gauw
wat minder geagiteerd geworden zijn, geloofde ze. Nù was ze heel blij,
toen ze het heuveltje beklommen hadden en de heide zich in al hare
pracht van geur en kleuren voor hunne oogen uitstrekte.
"Hier ga _ik_ zitten," zei Elsje, terwijl ze zich neervlijde tegen
de zachte glooiing van den rand der heide.
"Dus dat beteekent dat ik verder mijn heil moet zoeken?" vroeg Frits
lachend. "Of is daar heusch plaats voor twee?"
"Natuurlijk wel."
"Zit je gemakkelijk?" vroeg Frits weer, met zijn elleboog onder het
hoofd, in liggende houding voor zich uitkijkend en met zijn boek nog
ongeopend naast zich op den grond. Elsje sloeg met ijver de bladzijden
van het hare om.
"O ja, heel gemakkelijk," zei ze, zonder op te zien, hoewel ze heel
goed voelde dat Frits haar aanzag.
"Wat lees je op 't oogenblik?" vroeg hij even later, zonder zijne
oogen van haar gezicht af te wenden, dat beurtelings bleek en rood
werd, tot Elsje's diepe ergernis.
"Nu, wat lees je? Het is zeker een erg mooi gedeelte van het boek,"
begon hij weer. "Je bent er zoo in verdiept."
Elsje zou niet hebben kunnen antwoorden op die vraag, al had zij ook
nog zoo graag gewild. Zij _wist_ niet wat zij las, heelemaal niet
en zij vond dat het zoo niet langer uit te houden was en ongeduldig
opspringend, riep zij uit:
"Ik ga nog even een eind loopen. Het is hier zoo... zoo benauwd,
vind ik."
"Benauwd?" riep Frits verwonderd, terwijl hij eveneens opsprong. Maar
niettegenstaande zijn verbazing over Elsje's woorden, scheen hij
het zelf ook opeens wat "benauwd" te krijgen. Hij zag er ten minste
niets koel en kalm uit, toen hij voor Elsje ging staan en haast
fluisterend vroeg:
"Wil je mij je horloge nog eens laten zien?"
Met een zucht van verlichting dat de vraag zoo gewoon was, haalde
Elsje het horloge te voorschijn. Frits hield het even in zijn hand,
toen vroeg hij dringend:
"Wil je me voorlezen, wat er op staat, Roodkapje?"
Elsje maakte het kettinkje los en hem het horloge nog eens overreikend,
zei ze:
"Lees het zelf maar, het staat er duidelijk op."
Hij keek haar even zwijgend aan, toen zei hij langzaam:
"Ik wou veel liever dat jij het deedt."
"O, heel goed," antwoordde ze met gemaakte luchthartigheid. "Er staat:
'Aan mijne lieve kleindochter.' Aardig van grootmama, he?"
Frits vond het zeker bizonder aardig, maar hij liet er zich toch
niet over uit. Zijne oogen stonden heel ernstig, terwijl hij toezag,
hoe Elsje haar kettinkje met bevende vingers weer vastmaakte; toen
greep hij hare beide handen en vroeg:
"Wil je dat wezenlijk zijn, Elsje? Wil je grootmama's kleindochter
worden in werkelijkheid?"
"Hoe...hoe dan?" vroeg ze angstig.
"Begrijp je dat niet?" vroeg hij snel, maar op hetzelfde oogenblik
zag hij dat zij het wèl begreep. Er kwam een glans van geluk in hare
oogen en een gloed over haar gezichtje, die hem duidelijk zeiden, wat
haar antwoord zou zijn op zijn vraag en toch herhaalde hij ongeduldig:
"Wil je, Elsje, wil je?"
"Cécile..." stamelde ze, "ik dacht dat Cécile en jij..."
"Dacht je dat?" vroeg hij, erg verbaasd. Toen vervolgde hij langzaam:
"Maar nu weet je wel beter, he? En wil je me gelukkig maken? Wil je
mijn vrouwtje worden, Elsje? Zeg toch wat; wil je, wil je?"
"Ik wil wel," zei ze, niet zacht en verlegen, niet half coquet en
aarzelend, maar met een heldere stem, duidelijk en vast en met een
reine, vrome liefde in de oogen.
Een oogenblik later zei Frits, terwijl hij met een vroolijk gezicht het
pakje te voorschijn haalde, dat Elsje's nieuwsgierigheid had opgewekt:
"Ik heb van ochtend een cadeautje voor je gekocht in het dorp. Wil
je het van mij aannemen?"
"Als het mooi is," zei Elsje lachend. Zij maakte het touw los, vouwde
het papier open en hield toen een rood wollen kapje in de hand,
precies gelijk aan dat, waarmee Frits haar het eerst gezien had.
"Dank je wel," zei ze. "Hoe aardig!"
"Laat ik het je nu eens even opzetten," zei Frits, haar den hoed
van het hoofd nemend. "Zoo, eerst moet al dat springerige haar goed
glad gestreken worden. Neen, laat mij maar begaan, ik kan er best mee
terecht. Ziezoo, het past je uitstekend! Kijk me nu nog eens goed aan,
dan kan ik zien, of het heusch goed zit."
Zij zag hem aan en kreeg een kleur voor de uitdrukking, die ze in
zijne oogen las.
"Ja juist, zóó moet je ook kijken, als wij straks bij grootmama
komen," zei hij. "Neen, neen, je houdt het kapje op; ik zal je hoed wel
dragen en je boek ook. Ziezoo, geef mij nu een arm. Wat zal grootmama
blij wezen!"
"Denk je dat heusch?"
"Denk ik dat heusch? Ja mevrouw Frits d'Ablong, dat denk ik
wezenlijk. Neen, krijg nu maar niet weer een kleur! Of ja, doe het
toch maar wel: het staat je niet kwaad."
Zij waren niet heel ver van huis, maar wat duurde die wandeling
lang! Zij hadden zooveel te bespreken samen, zooveel, en Elsje had
van allerlei te vragen.
"Line mag toch zeker op onze bruiloft komen, he Frits? En weet je
wat ik zoo graag zou willen? Dat we heel gauw eens samen een bezoek
maakten bij dien kruidenier, je weet wel, in dien winkel, waar ik toen
's nachts heb geslapen, jaren geleden met die akelige partij. Tante
wou nooit dat ik er weer heenging, maar jij vindt het toch goed, he?"
Frits vond alles goed. Zij zouden een visite maken bij den kruidenier
en het dorp gaan bezoeken, waar Elsje was geboren en zoo lang had
gewoond en Elsje zou hem de oude plekjes wijzen, waar zij als kind
zooveel had gewandeld en zij zouden heel gauw trouwen, als grootmama
en tante het goed vonden en alles zou even heerlijk en prettig wezen.
"Grootmama, Roodkapje wil mij wel hebben," zei Frits, toen zij
eindelijk bij de oude dame stonden, die al lang naar hen had
uitgezien. Zij wist al sedert weken dat Frits Elsje tot vrouw
verlangde.
"Mijn lief kleindochtertje," zei ze, Elsje in de armen sluitend. Toen,
met een vroolijk lachje:
"Wel, nu ben je heusch Roodkapje! Hoe komt dat?"
"Dat heeft ze aan mij te danken," zei Frits met trots. "Kijk,
daar bloost ze alweer! Zij is bepaald een beetje bang voor me,
grootmoeder. Niet kwaad, he?"
"Och wat, ik ben heelemaal niet bang voor je!" zei Elsje
verontwaardigd.
"Ook nooit geweest?" plaagde Frits. "En gisteravond dan?"
"Ik ga terstond naar mijn kamer als je zoo onaardig bent," zei
Elsje. "Gaat u dan mee naar boven, grootmama?"
"Wel neen, daar denkt grootmama natuurlijk niet aan. Je bent mij nu
gehoorzaamheid verschuldigd en moet doen, wat ik zeg. Kom maar gauw
hier, dan zal ik je je roode kapje afzetten. Ik geloof dat dat je
zoo brutaal maakt."
"Ik kan het zelf wel," zei Elsje, het kapje losmakend en de kamer
uitloopend naar boven naar haar kamer. Zij had behoefte eens even
alleen te zijn met haar geluk en er God voor te danken.
"Wat ben ik blij voor je, mijn jongen!" zei grootmama, toen ze met
Frits alleen was gebleven.
Iedereen scheen blij te wezen met Elsje's engagement, merkte zij
met vreugde op. Hare tante was uitbundig in hare betuigingen van
blijdschap en zelfs Cécile beweerde dat zij het erg aardig vond dat
die twee "echte buitenmenschen" het samen eens waren geworden.
"Je bent zeker zoo vervuld geweest van je engagement, dat je het
heelemaal niet vreemd vond dat mama en ik plotseling voor twee dagen
uitgingen," zei ze tot Frits aan den avond van den dag, waarop mevrouw
d'Ablong en zij teruggekomen waren.
"Grootmama zeide dat alles een verrassing wezen moest," zei Frits,
en ik heb dus heel gedwee naar niets gevraagd. Wij hebben ons erg
goed gehouden, is het niet, Roodkapje?"
"Ja, dat dunkt mij ook."
"Jij moet nu ook maar eens gauw een keuze doen, Cilly," zei grootmama
lachend en met een veelbeteekenend knikje.
"Dat is niet meer noodig, grootmoedertje, dat weet u wel," zei Cécile,
trotsch het hoofd in den nek werpend. "Het is nu bijna September en
over een dag of tien wordt mijn engagement publiek."
"O Cilly, hoe aardig! Maar wat heb je dat prachtig geheim gehouden! En
wie is de gelukkige?" vroegen Frits en Elsje te gelijk.
"Mijn aanstaande man is van adel en heeft een buitenplaats even buiten
Utrecht," zei Cécile fier. "Hij heet Victor,--Jonkheer Victor van
den Berkenhorst. Je kent hem wel een beetje, Frits."
"Jawel," zei Frits peinzend. "Heb ik hem niet ontmoet op dat bal bij
mevrouw van Rensen van den winter?"
"Ja, hij ziet er heel knap uit, lang en blond. Hij studeert nog, maar
hij is heel gauw klaar. Wij hadden zoo graag ons engagement eerder
publiek gemaakt, maar zijn vader is een maand of vijf geleden gestorven
en nu wilde zijn moeder liever dat wij tot het najaar wachtten. Mama
en ik zijn nu een paar dagen bij haar geweest; zij woont beelderig
mooi in Utrecht."
"Niet zoo prettig als wij wonen zullen, toch zeker," fluisterde Elsje
zacht tot Frits. "Ik vind het zoo heerlijk dat ik mijn verdere leven
niet in een stad zal behoeven door te brengen, en dat wij grootmama
zoo dicht in de buurt zullen hebben."
"Als je maar geen last van mij krijgt," zei de oude dame lachend. Zij
had Elsje's laatste woorden juist gehoord.
"Daar zijn wij niet bang voor, is het wel Roodkapje?" vroeg Frits.
"Neen, in 't geheel niet," antwoordde Elsje ernstig. "Ik ben juist
zoo heel dankbaar dat ik grootmama dan werkelijk met recht bij dien
naam zal mogen noemen."