Elsje
Door
A.C. Kuiper,
Schrijfster van "Anneke", "Een Hollandsch meisje op een engelsche
kostschool", enz., enz.
Geïllustreerd door A. Wijthoff
Derde druk.
Haarlem Vincent Loosjes 1906.
Hoofdstuk I.
Een vroolijke Wandeling.
"Als 't je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en
kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar,
ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel
voorzichtig, hoor. Dag ventje!"
En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje
van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar
gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de
volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd,
het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep
hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar
verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen
en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten,
dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop
echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje,
eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween.
"Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen," zei de bediende,
den winkel weer binnengaand. "En wat moet jij nu hebben, Elsje?" vroeg
hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond
te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen
en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even
onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de
kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om
haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt
was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden
rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige
schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor
de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets
kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat
het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder
aantrekkelijk maakte.
"Alles is weer op bij ons," zei ze lachend, waarbij een rij witte
tanden zichtbaar werd. "Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort
en wat rijst en meel en bruine boonen--van alles weer evenveel als
altijd, als 't je blieft. Hier is mijn mand."
En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op
de toonbank.
"Grootmoeder wat beter?" vroeg de bediende, terwijl hij de
verschillende zaken afwoog en in zakjes deed.
"Neen, niet veel," antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op
haar gezicht. "De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft
haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week."
"Het zal langzamerhand wel in orde komen," klonk het op
geruststellenden toon uit den mond van den bediende, "als de winter
maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!" vervolgde hij, zich tot een
jongen wendend, die den winkel inkwam. "Ben je gevallen, baas? Je
ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in
de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is."
"Och, dat droogt wel weer op," zei de jongen, achteloos een veeg
over de bewuste mouw gevend. "Twee ons klontjes voor de koffie, als
't je blieft."
"Ziezoo, klaar is Kees," hernam de bediende, Elsje de gevulde
hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. "Dag kinderen,
plezierige wandeling samen!"
De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het
hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór
Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik
bij hem opkwam haar voor te laten gaan.
Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en
den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en
frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte
met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende
open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre
grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden
rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende
waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen,
schitterend als zoovele diamanten.
Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast
haar jeugdigen geleider voortstapte. Het was haar aan te zien dat
haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten
en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou:
"Hè, hoe verrukkelijk mooi!" De jongen naast haar liep, een vroolijk
deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de
gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden,
drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen
Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen
schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed
gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan
die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat
zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen
doen juichen en ernstig zijn te gelijk--het was een zekere heilige
bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want
in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor
de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed
verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de
dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over
't algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets
buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren
toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd
met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half
uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds
jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en
daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij
daarvan nu op haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon.
"Hè," zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, "wat is het
vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in
de zon!" vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage,
kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan
ontelbare waterdroppels flikkerden.
"Ja, allerprachtigst!" lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend,
schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend:
"En ze spatten ook zoo mooi!"
In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met
haar hand afvegend, riep ze: "Dat zal ik je betaald zetten!"
"Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!" plaagde
hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel
als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden.
"Vreeselijke jongen!" riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een
loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen.
Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine
boerderij voerde, waar hij thuis hoorde.
"Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!" hijgde
Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was,
zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan.
"Gelukkig," zei ze, zich bukkend om haar op te nemen.
"Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!" klonk de stem
van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel
van den struik, waaronder zij zich gebukt had en dien hij uit alle
macht schudde.
Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af
geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al
weer in en niets dan een plagend geroep van: "Dag Els, dag Els!" bewees
dat hij nog in de nabijheid was.
"Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!" riep
ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren
en toen in huis verdween.
"Ik zal hem wel," zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, "hij
behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen,
die brutale jongen!" En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male
het gezicht afveegde.
En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere
aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien,
deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of
in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte
kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af
tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren,
die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren
getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te
helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te
zien met een: "Hè, heerlijk!" van innige bewondering, voordat ze het
korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder
bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen
en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die
thans door de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het
vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit,
geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar
vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen
op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door
de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst
deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante
houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den
bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten
muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel
met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing
een verschoten merklap, door Elsje's grootmoeder bewerkt, toen ze nog
een kind was, terwijl de portretten van Elsje's ouders op de latafel
prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders,
twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een
staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast
den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd,
terwijl een netjes gerimpelde strook of "val" langs den zwarthouten
schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de
grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een
fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het
portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen
en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den
fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even
minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende
gelaat bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis
waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere,
sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker
was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare
slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even
onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren
rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk
zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden.
Elsje leek niets op haar grootmoeder. Hare oogen waren lichtblauw,
evenals die harer eigene moeder geweest waren, ook had zij hetzelfde
geelblonde, touwachtige haar van haar moeder. Fijn besneden waren hare
trekken volstrekt niet, maar om haar frissche roode lippen lag, zooals
wij reeds gezegd hebben, iets guls en prettigs, en uit de vroolijke,
blauwe oogen straalde een glans van tevredenheid en geluk, die een
groote aantrekkelijkheid verleende aan haar gezicht.
Haar grootmoeder keek Elsje met welgevallen aan, zooals ze thans voor
haar stond met wangen rood van de koude en oogen, nog schitterend
van het genot, dat de mooie wandeling haar had bezorgd.
"O grootmoeder, wat is het heerlijk buiten!" zei ze, de mand op de
tafel zettend. "Ik wou dat u het ook allemaal eens gezien hadt! De
zon schijnt zoo mooi en het is zulk lekker weer om te loopen en alles
schittert even prachtig en...."
"Ja, ja, ik wil het wel gelooven," zei de oude vrouw, lachend haar
kleindochtertje in de rede vallend, "maar maak nu maar een beetje
voort. Je moet het plaatsje nog schrobben en de koffie malen en dan
verlang ik erg dat je eens flink aan het breien gaat. Je bent ook
nogal lang weg geweest, dunkt me."
"Och, die vervelende Krelis heeft me weer geplaagd," zei Elsje met
gemaakte knorrigheid, terwijl ze de pakjes uit de hengselmand nam. "Ik
zal gauw voortmaken, grootmoeder."
Zij deed haar kapje en doek af en begon ijverig heen en weer te
dribbelen, waarbij het korte vlechtje op haar rug, dat met een zwart
veterbandje vastgestrikt en heel stijf gevlochten was, voortdurend
in dansende beweging kwam.
Het vuur werd opgestookt, de groote ketel met water opgezet voor
de koffie, die straks bij de boterham gebruikt moest worden, sneden
brood met roggebrood werden gesneden en gesmeerd en eindelijk werd
de koffiemolen uit de kast gehaald en werden de boonen gemalen,
waarbij Elsje een even druk gebruik maakte van haar tongetje als
van haar handen. De grap van Krelis werd in kleuren en fleuren aan
grootmoeder verteld, wier oude oogen van pret begonnen te glinsteren
bij het aardige verhaal. Toen was er genoeg koffie gemalen en zei
Elsje, het blad met de kopjes klaarzettend en de koffie opschenkend:
"Zal ik nu maar eerst het plaatsje schrobben, grootmoeder? Dan kan
de koffie onderwijl trekken."
"Best kind."
Ons meisje deed met een gewichtig gezicht een grooten blauwen
boezelaar voor, zette haar wollen kapje weer op, deed haar klompen
aan en ging naar buiten. En toen volgde er een plassen met water en
een geschrob en een klotsen op klompen, dat het een aard had. De roode
tichelsteentjes begonnen terdege te glimmen van al dat geboen en toen
Elsje eindelijk klaar was met schrobben en met groote handigheid wit
zand over het plaatsje had gestrooid uit een wijden, ruwhouten nap,
zag het er zoo netjes uit, dat zij niet nalaten kon een goedkeurend
knikje te geven, voordat ze in huis terugging.
"Het water zal wel gauw weer bevriezen," zei ze, "er is zoo weinig
zon aan dezen kant, maar het is toch erg opgeknapt."
"Hè, ik verlang naar mijn boterham," hernam ze, toen ze haar boezelaar
aan den spijker naast den schoorsteen had opgehangen. "Is de koffie
goed, grootmoeder?"
"Ja kind, schenk maar eens gauw een warm kopje in."
Elsje gehoorzaamde, zette het kopje voor de oude vrouw neer en
vroeg toen, met een bezorgden blik op het gelaat der grootmoeder,
dat plotseling heel bleek geworden en pijnlijk vertrokken was:
"Al weer die akelige pijn op de borst, grootmoeder?"
De oude vrouw knikte met een zwakke poging om te glimlachen.
"Zoo benauwd," hijgde ze. "Erg benauwd! Wacht maar even."
Het meisje ging achter haar staan, trok het grijze hoofd zacht naar
zich toe en liet het tegen haar schouder rusten. Zoo bleef zij staan,
totdat haar grootmoeder weer vrijer begon adem te halen, het kopje
koffie opnam, even dronk en zei:
"Ziezoo, nu is het weer over. Hè, dat is een opluchting! Het kwam nu
toch ook heel onverwachts."
"Zal ik u straks nog eens wat van dat drankje geven?"
"Ja, voordat we naar bed gaan. Eet nu je boterham kind, je zult
trek hebben."
Elsje haalde haar breikous uit de bovenste lade der latafel, nam een
stoel en ging over haar grootmoeder zitten. En alweer had zij van
allerlei te vertellen, terwijl de breinaalden lustig klapperden, de
zwarte kous onophoudelijk heen en weer slingerde en nu en dan haar
vroolijke lach helder en opwekkend door de kamer klonk. Zij moest
vooral haar best doen dat de oude vrouw geen sombere buien kreeg,
had de dokter gezegd en hoewel zij eigenlijk nooit anders deed dan
het haar grootmoeder zooveel mogelijk naar den zin te maken, spande
zij zich nu natuurlijk dubbel in. De wandeling naar het dorp en het
bezoek aan den kruidenier gaven haar stof genoeg tot praten, totdat
het langzamerhand donkerder werd en zij als vanzelf de breikous in
haar schoot liet zakken en stiller werd. Buiten was de maan langzaam
en statig opgekomen en verlichtte met een tooverachtig blauwen glans
de zwarte, fijne takken der enkele iepen langs den weg. Zacht dreven
de witte wolken verder door de blauwe lucht, waartegen de donkere
boomtakken scherp afstaken. In het kleine vertrek werd het hoe langer
hoe duisterder. De oude vrouw liet haar hoofd voorover glijden, sloot
de oogen en sluimerde in. Met de handen over elkaar geslagen en haar
gezicht een weinig opgeheven, zat Elsje met ernstige oogen peinzend
naar buiten te staren.
Wat was het daar plechtig stil en mooi, dacht ze en hoe aardig was het
om oplettend naar boven te kijken naar die grillig gevormde kleine
wolken, die in al haar reine witheid langzaam voortgleden. Zou daar
nu de hemel achter zijn? En als men die wolkjes van dichtbij zag,
van heel dichtbij, zou men ze dan voorzichtig kunnen bevoelen en
er met de hand overheen strijken en zouden ze dan zacht en wollig
zijn als fijne watten? En hoe kwam het toch dat de maan dat vreemde,
blauwachtige schijnsel wierp over de koude, donkere aarde? En o, wat
was het mooi, wat was het alles prachtig mooi! God moest wel heel groot
en machtig zijn om alles zoo mooi en heerlijk te kunnen maken in de
natuur! En hoe moest het wel in den hemel wezen, als het waar was dat
daar alles nog veel mooier was dan hier! En....en als zij dan later in
den hemel kwam, o, wat zou ze dan wel niet voelen, hier op aarde was
het al dikwijls zoo prachtig! Het zou zeker nog heel lang duren, eer
zij den hemel zag, zij was nog zoo jong, maar grootmoeder, die zou....
Met een snik van ontzetting, brak zij haar gedachtenloop af. O neen,
neen, grootmoeder moest bij haar blijven, zij moest en zou weer
beter worden; wat zou Elsje moeten beginnen zonder haar? Zij boog
zich voorover om in de schemering naar haar te kijken en hoorde aan
de zachte, geregelde ademhaling dat de oude vrouw sliep. En terwijl
de tranen haar in de oogen sprongen, vouwde het meisje onwillekeurig
de handen en opziende naar de heldere winterlucht daar buiten, zond
ze een vurig gebed op tot God om haar grootmoeder nog lang voor haar
te sparen.
"Maar Elsje kind, zit je daar nu nog te droomen?" klonk eensklaps de
stem der oude vrouw, die, uit haar dutje ontwaakt, verbaasd was, het
zoo donker om zich heen te vinden. "Maar meidlief, dat gaat nu toch zóó
niet! Kom, steek gauw de lamp aan en brei dan nog, totdat je aan den
voet beginnen moet. We moeten onzen tijd niet zoo verspillen, kindje!"
"Maar het is ook zoo prachtig mooi buiten, grootmoeder. Hè!"
En met een zucht onttrok zij zich aan haar droomerij, stond van haar
stoel op, stak de hanglamp aan, liet het gordijn naar beneden zakken
en begon den koffieboel op te ruimen. Haar grootmoeder sloeg haar
onderwijl oplettend gade, schudde even het hoofd, boog zich over haar
breiwerk heen en prevelde zacht bij zichzelf:
"Als het maar gaat! Och, als het maar gaat!"
"Klaar!" zei Elsje vroolijk, het koffieblad wegzettend en haar breikous
weer opnemend. "Nu nog flink een steekje breien, he grootmoeder? Dat
bevalt u beter dan al dat luie naar buiten kijken!"
"Ja zeker, kind. Je moet ook denken dat je...."
Zij eindigde den zin niet, zoodat Elsje verbaasd opzag en een ernstig
gezicht zette, toen zij bemerkte hoe bezorgd haar grootmoeder keek.
"Wat moet ik denken, grootmoeder?" vroeg ze zacht.
De oude vrouw antwoordde niet dadelijk; hare lippen trilden en hare
handen beefden zenuwachtig en hoewel zij haar mond opende, als om
iets te zeggen,--er kwam geen geluid.
Elsje legde haar breiwerk neer en zag haar angstig aan.
"Komt de benauwdheid weer terug?" vroeg ze snel.
"Neen kind," klonk het half fluisterend. "Neen, maak je maar niet
ongerust. Ik wou je alleen maar zeggen,"--en nu klonk haar stem
duidelijk en scherp, alsof zij zich geweld aandeed om luid te
spreken,--"ik wou je alleen maar zeggen, dat je je best moest doen
om niet te droomerig te zijn...."
"Droomerig!" riep Elsje lachend uit. "Maar dàt ben ik toch niet. Ik
maak het u toch soms druk genoeg!"
"Jawel, maar je kunt toch van die stille buien hebben, waarin je
lang naar buiten zit te kijken, zonder een woord te zeggen of iets
uit te voeren. En dan houdt je er van om Zondagsmiddags alleen lange
wandelingen te gaan maken, als je de andere meisjes niet mee kunt
krijgen en dan vindt je het prettig om uit te gaan, soms in het
verschrikkelijkste weer.... En het is nu allemaal wel heel goed om
zooveel moois te zien in de natuur--daarvoor heeft onze lieve Heer haar
ook geschapen--maar ik zou zoo graag willen, kind, dat je _in alles_
meer een gewoon meisje waart en dat je vooral niet overdreven werdt
in sommige dingen. Want....want als ik er eens niet meer ben en als
je later eens onder de menschen komt, zal die liefde voor de natuur
je niet heel veel helpen om flink door de wereld te komen en moedig
je strijd in die wereld te strijden...."
"Grootmoeder," zei Elsje en zij liep naar de oude vrouw toe
en knielde bij haar neer. "Grootmoeder, waarom zouden wij nu al
over dien vreeselijken tijd spreken, die na uw dood voor mij komen
moet? Wij zijn nu immers nog bij elkaar en ik hoop dat dit nog heel,
heel lang zal duren en later...." zij snikte even, maar vermande
zich spoedig en vervolgde vroolijk: "dan hoop ik toch mijn best
te doen om hier op het dorp of in de buurt te kunnen blijven. En o
grootmoeder,"--en zij lachte door de tranen heen, die haar in de oogen
waren gesprongen,--"dan ben ik zeker een flinke, stevige boerenmeid
en dan kibbelen ze allemaal om me, wie mij in dienst zal krijgen!"
Er kwam een weemoedig glimlachje op het gezicht der oude vrouw,
maar zij zweeg en schudde droevig het hoofd. Elsje zag met oogen
vol vragende verwondering naar haar op. Wat was er toch? Waarom was
grootmoeder van avond zoo gedrukt; wat kon er gebeurd zijn, dat haar in
die stemming had gebracht? Zij was gewoonlijk opgewekt en gelijkmatig
van humeur, niettegenstaande haar ziekelijken toestand--wat was er
toch, dat haar nu zoo bedroefd maakte?
"Is er iets, grootmoeder?" vroeg Elsje bedeesd. "Heb ik iets gedaan,
dat u verdrietig heeft gemaakt? Ik weet heusch niet...."
"Neen, neen, Elsje, je hebt je niets te verwijten, hoor! Kom, maak
het vuur maar aan kant. Zijn de luiken al gesloten buiten? Dan moesten
we maar naar bed gaan."
Met een kleur sprong Elsje op. "Ik heb al weer vergeten de luiken
dadelijk te sluiten, toen ik de lamp opgestoken had," zei ze
beschaamd. "Het spijt me erg, grootmoeder."
"Lieve meid, hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Doe het nu maar
gauw! Hier, sla je doek even om; het is zoo koud."
Haastig sloeg Elsje den doek om en liep naar buiten. In een wip
waren de luiken voor de ramen geduwd, om later van binnen te worden
vastgemaakt; toen keek zij nog even op naar den sterrenhemel, die
plechtig en rustig neerzag op de donkere aarde en met een ernstige
uitdrukking op haar gezicht ging ze weer in huis.
"Ik moet vóór alles oppassen dat grootmoeder niet weer in zoo'n
sombere, vreemde stemming komt," dacht ze. "De dokter heeft er mij
zoo voor gewaarschuwd."
Maar noch de dokter, noch Elsje konden de oude vrouw van den last
bevrijden, die haar drukte. En toen haar kleindochtertje reeds lang
sliep, lag zij nog wakker, steeds weer gekweld door die ééne, telkens
terugkeerende vrees, dien angstigen twijfel, die voortdurend de woorden
op haar lippen bracht: "Als het maar gaat, och, als het maar gaat!"
Hoofdstuk II.
Zondagmorgen.
Den volgenden dag was het Zondag. Toen Elsje zich zachtjes aankleedde
om haar grootmoeder niet wakker te maken, die nog vast sliep, was
het haar, alsof het vandaag nog veel stiller en rustiger om haar
heen was dan andere ochtenden. Buiten scheen de zon even vroolijk
en gul als gisteren; er was weinig wind en weer was de lucht
helderblauw. Alles juist als den vorigen dag en toch ook weer niet
zoo, meende Elsje. Zondags zagen de dingen er in hare oogen bepaald
anders uit dan op werkdagen. Zij werd dan wakker met wat zij een "echt
Zondagsgevoel" noemde en kon duidelijk zien, vond ze, dat alles om
haar heen in de natuur in een stemming was, die geheel bij den Zondag
paste. De dorpsmeisjes lachten haar uit, als zij zulke dingen zei en
Elsje kreeg een kleur en schaamde zich een beetje, maar zij bleef
toch bij haar opinie. Zondags was alles anders, niet alleen in de
huizen en niet alleen wat de kleeding der menschen aanging, maar ook
buiten. En als de meisjes haar dan op stormachtige Zondagen plagend
vroegen, of zij nu ook iets bemerkte van de "plechtige Zondagsrust"
in de natuur, beweerde zij ernstig dat het buiten toch "anders"
was dan op gewone werkdagen.
Vandaag was het buiten dan ook al heel stil en plechtig. De wandeling
naar de kerk zou zeker bizonder mooi en prettig zijn straks. Ze
legde haar donkerroode, beste jurk vast klaar op een stoel. Eerst
moest ze nog haar rok en jakje aan hebben om het vuur aan te leggen
en alles in orde te maken vóór kerktijd. Dan kon grootmoeder rustig
in haar zonnig hoekje voor het raam blijven zitten, tot zij weer
thuiskwam. Het was een erg nette jurk, die roode, vond Elsje. Mietje,
de dorpsnaaister, had haar gemaakt met een geplooid lijfje en lange
mouwen, met een smal bandje fluweel gegarneerd. Onderaan op den rok
had ze een keurige strook gezet met een band smal zwart fluweel er
boven; dat stond toch bizonder mooi, dacht Elsje, terwijl ze de jurk
op armslengte van zich afhield en met bewonderende oogen bekeek. Toen
hing zij het kostbare kleedingstuk uitgespreid over een stoel, legde
haar Zondagschen hoed van zwart stroo, gegarneerd met een vuurrood
krulveertje en een strikje van zwart lint, op de zitting, haar kerkboek
er naast en opende behoedzaam de deur der kleine slaapkamer, die aan
het woonvertrek grensde.
En terwijl ze neerhurkte voor de kachel om het vuur aan te maken,
lachte ze vroolijk bij de gedachte, hoe ze Krelis op weg naar de kerk
zou tegen komen en hoe ze zich dan boos zou houden en voorwenden,
niet met hem te willen loopen en hoe hij dan zeker een oogenblik
denken zou, dat het meenens was en haar angstig vragend aanzien. Zij
was toch altijd twee jaar ouder dan hij en hij moest het eigenlijk
een heele eer vinden om met haar te mogen loopen! Ja, dat moest hij
en dat zou ze hem toch eens een klein beetje laten voelen, dat zou
ze heusch! En ze knikte lachend tegen het vuur, dat hoog begon op te
vlammen en grappige, knetterende geluiden maakte.
Daar klonk de stem der oude vrouw uit de slaapkamer.
"Elsje, Elsje!" riep ze.
"Ja grootmoeder, wat is er?" vroeg Elsje, haastig uit haar knielende
houding opstaande en naar het bed toeloopend.
"Is het al warm binnen? Ik wou opstaan."
"Dan zou ik nog maar even wachten, grootmoeder. Ik zal de tusschendeur
open laten staan, dan wordt het hier ook een beetje warmer; de kachel
begint al flink te branden."
"Goed, dan wacht ik nog een half uurtje. Maar kind, ik..."
De oude vrouw zweeg plotseling en wendde het hoofd van Elsje af naar
den muur, alsof ze toch maar niet meer spreken wilde en zich gereed
maakte, nog wat te gaan slapen.
Elsje bleef verwonderd bij het bed staan.
"Wou u nog iets, grootmoeder?"
Er kwam niet dadelijk antwoord. Eindelijk slaakte de oude vrouw een
diepen zucht en zonder haar gezicht naar haar kleindochtertje toe te
keeren, zei ze:
"Ik .... ik wou liever dat je vandaag niet naar de kerk gingt,
kind. Ik voel me tamelijk goed, maar ik wou toch liever niet alleen
zijn van ochtend."
"Ik wil graag bij u blijven," zei Elsje terstond. "Maar zou het niet
goed zijn dat de dokter even kwam vandaag? Ik kan heel gauw heen en
terug naar het dorp loopen om het hem te vragen."
"Neen, neen, dat is heelemaal niet noodig. Maak je maar niet
ongerust. Ga jij nu maar voort met je werk, dan sta ik straks wel op."
En zij trok de lakens over zich heen en sloot de oogen, als om te
kennen te geven dat het gesprek nu uit was.
Elsje gehoorzaamde en ging stil, met een bezorgde uitdrukking op
haar gezicht, voort met haar werk. Wat was er met grootmoeder? Eerst
gisteravond die vreemde, droevige stemming en nu zoo kortaf, zoo
geheel anders dan gewoonlijk! De tranen sprongen haar in de oogen bij
de gedachte dat de oude vrouw toch misschien zieker was dan zij wilde
bekennen--och, als de dokter maar eens even kwam, dat zou haar een
heele gerustheid geven. Zij zou er straks nog eens met grootmoeder
over spreken en dan zou alles wel weer in orde komen. De dokter had
toch immers ook gezegd dat zij vooruitging--kom, ze moest nu maar
geen zorgen hebben vóór den tijd!--
Zoo, daar stond grootmoeders stoel weer in het aardige, zonnige hoekje
bij het raam. Elsje deed een kooltje vuur in de stoof en schoof die
bij den stoel. Nu gauw stof afgenomen en het ontbijt klaar gezet; ze
zou vlug voortmaken, dan was alles netjes, als grootmoeder binnen kwam.
Zij dribbelde ijverig met haar stofdoek heen en weer, het geheele
vertrek door. Voor het portret der jonge vrouw in het sierlijke,
nieuwerwetsche lijstje, bleef zij even staan. "Zoo'n heel ander
gezicht dan dat van moeder," zei Elsje, "ze kijkt zoo streng! Ik zou
haar haast niet "tante" durven noemen!" En snel wischte zij het stof
van het glas af, alsof ze haast had om weg te komen van de uitdrukking
dier koele, donkere oogen, die zoo strak naar haar schenen te kijken.
Intusschen woelde de oude vrouw onrustig in haar bed heen en
weer. "Straks bij het ontbijt zal ik het haar zeggen, dadelijk bij
het ontbijt--zoo gauw mogelijk, dat is het beste maar," mompelde ze
en dan weer: "Het moet maar terstond, dan is het er uit, dan weet ze
het. Mijn lief, lief kind, arme, kleine Elsje! O, als het maar gaat,
als het maar gaat!"
Ze bleef even stil liggen en een paar tranen rolden langzaam langs hare
oude, verrimpelde wangen. Toen kwam er een trek van vastberadenheid
om haar mond en klonk het zacht en bevend: "Het _moet_, het is de
eenige weg,--God zal ons helpen!"
Een uur later was het ontbijt afgeloopen, maar nog had de
grootmoeder den moed niet gehad, Elsje te zeggen wat het was, dat
haar drukte. Eerst toen het meisje de bordjes en kopjes afgewasschen
en weggezet had, zei de oude vrouw:
"Het is nog vroeg. Krijg je den Bijbel, kind?"
Het was het gewone verzoek, dat iederen Zondagmiddag terug kwam,
maar dat nu vroeger op den dag gedaan werd.
"Nu al lezen, grootmoeder?" vroeg Elsje verwonderd.
"Ja," knikte ze, "het is hier nu zoo rustig en we hebben al den tijd."
Elsje kreeg den Bijbel en vroeg:
"Zal ik lezen?"
"Ja kind, dat is goed. Mijn stem is zwak vandaag. Lees jij maar."
"Wat zal ik nemen?" vroeg Elsje, terwijl ze over haar grootmoeder
zitten ging en den Bijbel opensloeg.
De oude vrouw bedacht zich even, toen zei ze zacht:
"Psalm 121."
Er volgde een oogenblik van vredige stilte, door niets verbroken
dan door het ritselend geluid van het omslaan der bladen door Elsje,
die den psalm opzocht.
Toen begon ze te lezen:
"Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp
komen zal.
"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
"Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet
sluimeren.
"Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
"De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe Schaduw, aan uwe
rechterhand.
"De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
"De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren.
"De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot
in der eeuwigheid."
Met gevouwen handen en aandachtig voorover gebogen hoofd, luisterde
de grootmoeder naar de frissche jonge meisjesstem, die duidelijk de
troostende woorden voorlas uit den grooten, ouderwetschen Bijbel,
welke reeds bij de grootouders van _deze_ oude vrouw in gebruik was
geweest. Elsje las vrij goed, langzaam en met ernst, onder den indruk
dat zij den Bijbel las, maar het was aan den toon van haar stem te
hooren dat de woorden niet diep tot haar doordrongen. Zij vond den
psalm mooi, zij voelde een zekere heilige bewondering voor de statige,
plechtige Bijbeltaal, maar zij bleef er rustig bij, haar hart kende
den strijd nog niet, die haar troost zou hebben doen zoeken en vinden
in dezen psalm.
De oude grootmoeder kende dien strijd, och, zij kende dien maar al
te goed en het trilde om haar ingevallen mond, terwijl zij luisterde
met hare geheele ziel en hare handen gevouwen hield, als bad ze. Bij
de woorden: "_De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij
bewaren...._" kwam er een blijde glans in hare oogen en een zucht van
verlichting over hare lippen en ze knikte even, alsof ze zeggen wou:
"Dat is waar, o ja, dat is waar!"
Moedig hief ze het hoofd op, met den trek van hoop nog steeds in
hare oogen en zoo bleef ze zitten, tot haar kleindochtertje den psalm
uitgelezen had en vroeg:
"Maar verder lezen, grootmoeder?"
"Neen, zoo is het genoeg kind," zei de oude vrouw zacht. Toen, nadat
zij eens diep adem gehaald had: "Elsje, ik heb je wat te zeggen."
"Ja grootmoeder?"
"Ik heb je wat te zeggen, kind; iets, dat....dat je vreemd zult
vinden. Wil je bedaard naar me luisteren?"
"Ja," fluisterde Elsje benauwd en met angstige verwondering haar
grootmoeder aanziende. Wat kon er toch zijn? Waarom keek grootmoeder
zoo heel ernstig? Het gaf haar een gevoel van beklemming.
"Het is nu al twaalf jaar geleden dat je moeder dood is, Elsje, en
al dertien dat je vader stierf. Je moeder was mijn liefste dochter
en je hebt heel, heel veel in haar verloren."
Elsje knikte ernstig. Ja, dat wist ze, dat had grootmoeder haar al
heel dikwijls verteld.
"Over mijn andere dochter, je tante, heb ik nooit veel met je
gesproken, maar je weet dat zij niets op je moeder gelijkt, uiterlijk
niet en innerlijk ook niet. Toch is zij ook mijn dochter en zij meent
het niet kwaad; zij meent het goed, ook al denkt zij anders over
de dingen dan ik. Je weet, Elsje, dat je tante een mooi meisje was,
toen ze jong was en ze zal nog wel mooi wezen....."
"Ik vind het portret niets lief," zei Elsje, geprikkeld door een
onverklaarbaar gevoel van jaloerschheid op die tante, die "uiterlijk
noch innerlijk" op hare eigene lieve moeder leek. Zij zou zich van
dit gevoel geen rekenschap hebben kunnen geven, maar de woorden waren
er uit, bijna voordat zij het zelf wist.
Hare grootmoeder zweeg, maar keek haar aan met iets verwijtends in
de vriendelijke oogen. Een oogenblik was het heel stil in de kamer,
haast even stil als daar buiten, waar de heldere winterzon de kale
takken der boomen verlichtte en alles rondom in rust scheen, in één
kalme, vredige rust. Een breede zonnestraal gleed tusschen de geplooide
witte gordijntjes door langs de tafel op den Bijbel en deed de groote,
zwarte letters glinsteren en de stofjes dwarrelen in het licht. En
bij al die lieflijke rust klopte het onrustig in Elsje's hart en er
kwam een donkerroode gloed over haar gezicht, toen haar grootmoeder
het stilzwijgen verbrak en zei:
"Je hebt je tante nooit gezien, kind; naar een portret alleen mag
iemand niet oordeelen. En buitendien is dit portret al drie jaar
oud. Je tante gaf het mij, toen ze het laatst hier was en jij naar
school waart, zoodat je haar ook toen niet gezien hebt, evenmin als
den vorigen keer. En dat is jammer genoeg, want als je haar maar _eens_
gezien hadt, zou er toch...."
Zij eindigde den zin niet, maar zweeg even. Toen hernam ze, op
eenigszins vergoelijkenden toon:
"Het spreekt van zelf dat je tante anders is dan wij zijn en je bent
oud genoeg om dat te begrijpen, Elsje. Ik heb je nooit heelemaal
verteld, hoe alles met haar is gegaan, maar het voornaamste weet je
toch. Je tante was een heel mooi meisje en toen ze volwassen was,
had zij er geen plezier in, om hier op het dorp of in de buurt te
blijven. Ze wou een betrekking zoeken als kinderjuffrouw en ze was
er knap genoeg voor om dat te worden, dat moet ik zeggen. Ze kreeg
haar zin en ze had het best. De menschen waren goed en vriendelijk
voor haar en het beviel haar ook allemaal wel, tot er een rijk heer
kwam, die zin in haar kreeg en met haar trouwen wou. Dat trok haar
nog veel meer aan dan kinderjuffrouw zijn en ze is toen met dien
rijken heer getrouwd en heeft drie jaren lang een gelukkig leven met
hem gehad. Dat zij haar oude moeder bij al haar pracht en weelde wel
eens een beetje vergat, och, dat is licht te begrijpen...."
Elsje had tot zoover geduldig geluisterd naar het verhaal, dat zij
half kende, maar nu kon zij het toch niet langer uithouden.
"Dat vind ik juist zoo leelijk van tante," riep ze driftig uit,
"dat zij net doet, alsof zij geen lieve, oude moeder meer heeft! Dat
ze te trotsch is om u bij zich te laten komen, dat ze haar dochtertje
nog maar eenmaal hier heeft gebracht en dat jaren geleden, dat ze net
precies doet of ze altijd een schatrijke, deftige dame is geweest,
dat ze u nooit eens heeft opgezocht met oom, toen die nog leefde en
dat ze u alleen met uw verjaardag en met nieuwjaar geregeld schrijft!"
"Stil Elsje, je hebt het recht niet zoo te spreken en je doet me
pijn, kind."
Elsje boog het hoofd en begon te schreien.
"Maar laten wij dan toch ook maar niet over tante spreken," snikte
ze. "Ik heb haar nooit gezien, dat is waar, maar dat verlang ik ook
niet en dat zal ook wel nooit noodig zijn,--ze komt nu toch nooit
meer hier. Het is al heel mooi, als ze eens een brief schrijft!"
"En nu _heb_ ik een brief van haar en daarover juist moet ik eens
heel ernstig met je spreken. Elsje."
Elsje hield van verbazing op met snikken en zag haar grootmoeder,
door hare tranen heen, verschrikt aan.
"Een brief?" stamelde ze.
"Ja, hij kwam gisteren, toen jij naar het dorp waart en....en ik had
er je al eerder van willen vertellen. Tante schrijft heel vriendelijk
en aardig over je. Zij zegt dat het haar spijt dat ze je nog niet
gezien heeft en....en dat ze graag eens kennis met je maken wil."
"Ik niet met haar!" zei Elsje driftig.
Weer keken de oogen der oude grootmoeder zacht verwijtend, zoodat
Elsje de hare neersloeg en hare lippen stijf op elkaar drukte, als
om zichzelf tot zwijgen te dwingen.
"Ik ken je haast niet, als je zoo bent, Elsje," hernam de oude vrouw
met iets strengs in haar stem. "Ik vraag je nog eens of je bedaard
naar mij wilt luisteren?"
Elsje begon weer harder te schreien.
"Als u over tante begint, krijg ik altijd dat akelige, booze gevoel in
me," zei ze. "Ik kan niet van haar houden, omdat ze naar en onhartelijk
is tegen u en ik zou veel liever niet over haar willen spreken--heusch
grootmoeder, veel liever niet. Wat heeft zij ook eigenlijk met mij
te maken?"
"Zij heeft dit met je te maken, Elsje, dat zij de eenige bloedverwant
is, die je nog hebt in de wijde wereld, als ik er niet meer ben. Zij
heeft dit met je te maken dat zij zich bereid heeft verklaard, je
tot zich te nemen en voor je opvoeding te zorgen, als ik dat niet
meer doen kan en...."
"O neen, neen, grootmoeder, dat niet, och neen, dat nooit! Ik smeek
het u, dat nooit! U wordt wel weer beter, de dokter heeft het zelf
gezegd en we zullen nog lang, heel lang bij elkaar blijven en....als
u er niet meer bent, dan...." zij legde haar armen op de tafel,
liet er haar hoofd op zakken en snikte het uit: "Dan wou ik dat ik
ook maar dood ging!"
"Foei Elsje!"
De woorden kwamen er streng berispend uit, maar de lippen der oude
vrouw trilden en hare oogen schoten vol tranen, terwijl ze naar het
gebogene meisjeshoofd keek.
Eenige oogenblikken lang heerschte er diepe stilte, een stilte,
die Elsje benauwde en eindelijk de oogen naar haar grootmoeder op
deed slaan.
"Ik wil wel probeeren om bedaard naar u te luisteren," zei ze zacht.
"Goed kind. Laat ik je dan maar eens precies vertellen, wat tante
schrijft. Het is geen lange brief. Zij vraagt alleen of het mij beter
gaat en of ik wel genoeg ben om jou een poosje te kunnen missen."
Angstig vragend keken Elsje's beschreide oogen, maar zij zeide niets
en knikte alleen even, als om te toonen dat zij nu heusch kalm en
oplettend luisterde.
"Tante denkt--en _ik_ geloof het ook--dat het goed zou zijn, als je
eens een paar weken bij haar kwaamt om kennis te maken met haar en haar
dochtertje. Gij verschilt niet veel in leeftijd; Cécile is vijftien,
geloof ik, en jij bent juist veertien geworden, dus dat komt mooi bij
elkaar. Wie weet, hoe goed je het samen zult kunnen vinden en....tante
en ik denken dat je later waarschijnlijk beter zult kunnen wennen,
als je nu eerst eens een poosje bij haar aan huis bent geweest."
"Mag ik u even iets vragen, grootmoeder?" vroeg Elsje, die nu
doodsbleek zag.
"Natuurlijk kind."
"Ik zou graag willen weten, waarom tante nu op eens vraagt, of ik
bij haar komen wil. Zij....zij heeft vroeger precies gedaan, alsof
ik niet bestond."
Er kwam een flauw blosje op het gezicht der oude vrouw en een verlegene
uitdrukking in hare oogen. Misschien paste het het kind niet, om zoo
iets te zeggen, maar wat zij zeide, was maar al te waar. En dan....zij
zelf had eenige dagen geleden aan hare dochter geschreven. Het had
haar al maanden en maanden zwaar op het hart gelegen, wat er van Elsje
worden moest, als zij eens plotseling van haar weggenomen werd. Elsje
was nog bijna geheel een kind--even veertien jaar, en waar moest zij
heen, als zij eens eensklaps geheel alleen op de wereld stond? Zij
_had_ dan toch immers ook nog een tante en uit zichzelf zou het
kind deze nooit om hulp vragen, dat wist de oude vrouw zeker. En,
of de tante zich veel aan haar nichtje zou laten gelegen liggen,
als niemand haar dit vroeg, ... och, daar was heel weinig van te
zeggen. Een kwaad hart had ze niet maar ze had altijd weinig om andere
menschen gedacht; zij was altijd heel anders geweest dan haar zuster,
van haar vroegste jeugd af. Ze was ook zoo mooi en iedereen bewonderde
haar als om strijd--het was zeker niet onnatuurlijk dat ze altijd erg
vervuld was geweest van haar eigen schoonheid en bevalligheid en dat
ze wel wat ijdel geworden was. Hare hartelijke oogenblikken had ze
toch ook gehad....in de laatste jaren waren die zeker niet talrijk
geweest,--maar toch, maar toch was de oude vrouw, na lang beraad met
zichzelf, geëindigd met aan haar dochter te schrijven. Elsje was toch
ook zoo'n lief kind! Het kon wel niet anders, of ze moest de liefde
winnen van allen, met wie ze in aanraking kwam en het trof toch ook
aardig, dat de nichtjes bijna even oud waren; zij konden zoo veel
aan elkaar hebben! Langzamerhand zou Elsje zeker wel wennen aan haar
nieuw leven en in ieder geval zou hare tante niet veel moeite met haar
hebben--Elsje was zoo'n vroolijk, makkelijk, vlug kind! En de oude
vrouw had dus over haar aan haar dochter geschreven op bescheidene,
nederige wijze, maar toch ook zóó, dat het geweten der rijke mevrouw
d'Ablong was gaan spreken en haar genoopt had aan haar moeder te
schrijven, dat zij Elsje graag eens te logeeren wou hebben. Zij was
geschrikt, toen zij bemerkt had, hoe beverig het schrift der oude
vrouw was en hoe duidelijk de brief de sporen droeg van door een
zwakke, vermoeide hand geschreven te zijn. Nu het gevaar dreigde
dat zij haar moeder misschien spoedig door den dood zou verliezen,
scheen zij er plotseling iets van te voelen hoe groot dit verlies
zou zijn en een paar dagen nadat zij den brief had ontvangen, schreef
zij terug, hartelijker en uitvoeriger dan zij in lang gedaan had. En
de oude vrouw had dit antwoord met ontroering gelezen, blij dat haar
verzoek zóó opgenomen werd, maar....toen zij bedacht dat Elsje met
alles in kennis moest worden gesteld, toen zij bedacht, hoe het meisje
er tegenop zou zien haar te verlaten, toen ze bedacht, hoe eenzaam
en vreemd het kind zich in de weelderige omgeving gevoelen zou en
hoe haar eenvoudig hart terug verlangen zou naar het aardige stille
huisje en de lieflijke, schilderachtige natuur en o, toen ze bedacht,
hoe heel erg zij zelf haar missen zou--toen bekroop haar de vrees,
of zij wel goed gehandeld had en of zij de zorg voor Elsje niet
stil en geloovig had moeten overlaten aan God! Maar lang bleef die
vrees haar niet bij. Neen, ze had goed gehandeld, voor het welzijn
van haar dochter en Elsje, alle twee. Elsje behoorde daar, als haar
grootmoeder niet meer leefde--haar plaats was bij de zuster van haar
moeder, daar kon geen twijfel aan zijn.
En ook--zoo redeneerde de oude vrouw in al den eenvoud van haar
hart--wie weet, of Elsje met haar frisschen levenslust, met haar
aardige, vroolijke praatjes en vooral met de reine, kinderlijke
liefde van haar warm jong hart, niet een bizonder gunstigen invloed
zou kunnen oefenen op haar tante en op het nichtje, dat wel al te veel
gehecht zou zijn aan al de weelderige pracht en het genot, waarin zij
leefde! Moeielijk zou Elsje's leven zeker zijn nu en dan, vooral in
het begin, maar toch zeker niet zóó moeielijk, als wanneer zij heel
alleen zou staan in de wijde wereld en dan--zij wist immers, waar zij
troost en hulp zoeken moest--_"de Heer zal u bewaren van alle kwaad;
uwe ziel zal Hij bewaren"_. Hij zou ook zorgen, dat Elsje's kinderziel
niet bedorven werd, niet verloren ging, maar rein en vroom bleef,
ook te midden van alle wereldsche heerlijkheid en verstrooiing.
"Al had tante je wel eens eerder kunnen vragen om bij haar te komen,
dat is geen reden, waarom je haar niet dankbaar zoudt zijn, dat zij
het _nu_ vraagt," zei grootmoeder, zonder rechtstreeks te antwoorden
op Elsje's uiting, waarom haar tante "vroeger precies gedaan had,
alsof ze niet bestond." "Kom kind, kijk nu eens weer vroolijk. Ik wed
dat je later als je weer thuis bent, opgewonden verhalen doet over
alles wat je bij tante hebt genoten en over de liefheid van Cécile
en haar vriendinnetjes en over de mooie stad en het prachtige huis,
waarin tante woont en over de winkels en al de menschen op straat
en....en over nog een heeleboel meer. Wie weet, hoe weinig lust je
hebben zult om weer bij je oude grootmoeder terug te komen!"
Elsje lachte door hare tranen heen en er kwam een beetje licht in de
duisternis van haar gemoed. Was het dan ook eigenlijk wel zoo heel
erg? Grootmoeder had gelijk. Het zou best kunnen zijn dat zij het
aardig en mooi vond in die groote, drukke stad, dat haar tante erg
meeviel bij de kennismaking en dat zij het met Cécile heel goed kon
vinden. Misschien zouden ze wel een heeleboel grappen hebben samen--het
moest toch ook wel prettig wezen om eens een poosje in één huis te
wonen met een meisje van haar eigen leeftijd! En dan....allerlei
te zien, waarover zij alleen maar eens een enkelen keer had hooren
spreken en later van alles aan grootmoeder te vertellen en aan de
dorpsmeisjes--dàt zou toch wel heerlijk wezen!
Zij stond langzaam van haar stoel op, ging naar de oude vrouw toe en
gaf haar, een beetje verlegen, een kus op de wang.
"Ik heb er wel meer lust in," zei ze zacht.
"Zie je wel!" zei de grootmoeder vroolijk. "Maar dat spreekt immers
ook van zelf! Kom, trek nu gauw je beste jurk aan ...."
"Mag ik het dan straks even aan Aafje en Geertje gaan vertellen en
bij Krelis aan huis? Ik zal niet lang wegblijven."
"Ja zeker, dat is best. Maar maak dan nu gauw voort, kind."
"Ja. Maar grootmoeder, wanneer ... wanneer zou tante me dan verwachten
en wie komt er dan zoo lang bij u?"
"Ik denk dat tante je graag spoedig bij zich wil hebben, Elsje, en
ik zal vragen of Aafje's zuster dan bij mij wil komen. Zij kunnen er
daar nu best een missen, nu Grietje ook uit haar dienst thuis is."
Twee uur later zat de oude grootmoeder in de vredige stilte om haar
heen, met den Bijbel voor zich, den psalm te herlezen en was Elsje
bezig, haar kennisjes het groote nieuws mede te deelen. Er viel een
traan op het oude gele Bijbelblad en driftig veegde Elsje's grootmoeder
hare oogen af en zei zacht:
"Foei, ik moest blij zijn!"
Toen liet ze hare handen in haar schoot glijden en keek lang en
peinzend het raam uit. En met een weemoedig lachje het hoofd schuddend,
fluisterde ze:
"Zij zou geen kind zijn, als het nieuwe haar niet aantrok."
Hoofdstuk III.
Gewichtige Veranderingen.