Hoort gij het gekletter van den strijd
Lans tegen lans, ros tegen ros?
Gray.
Men was overeengekomen, wegens de hitte van het klimaat, dat het
godsoordeel, dat thans de verschillende volken bij den Diamant
der woestijn had bijeengebracht, een uur na zonsopgang plaats zou
hebben. Het groote strijdperk, dat onder toezicht van den ridder van
den Luipaard was ingericht, omvatte eene ruimte van hard zand die
honderd zestig ellen lang en ruim vijftig breed was. Het strekte zich
in de lengte van het noorden naar het zuiden uit, zoodat beide partijen
gelijk voordeel van de opgaande zon hadden. Saladin's koninklijke
zetel was aan de westelijke zijde van de omheining opgericht, vlak in
het midden, waar men verwachtte, dat de strijders elkander ontmoeten
zouden. Daar tegenover was eene galerij met gesloten vensters,
zoo ingericht, dat de dames, voor wie deze plaats bestemd was, het
gevecht konden aanschouwen, zonder zelven gezien te worden. Er waren
ook tronen opgericht; maar de aartshertog, die bemerkte, dat de zijne
lager was dan die van Koning Richard, weigerde daarop plaats te nemen;
en Leeuwenhart, die zich veel zou hebben laten welgevallen, eer eene
formaliteit den strijd zou verhinderd hebben, gaf gereedelijk zijne
toestemming, dat de borgen, zoo als zij genoemd werden, gedurende
het gevecht te paard zouden blijven. Aan den eenen kant van het
strijdperk werd het gevolg van Richard geplaatst, en tegen hen over
stonden de begeleiders van den aangeklaagde, Koenraad. Rondom den
troon, voor den Sultan bestemd, waren zijne prachtige Georgische
wachten opgesteld, en verder was het de omheining door Christen en
Mahomedaansche aanschouwers bezet.
Lang vóór het aanbreken van den dag was het strijdperk door een
nog grooter aantal Sarraceenen omringd, dan Richard den vorigen dag
gezien had. Toen de eerste stralen van de schitterende zonneschijf
zich boven de woestijn verspreidden, klonk de kreet: "ten gebede--ten
gebede!" door den Sultan zelven aangeheven, en door anderen beantwoord,
wier rang en ijver hun het recht gaven, als muezzins op te treden. Het
was een treffend schouwspel, hen allen op den grond te zien neerzinken,
om hun gebed te doen, met het gelaat naar Mekka gekeerd. Maar toen
zij van den grond opstonden, schenen de zonnestralen, die nu sterker
werden, de meening van den lord van Gilsland van den vorigen avond
te bevestigen. Zij werden door tal van speerspitsen weerkaatst, want
de lansen zonder punten van den vorigen dag waren er niet meer. De
Vaux maakte hierop zijn meester opmerkzaam, die ongeduldig antwoordde,
dat hij een onbepaald vertrouwen in de rechtschapenheid van den Sultan
stelde; maar dat, zoo de Vaux voor zijn zwaarlijvig lichaam bevreesd
was, hij zich kon verwijderen.
Kort daarop hoorde men het gedreun der pauken, op wier klank al de
Sarraceensche ruiters van hun paard sprongen, en zich nederbogen,
alsof zij een tweede morgengebed wilden verrichten. Dit geschiedde
om der Koningin met Edith en haar gevolg gelegenheid te geven, van
de tent naar de voor haar bestemde galerij te gaan. Vijftig wachten
van Saladin's harem met onbloote sabels begeleidden haar, met bevel,
om ieder neder te sabelen, hij mocht prins of boer zijn, die het
mocht wagen de dames bij het voorbijgaan aan te zien, of zelfs het
hoofd durfden oprichten, voor dat het ophouden der muziek allen zou
verkondigen, dat zij in hare galerij waren aangekomen, waar zij door
geen nieuwsgierig oog konden worden aanschouwd.
Deze bijgeloovige inachtneming van Oosterschen eerbied voor het schoone
geslacht deden bij Koningin Berengaria eenige aanmerkingen rijzen,
die voor Saladin en zijn vaderland niet zeer gunstig waren. Maar
toen haar hol, zooals de koninklijke schoone het geliefde te noemen,
door hare zwarte wachters veilig gesloten was en bewaakt, was zij in
de noodzakelijkheid om zich te vergenoegen met te zien, en voor het
tegenwoordige het nog heerlijker genoegen van gezien te worden ter
zijde te stellen.
Intusschen stelden de getuigen van beide kampvechters, zoo als hun
plicht voorschreef, een onderzoek in, of deze behoorlijk gewapend
en voor het gevecht bereid waren. De aartshertog van Oostenrijk had
geen haast om dit deel van de plechtigheid te vervullen, daar hij
den vorigen avond een goeden roes van Schiras wijn gehad had. Maar
de grootmeester der Tempeliers, die meer belang bij den uitslag
van den strijd had, was al spoedig voor de tent van Koenraad van
Montserrat. Tot zijne groote verbazing weigerden de bedienden hem
binnen te laten.
"Kent gij mij niet, kerels?" vroeg de grootmeester in de hoogste
mate vertoornd.
"Zeer goed, zeer dapper en eerwaardig heer," antwoordde Koenraad's
schildknaap; "maar zelfs gij moogt voor het oogenblik niet binnen--de
markies is gereed om te biechten."
"Te biechten!" riep de Tempelier op een toon uit, waarin schrik met
verbazing en minachting vermengd was--"en bij wien, vraag ik u?"
"Mijn meester heeft mij stilzwijgendheid geboden," hernam de
schildknaap; waarop de grootmeester hem voorbijsnelde en de tent
binnentrad.
De markies van Montserrat knielde aan de voeten van den kluizenaar
van Engaddi, en was op het punt, zijne biecht te beginnen.
"Wat beteekent dit, markies?" vroeg de grootmeester; "sta op, schaam
u--of zoo gij volstrekt moet biechten, ben ik niet hier?"
"Ik heb reeds te dikwijls bij u gebiecht," antwoordde Koenraad met
bleeke wangen en sidderende stem. "Om Gods wil, grootmeester, ga heen,
en laat ik mijn geweten aan dien heiligen man ontlasten."
"Waarin is hij heiliger dan ik?" zeide de grootmeester.--"Kluizenaar,
profeet, zinnelooze--zeg, zoo gij durft, waarin gij mij overtreft?"
"Stout en verdorven man," antwoordde de kluizenaar, "weet, dat ik
gelijk ben aan het getraliede venster, en het goddelijk licht gaat
er doorhenen, ofschoon het, helaas! mij zelven niet baat. Gij gelijkt
ijzeren staven, die noch zelven licht ontvangen, noch het aan iemand
mededeelen."
"Praat niet tegen mij, maar verlaat deze tent," zeide de grootmeester,
"de markies zal dezen morgen niet biechten, of het moet bij mij zijn,
want ik verlaat zijne zijde niet."
"Is dit uw welgevallen," zeide de kluizenaar tot Koenraad, "want
meen niet, dat ik dezen trotschen man zal gehoorzamen, zoo gij mijn
bijstand blijft begeeren."
"Helaas!" zeide Koenraad besluiteloos, "wat wilt gij dat ik zeggen
zal?--Vaarwel voor het oogenblik--wij zullen later met elkander
spreken."
"O uitstel!" riep de hermiet uit, "gij zijt een
zielemoorder! Ongelukkige, vaarwel--niet voor een tijdlang, maar
tot dat wij elkander ontmoeten zullen--onverschillig waar. En wat
u betreft," voegde hij er bij, zich tot den grootmeester wendende,
"sidder!"
"Sidderen," hervatte de Tempelier verachtelijk, "ik kan niet, al
wilde ik ook."
De kluizenaar hoorde zijn antwoord niet, daar hij de tent reeds
had verlaten.
"Welaan, schielijk ter zake," zeide de grootmeester, "daar gij die
dwaasheid toch verrichten wilt.--Luister--ik geloof, dat ik uwe
meeste zwakheden ken, dus kunnen wij de bijzonderheden daarlaten,
daar deze wat te lang zouden duren, en met den aflaat beginnen. Wat
beduidt het om de vlekken modder te tellen, wanneer wij op het punt
zijn, die van onze handen te wisschen!"
"Daar gij weet, wat gij zelf zijt," zeide Koenraad, "is het
godlasterend er van te spreken, een ander te willen vergeven."
"Dat is niet naar den regel, heer markies," antwoordde de Tempelier,
"gij zijt meer nauwgezet dan rechtgeloovig. De aflaat van den slechten
priester is van even veel kracht, als die van een heilige--anders
moge God den armen boeteling helpen! Welk gekwetste vraagt er naar,
of de wondarts, die zijne wonden onderzoekt, schoone handen heeft of
niet?--Kom, zullen wij het spel beginnen?"
"Neen," antwoordde Koenraad, "ik wil liever sterven zonder te biechten,
dan met het sacrament te spotten."
"Kom, edele markies," hernam de Tempelier, "vat moed, en spreek niet
aldus. Binnen een uur zult gij zegevierende in het strijdperk staan,
of in uw helm biechten, gelijk een dapper ridder."
"Helaas, grootmeester!" hervatte Koenraad, "alles voorspelt kwaad
in deze zaak. De merkwaardige ontdekking door het instinkt van een
hond--het herleven van dezen Schotschen ridder, die optreedt als een
spook--alles slechte voorteekens."
"Ba," zeide de Tempelier, "ik heb u moedig uwe lans uit scherts
tegen hem zien zwaaien, en dat wel met gelijke kans van goeden
uitslag--verbeeld u, dat gij slechts in het toernooi zijt, en wie staat
hem beter in het toernooiveld dan gij?--Komt, knapen en wapendragers,
uw meester moet voor den strijd uitgerust worden."
De dienaren traden nu binnen, en begonnen den markies te wapenen.
"Welk weer is het buiten?" vroeg Koenraad.
"De zon gaat donker op," antwoordde een schildknaap.
"Gij ziet, grootmeester," vervolgde Koenraad, "niets lacht ons toe."
"Gij zult des te koelbloediger vechten, mijn zoon," antwoordde de
Tempelier, "dank den Hemel, dat Hij de zon dezen morgen getemperd
heeft, om u ter wille te zijn."
Zoo schertste de grootmeester; maar zijne spotternijen hadden haar
invloed op het gemoed van den markies verloren, en, in weerwil van
zijne pogingen om opgewekt te schijnen, deelde de droefgeestigheid
zich aan den grootmeester mede.
"Deze lafaard," dacht hij, "zal uit louter flauwheid en lamheid in
den strijd bezwijken, en dat noemt hij een gevoelig geweten. Ik, wien
visioenen en voorteekenen niet schokken--ik, die vast ben in mijn
voornemen, als de levende rots--ik zelf moest den strijd gestreden
hebben.--Gave God, dat de Schot hem op de plek doodde; dit zou het
beste zijn, zoo hij de overwinning niet behalen kan. Maar er kome
wat er wil, hij moet geen anderen biechtvader hebben dan mij--onze
zonden zijn te gemeenschappelijk, en hij kon wel eens mijn deel te
gelijk met het zijne biechten."
Terwijl deze gedachten hem door zijn hoofd speelden, ging hij voort met
den markies bij het wapenen te helpen, maar het geschiedde zwijgend.
Het uur was eindelijk daar, de trompetten klonken, de ridders reden het
strijdperk binnen, van top tot teen naar behooren gewapend, en gelijk
mannen, die voor de eer van een koninkrijk zouden strijden. Zij hadden
hunne vizieren open, en, drie malen het strijdperk rond rijdende,
vertoonden zij zich aan de toeschouwers. Beide waren aanzienlijke
mannen en met een edel gelaat. Maar er stond op het voorhoofd van
den Schot mannelijk vertrouwen te lezen, eene straal van hoop, die
zelfs naar vroolijkheid zweemde. Op Koenraad's gelaat integendeel,
ofschoon trots en herhaalde pogingen veel van zijn natuurlijken
moed teruggeroepen hadden, zweefde nog eene wolk van onheilspellende
moedeloosheid. Zelfs zijn paard scheen niet zoo licht en vurig op het
trompetgeschal te trappelen, als de edele Arabier, dien sir Kenneth
bereed; en de spreukspreker schudde het hoofd, terwijl hij opmerkte,
dat de uitdager om het strijdperk reed volgens den loop der zon,
dat is van de rechterhand naar de linker, maar de aangeklaagde dit
van de linker naar de rechter deed, wat men in de meeste landen als
een slecht voorteeken beschouwt.
Een altaar was voor deze gelegenheid opgericht, juist beneden de
galerij, waarop de Koningin gezeten was, en daarnaast stond de
kluizenaar in de kleeding zijner orde als karmeliter monnik. Er
waren ook andere geestelijken tegenwoordig. Naar dit altaar werden
de aanklager en de aangeklaagde achtereenvolgens door hunne getuigen
geleid. Beide ridders stegen af, en ieder bezwoer de rechtvaardigheid
zijner zaak door een plechtigen eed op het Evangelie, en zij baden,
dat de uitslag van den strijd mocht overeenstemmen met de waarheid of
valschheid van hetgeen zij bezworen hadden. Zij zwoeren ook, dat zij
naar ridder wijze en met de gewone wapens kwamen strijden, en zich
het gebruik van tooverspreuken, betooveringen of magische kunsten,
ten einde de zege op hunne zijde te brengen, ontzegden. De aanklager
deed zijn eed met vaste mannelijke stem en een stout en opgeruimd
gelaat. Toen de plechtigheid ten einde was, zag hij naar de galerij
op, en boog het hoofd, als ter eere van die onzichtbare schoonheden,
die daarin verborgen waren; hierop sprong hij, geheel gewapend zoo als
hij was, in den zadel, zonder een stijgbeugel te gebruiken en liet zich
door zijn paard in huppelende sprongen naar zijne standplaats brengen
aan het oostelijke einde van het strijdperk. Koenraad verscheen ook met
genoegzame driestheid voor het altaar; maar toen hij den eed aflegde,
klonk het hol, alsof die in zijn helm verstikt werd. De lippen,
waarmede hij zich op den hemel beriep, ten einde de overwinning aan de
zaak te verleenen, verbleekten, terwijl zij den goddeloozen meineed
uitten. Toen hij zich omwendde om zijn paard te bestijgen, naderde
de grootmeester dichter tot hem, alsof hij iets aan zijn halskraag
verhelpen wilde, en fluisterde hem toe: "Dwaze bloodaard! roep uw
moed terug, en vecht dapper in dezen strijd, anders, bij den hemel,
zoo gij hem al mocht ontkomen, zult gij mij niet ontgaan!"
De woeste toon, waarop hem dit gezegd werd, voltooide misschien de
verwarring van den markies, want hij struikelde, toen hij te paard
wilde stijgen; en ofschoon hij staan bleef, met zijne gewone vlugheid
in den zadel sprong, en zijne behendigheid in het paardrijden aan
den dag legde, toen hij zijne plaats tegenover den aanklager innam,
ontging dit voorval evenwel niet aan hen, welke op voorteekens letten,
die het lot van den dag konden voorspellen. De priesters, na een
plechtig gebed, dat God de rechtvaardigheid van den strijd mocht
aan den dag brengen, verlieten het strijdperk. De trompetten van den
aanklager lieten zich toen luid hooren, en een wapenheraut riep aan
het oostelijke uiteinde van het strijdperk uit: "Hier staat een goed
ridder, sir Kenneth van Schotland, kampvechter van zijne Majesteit den
Koning Richard van Engeland, die Koenraad, markies van Montserrat,
van schandelijk verraad en beschimping, genoemden Koning aangedaan,
beschuldigt."
Toen de woorden "Kenneth van Schotland" den naam van den kampioen, die
tot hiertoe nog niet algemeen bekend was, gehoord werden, weerklonken
luide kreten van toejuiching onder het gevolg van Koning Richard,
en nauwelijks kon men, trots de herhaalde bevelen tot stilzwijgen,
het antwoord van den aangeklaagde hooren. Deze beweerde natuurlijk
zijne onschuld, en verklaarde zich bereid daarvoor met zijn lichaam
in te staan. De schildknapen der strijders naderden thans, en gaven
elk zijn schild en zijne lans, hen helpende om het eerste om den hals
te hangen, opdat de beide handen, vrij mochten blijven,--de eene om
den teugel te bestieren, de andere om de lans te kunnen hanteeren.
Het schild van den Schot vertoonde zijn oud wapen, den Luipaard, maar
er waren een halsband en eene gebroken keten bijgevoegd, als toespeling
op zijne onlangs geleden slavernij. Het schild van den markies droeg,
in verband met zijn titel, een zaagsgewijze gescheurden en rotsachtigen
berg. Ieder zwaaide zijne lans boven het hoofd, alsof hij het gewicht
en de sterkte van het zware wapen wilde beproeven, en legde ze toen
in de rust. De getuigen, herauten en schildknapen trokken zich thans
naar de barrière terug, en de strijdenden waren tegenover elkander
gezeten, gelaat tegen gelaat, met gevelde lans en gesloten vizier,
terwijl de menschelijke gedaante zoo volkomen verborgen was, dat zij
er eer als standbeelden van gegoten ijzer, dan wezens van vleesch en
bloed uitzagen. De stilte der verwachting was thans algemeen--ieder
ademde zwaarder, en de ziel van elk scheen in zijne oogen te zitten,
terwijl er geen geluid te hooren was, dan het gebriesch en gestamp der
edele rossen, die, gevoelende, wat er gebeuren zou, ongeduldig waren
om vooruit te schieten. Zij stonden aldus ongeveer drie minuten lang,
toen, op een door den Sultan gegeven teeken, honderd instrumenten de
lucht door hun metalen geluid vervulden; en elke kampioen zijn paard
de sporen gevende, en den teugel vierende, renden de paarden in vollen
galop voorwaarts, en de ridders ontmoetten elkander in het midden van
het strijdperk met een schok, aan een donderslag gelijk. De overwinning
was niet twijfelachtig,--neen zelfs geen oogenblik. Koenraad toonde
inderdaad, dat hij een geoefend krijgsman was; want hij trof zijne
tegenpartij ridderlijk midden in zijn schild, terwijl hij zijne lans
zoo recht en krachtig hield, dat ze tot aan zijn ijzeren handschoen in
splinters vloog. Sir Kenneth's paard deinsde eenige ellen achteruit,
en viel op zijne schenkels, maar de ruiter hielp het gemakkelijk met
hand en teugel op. Maar voor Koenraad was er geen herstellen aan. De
lans van Sir Kenneth was door zijn schild gedrongen, en verder door
een borstharnas met Milaneesch staal beslagen, en door een geweven
maliënkolder, die onder het borstharnas gedragen werd, hij had hem
diep in den boezem gewond en hem uit den zadel gelicht, terwijl de
punt van de lans in de wond bleef zitten. De getuigen, herauten en
Saladin zelf drongen om den gekwetsten ridder; terwijl sir Kenneth,
die reeds zijn zwaard getrokken had, eer hij nog ontdekte, dat zijn
tegenstander geheel hulpeloos was, hem thans beval zijne schuld te
bekennen. De helm werd in allerijl losgemaakt, en de gewonde, wild
ten hemel ziende, hernam: "Wat wilt gij meer?--God heeft rechtvaardig
beslist--ik ben schuldig--maar er zijn erger verraders in het kamp
dan ik.--Uit medelijden voor mijne ziel, brengt mij een biechtvader!"
Onder het uitspreken dezer woorden kwam hij weder bij.
"Den talisman--het krachtig geneesmiddel, koninklijke broeder,"
zeide Koning Richard tegen Saladin.
"De verrader," antwoordde Saladin, "is veeleer waard, om uit het
strijdperk bij de hielen naar den galg gesleept te worden, dan de
kracht van den talisman hier toe te passen;--en er spreekt zulk een
noodlot uit zijne blikken," voegde hij er bij, na den gewonden strak
te hebben aangezien; "dat, al kon zijne wond genezen, Azraël's zegel
op het voorhoofd van den ellendeling niet verdwijnen zal."
"Niettemin," hervatte Richard, "bid ik u, om voor hem te doen wat gij
kunt, opdat hij ten minste tijd tot biechten moge hebben.--Vermoord
niet ziel en lichaam te gelijk! Voor hem kan een half uur levens
tienduizend malen meer waard zijn, dan het leven van den oudsten
aartsvader."
"Aan den wensch van mijn koninklijken broeder zal voldaan worden,"
hernam Saladin. "Slaven, draagt dien gekwetsten man naar onze tent."
"Doet dat niet," zeide de Tempelier, die tot hiertoe somber en
stilzwijgend toegezien had. "De koninklijke hertog van Oostenrijk
en ik zelf zullen niet toelaten, dat deze ongelukkige vorst aan de
Sarraceenen overgegeven worde, opdat zij hunne toovermiddelen aan
hem beproeven. Wij zijn zijne getuigen, en verlangen, dat hij aan
onze zorgen toevertrouwd worden."
"Dat wil zeggen, gij weigert de zekere middelen, die tot zijn herstel
aangeboden worden?" vroeg Richard.
"Dat niet," hervatte de grootmeester zich herstellende.--"Indien de
Sultan behoorlijke geneesmiddelen gebruikt, kan hij den patiënt in
mijne tent behandelen."
"Doe dat, bid ik u, goede broeder," zeide Richard tot Saladin,
"ofschoon het verlof ongaarne is toegestaan.--Maar nu tot een
vroolijker werk.--Klinkt, trompetten--schettert ter eere van Engeland
en Engelands kampvechter!"
Trommels, klaroenen, trompetten en cymbalen lieten zich te gelijk
hooren, en het zware en regelmatige gejuich, dat sedert eeuwen de
kreet van de Engelschen geweest is, klonk te midden van het schel
en regelmatig gegil der Arabieren, als het donderen van een orgel te
midden van een huilenden storm. Ten laatste ontstond er stilte.
"Dappere ridder van den Luipaard," vervolgde Leeuwenhart, "gij hebt
getoond, dat de Neger zijne huid kan veranderen, en de Luipaard zijne
vlekken, hoewel de geestelijken zich op de heilige Schrift voor de
onmogelijkheid daarvan beroepen. Maar ik heb u nog meer te zeggen,
wanneer ik u zal geleid hebben in tegenwoordigheid der dames, de
beste rechters en belooners van ridderlijke daden."
De ridder van den Luipaard gaf door eene buiging zijne toestemming
te kennen.
"En ook gij, vorstelijke Saladin, zult u naar deze begeven. Ik
verzeker u, dat onze gemalin meenen zal niet welkom te zijn geweest,
indien haar de gelegenheid ontbreekt, om haar koninklijken gastheer
voor het allervorstelijkst onthaal te danken."
Saladin boog het hoofd beleefd, maar wees de uitnoodiging van de hand.
"Ik moet mij bij den gekwetste vervoegen," zeide hij. "De geneesheer
verlaat zijn patiënt evenmin als de kampvechter het strijdperk, al
werd hij ook in een lustoord als het paradijs, geroepen. En voorts,
koninklijke Richard, moet gij weten, dat het Oostersche bloed in
tegenwoordigheid van de schoonheid niet zoo kalm vloeit, als dat
van uw land. Wat zegt het Boek zelf?--Haar oog is als het scherp van
het zwaard des Profeets; wie zal het aanzien? Hij, die niet verbrand
wil worden, zorgt, dat hij niet op gloeiende asch treedt--de wijzen
spreiden het vlas niet uit voor eene flikkerende toorts.--Hij,
zegt de wijze, die een schat verloren heeft, handelt onverstandig,
wanneer hij zijn hoofd omwendt, om er naar te zien."
Men mag aannemen dat Richard de redenen van kieschheid eerbiedigde,
die voortsproten uit zeden, zoo verschillend van de zijne, en drong
niet verder met zijn verzoek bij hem aan.
"Deze middag," zeide de Sultan heengaande, "hoop ik, dat gij een koude
maaltijd onder de zwarte kameelhuid van een opperhoofd uit Kurdistan
zult willen aannemen."
Dezelfde uitnoodiging werd aan alle andere Christenen gedaan, die
aanzienlijk genoeg waren, om aan een feest, dat voor Vorsten bereid
was, deel te nemen.
"Luister," zeide Richard; "de pauken kondigen aan, dat onze gemalin
en haar gevolg de galerij verlaten--en zie, de tulbanden buigen ter
aarde, of zij door een vernielenden engel werden neder-geworpen. Allen
liggen daar, alsof de blik van het oog eens Arabier's den glans
van eene vrouwenwang kon bezoedelen! Kom, wij willen naar de tent,
en onzen overwinnaar in zegepraal daarheen geleiden.--Hoe beklaag
ik dezen edelen Sultan, die niets meer van de liefde kent, dan van
wezens van mindere natuur."
Blondel stemde zijne harp tot hare meestverheven accoorden, om de
intrede van den overwinnaar in de tent van Koningin Berengaria te
begroeten. Hij trad binnen, aan iedere zijde met een zijner getuigen,
Richard en Willem Langzwaard, en knielde bevallig voor de Koningin
neder, ofschoon zijne hulde grootendeels zwijgende, bewezen werd aan
Edith, die aan hare rechterhand was gezeten.
"Ontwapen hem dames," zeide de Koning, wiens grootste genot bestond
in de uitoefening van dergelijke ridderlijke gebruiken.--"Laat de
Schoonheid de Ridderschap vereeren! Maak zijne sporen los, Berengaria,
hoewel eene Koningin, zijt gij hem alle blijken van gunst verschuldigd,
die gij in staat zijt te geven,--ontdoe hem van zijn helm, Edith;--met
deze hand moet gij het doen, al waart gij de meest trotsche Plantagenet
van den geheelen stam, en hij de armste ridder op aarde!"
Beide dames gehoorzaamden aan het koninklijk bevel, Berengaria met
driftigen ijver, alsof zij begeerig was, aan den wil van haar gemaal
te voldoen, en Edith, beurtelings blozende en verbleekende, terwijl
zij langzaam en onhandig met den bijstand van Langzwaard de banden
losmaakte, die den helm aan den halskraag bevestigden.
"En wat verwacht gij onder dat metalen bekleedsel?" zeide Richard,
toen de weggenomen helm het edele gelaat van sir Kenneth vertoonde,
terwijl het gloeide door de laatste inspanning en niet minder van
aandoening. "Wat denkt gij van hem, gij dapperen en schoonen?" vroeg
Richard. "Gelijkt hij op een Ethiopischen slaaf, of vertoont hij het
gelaat van een gelukzoeker zonder afkomst of naam? Neen bij mijn goed
zwaard!--Hier eindigen zijne verschillende vermommingen. Hij heeft voor
u geknield, onbekend behalve door zijne eigen waarde--hij rijst op,
evenzeer hoogverheven door zijne geboorte en door zijn vermogen. De
avontuurlijke ridder, Kenneth, staat op als David Graaf van Huntingdon,
Kroonprins van Schotland."
Eene algemeene kreet van verbazing werd gehoord, en Edith liet den
helm, dien zij zoo even afgenomen had, uit hare hand vallen.
"Ja, mijne heeren," ging de Koning voort, "zoo is het. Gij weet, hoe
Schotland ons misleidde, toen het ons beloofde, dezen moedigen graaf
met een dapper korps van de besten en edelsten te zenden, om onze
wapenen in het veroveren van Palestina te steunen, maar in gebreke
bleef, zijne verbintenissen na te komen. Deze edele jongeling, onder
wiens aanvoering de Schotsche kruisvaarders ten strijde hadden moeten
trekken, hield het voor laaghartig, dat zijn arm aan den heiligen
oorlog zou onttrokken worden, en vereenigde zich in Sicilië met een
klein gevolg van aan hem gehechte trouwe dienaars, dat door vele
zijner landslieden, aan wie de rang van hun bevelhebber bekend was,
vermeerderd werd. De vertrouwden van den koninklijken prins waren
allen, op een ouden schildknaap na, door den dood weggerukt, toen
zijn maar al te goed bewaard geheim, mij bijna in den persoon van een
Schotschen avonturier een jong vorst van de schoonste verwachting
had doen opofferen.--Waarom hebt gij uwe rang verzwegen, edele
Huntingdon, toen die door mijn haastig en driftig vonnis in gevaar
gebracht werd?--Was dit, omdat gij Richard in staat hieldt, om van
het voordeel misbruik te maken, dat ik toen had op den erfgenaam van
een Koning, dien ik zoo menigmaal vijandig bevonden had?"
"Dit onrecht deed ik u niet, koninklijke Richard," antwoordde de graaf
van Huntingdon; "maar mijn hoogmoed gedoogde niet, dat ik mij als prins
van Schotland zou doen kennen, om mijn leven te redden, dat door een
gebrek van trouw aan mijn plicht in gevaar was gebracht. En bovendien
had ik eene gelofte gedaan om mijn rang onbekend te doen blijven,
totdat de kruistocht zou geëindigd zijn. Ook heb ik er geene melding
van gemaakt, behalve in articulo mortis (in het oogenblik des doods)
en onder het zegel der biecht, aan gindschen eerwaardigen kluizenaar."
"Het was dus de bekendheid met dit geheim, dat den goeden man zoo
bij mij deed aandringen, om mijn gestreng vonnis te herroepen?" zeide
Richard. "Terecht zeide hij, dat, zoo deze brave ridder op mijn bevel
ware ter dood gebracht geworden, ik de daad ongedaan zou gewenscht
hebben, al had mij dit ook een lid mijns lichaams gekost.--Een lid!--Ik
zou het ongedaan gewenscht hebben, al had mij dit mijn leven gekost;
daar de wereld zou gezegd hebben, dat Richard misbruik had gemaakt
van den toestand, waarin de erfgenaam van Schotland zich door zijn
vertrouwen in zijn edelmoedigheid had geplaatst."
"Maar mogen wij van uwe Majesteit vernemen, door welk vreemd en
gelukkig toeval dit raadsel eindelijk is opgelost?" vroeg Koningin
Berengaria.
"Er werden ons brieven uit Engeland overgebracht," zeide de Koning,
"waaruit wij vernamen, onder andere onaangename tijdingen, dat de
Koning van Schotland drie van onze edelen, die op eene bedevaart
naar St. Ninian waren, gevat, en als reden opgegeven had, dat
zijn erfgenaam, dien hij veronderstelde, in de rijen der Duitsche
ridders tegen de heidenen in Pruisen te vechten, inderdaad in onze
legerplaats en in onze macht was; en daarom was Willem voornemens,
deze edelen als gijzelaars voor zijne veiligheid te houden. Dit gaf
mij het eerste licht omtrent den wezenlijken rang van den ridder van
den Luipaard, en mijne vermoedens werden door de Vaux bevestigd,
die bij zijne terugkomst uit Askalon, den eenigen dienaar van den
graaf van Huntingdon had teruggebracht. Deze, een domme slaaf, was
dertig mijlen ver gereisd, om de Vaux een geheim mede te deelen,
dat hij mij had moeten toevertrouwen."
"Den oude Strauchan moet men niet te hard vallen," zeide de lord van
Gilsland. "Hij wist bij ondervinding, dat mijn hart wat zachter is,
dan wanneer ik mij Plantagenet noemde."
"Uw hart zacht! Gij stuk oud ijzer--gij Cumberlandsche keisteen!" riep
de Koning uit.--"Wij Plantagenets kunnen op zachte en gevoelvolle
harten roemen. Edith," ging hij voort zich tot zijne nicht wendende
met eene uitdrukking, die het bloed in hare wangen deed stijgen, "geef
mij uwe hand, schoone nicht, en geef mij de uwe, prins van Schotland."
"Laat af, mylord," antwoordde Edith, terugtredende, en trachtende hare
verwarring te verbergen, onder eene poging om over de lichtgeloovigheid
van haar koninklijken broeder te spotten. "Herinnert gij u niet,
dat mijne hand het teeken moest zijn, om de Sarraceenen en Arabieren,
Saladin en zijne geheele getulbande bende tot Christenen te bekeeren?"
"Ja, maar de wind der profetie is gedraaid, en waait nu uit een
anderen hoek," zeide Richard.
"Spot niet, vrees dat uwe banden nog krachtiger zullen worden,"
zeide de kluizenaar, vooruit tredende. "De hemel schrijft niets dan
waarheid in zijne oorkonden. Het zijn de oogen van den mensch, die te
zwak zijn, om het schrift goed te lezen. "Weet, dat, toen Saladin en
Kenneth van Schotland in mijne grot sliepen, ik in de sterren las,
dat er onder mijn dak een vorst rustte, die de geboren vijand van
Richard was, en met wien het noodlot van Edith Plantagenet moest
verbonden worden. Kon ik twijfelen, dat dit Saladin moest zijn,
wiens rang mij wel bekend was, daar hij mijne cel dikwijls bezocht,
om over de wentelingen der hemelsche lichamen te spreken?--Voorts, de
lichten aan het uitspansel verkondigden, dat deze Vorst, de gemaal van
Edith Plantagenet, een Christen moest zijn; en ik--zwak en onbezonnen
uitlegger!--leidde daaruit de bekeering af van den edelen Sultan,
wiens goede hoedanigheden hem dikwijls tot het betere geloof deden
neigen. Het gevoel mijner zwakheid heeft mij tot het stof vernederd,
maar in het stof heb ik troost gevonden! Ik heb het lot van anderen
niet goed gelezen--wie kan mij verzekeren, dat ik mij niet in mijn
eigen lot misrekend heb? God wil niet, dat wij in het huis van zijnen
raad dringen of zijne verholen geheimen bespieden. Wij moeten zijn
tijd met waken en gebed--met vrees en hoop afwachten. Ik kwam hierheen
als de ernstige ziener--de trotsche profeet--ervaren genoeg, naar ik
meende, om vorsten te onderwijzen, en zelfs met bovennatuurlijke kracht
begaafd, maar met een last bezwaard, dien ik dacht, dat alleen mijne
schouders hadden kunnen dragen. Maar mijne banden zijn verbroken! Ik
ga van hier vernederd in mijne onwetendheid, boetvaardig--maar niet
zonder hoop."
Met deze woorden verwijderde hij zich uit de bijeenzijnden, en men
verhaalt, dat van dit tijdstip af zijne aanvallen van zinneloosheid
zelden terugkeerden, en zijne boetedoeningen van zachteren aard waren,
en met beter hoop op de toekomst gepaard gingen. Zoo veel eigenwaan
ligt er zelfs in de krankzinnigheid opgesloten, dat het besef, dat
hij eene ongegronde voorspelling met zoo veel overtuiging gekoesterd
en uitgedrukt had, scheen te werken als het verlies van bloed op
het menschelijk lichaam, om den gespannen toestand der hersenen te
wijzigen en te doen verminderen.
Het is onnoodig, de gesprekken in de koninklijke tent verder te
volgen, of te onderzoeken, of David, graaf van Huntingdon, even stom
in tegenwoordigheid van Edith Plantagenet was, als toen hij verplicht
was in het karakter van een avonturier zonder afkomst of naam te
handelen. Men mag vrij gelooven, dat hij daar met behoorlijken ernst
den hartstocht openbaarde, waaraan hij het te voren zoo dikwijls
moeilijk gevonden had, woorden te geven.
Het middaguur naderde thans en Saladin wachtte om de Christen vorsten
in eene tent te ontvangen, welke, behalve hare ruime uitgestrektheid,
weinig van het gewone verblijf van den Kurd of Arabier verschilde;
evenwel was onder haar wijd en donker bekleedsel een gastmaal naar
de overvloedigste Oostersche gewoonte bereid, dat op tapijten
van de rijkste stoffen uitgespreid was, terwijl er kussens voor
de gasten gelegd waren. Maar wij kunnen ons niet bezighouden, het
goud- en zilverlaken--het krachtig Arabisch borduursel, de shawls van
kasjmir--en het Indisch neteldoek, te beschrijven, die hier in al hun
glans ten toon gespreid waren; noch veel minder het verschillende
suikerwerk, ragouts met rijst van verschillende kleuren omgeven,
met al de andere lekkernijen van de Oostersche kookkunst op te
noemen; en hunne geheel gebraden lammeren, en wild en gevogelte als
pasteien toebereid, waren in gouden, zilveren en porceleinen vazen
opgedischt en afgewisseld met groote bekers sorbet, die in sneeuw en
ijs uit de holen van den berg Libanon verkoeld waren. Een prachtige
stapel kussens boven aan de tafel scheen bestemd voor den aanlegger
van het feest en zulke hooge personen, die hij mocht uitnoodigen,
om deze plaats van onderscheiding te deelen, terwijl, van boven van
de tent in alle richtingen, maar boven deze verheven plaats in het
bijzonder, menige banier en menig vaandel wapperde, de zegeteekenen
van gewonnen veldslagen en onderworpen koninkrijken. Maar onder en
boven deze stak aan eene lange lans een lijklaken, de banier des
doods, met dit veelzeggend opschrift: "Saladin, Koning der Koningen,
de overwinnaar der overwinnaars--Saladin moet sterven." Te midden
van deze toebereidselen stonden de slaven, welke deze ververschingen
opgebracht hadden, met gebogen hoofden en gekruiste armen, stom en
roerloos als gedenkteekenen van overledenen, of als automaten, die de
aanraking van den kunstenaar afwachtten, om hen in beweging te brengen.
Terwijl de Sultan, die, gelijk de meesten, met de bijgeloovigheden
van zijn tijd behebt was, de komst van zijne vorstelijke gasten
afwachtte, stond hij peinzend gebogen over een horoskoop en eene
daarmede verbonden perkamentrol, die hem de kluizenaar van Engaddi
bij zijn vertrek uit het leger gezonden had.
"Zonderlinge en geheimzinnige wetenschap," zeide hij in zich zelven,
"die, voorwendende den sluier der toekomst op te lichten, diegene
misleidt, die zij schijnt te leiden, en het tooneel verduistert,
dat zij voorgeeft te verlichten! Wie zou niet gezegd hebben, dat ik
die gevaarlijkste vijand voor Richard was, wiens vijandschap door
de verbintenis met zijne nicht eindigen moest? Toch blijkt het nu,
dat eene vereeniging tusschen dezen dapperen graaf en de dame eene
verzoening tusschen Richard en Schotland zal teweeg brengen, een
gevaarlijker vijand dan ik, zooals eene wilde kat in de kamer meer
te vreezen is, dan een leeuw in een afgelegen woestijn.--Maar toch,"
vervolgde hij bij zich zelven, "de berekening toonde aan, dat deze
echtgenoot een Christen moest zijn.--Christen?" herhaalde hij na
eene poos zwijgen,--"dat gaf den zinneloozen dweper de hoop, dat
ik mijn geloof zou afzweren! maar mij, den getrouwen aanhanger van
den Profeet--mij moest het uit den droom geholpen hebben. "Ziedaar,
geheimzinnige rol," voegde hij er bij, die onder den stapel kussens
werpende; "vreemd en noodlottig zijn uw voorspellingen, daar zij,
zelfs wanneer zij op zich zelven waarheid behelzen, bij hem, die de
meening trachten te ontcijferen, al de uitwerkselen der valschheid
hebben.... Hoe nu! wat beteekent die stoornis!"
Hij sprak tot den dwerg Nebectamus, die zeer ontroerd in de tent
stortte, terwijl ieder van zijne vreemde en ongeëvenredigde trekken
door den schrik tot nog grooter leelijkheid verwrongen waren,--zijne
oogen stijf, zijn mond open, zijne handen met de rimpelige en mismaakte
vingers wild uitgestrekt.
"Wat is er nu?" vroeg de Sultan op gestrengen toon.
"Accipe hoc! (Neem dat)" kermde de dwerg:
"Ha! wat zegt gij?" vroeg Saladin op nieuw.
"Accipe hoc!" hernam het door schrik getroffen schepsel, misschien
zonder te weten, dat hij dezelfde woorden als te voren herhaalde.
"Vertrek, ik heb geen lust voor zotternijen!"
"Ook ik ben niet langer een gek," hervatte de dwerg, "dan om mijne
zotheid en mijn vernuft te helpen, om mijn brood te verdienen, arm,
ellendig schepsel dat ik ben.--Hoor, hoor mij, groote Sultan!"
"Welnu, zoo gij over wezenlijk onrecht te klagen hebt," antwoordde
Saladin, "gek of wijs, dan hebt gij recht op het oor des Konings--Kom
herwaarts met mij." Hierop geleidde hij hem in het binnenste der tent.
Wat ook het onderwerp van hun gesprek was, het werd spoedig afgebroken
door het schetteren der trompetten, dat de komst van de Christen
vorsten aankondigde, die Saladin koninklijk in zijne tent verwelkomde,
zoo als aan hun rang en den zijnen betaamde. Maar vooral begroette hij
den jongen graaf van Huntingdon, en wenschte hem edelmoedig geluk met
zijne vooruitzichten, ofschoon zij die, welke hij zelf gekoesterd had,
schenen te hebben belemmerd en verijdeld.
"Maar meen niet, edel jongeling," zeide de Sultan, "dat de prins
van Schotland meer welkom bij Saladin is, dan Kenneth het den
eenzamen Ilderim was, toen zij elkander in de woestijn ontmoetten,
of de ongelukkige Ethiopiër den Hakim Adonbec. Een braaf en edel
karakter, gelijk het uwe, heeft eene waarde, die van stand en geboorte
onafhankelijk is, gelijk de koele dronk, dien ik u hier aanbied,
even aangenaam uit een aarden vaas, als uit een gouden beker smaakt."
De graaf van Huntingdon gaf een gepast antwoord, en betuigde zijne
erkentelijkheid voor de verschillende gewichtige diensten, die hij
van den edelmoedigen Sultan ontvangen had; maar toen hij Saladin met
den beker sorbet, dien de Sultan hem had aangeboden, bescheid gedaan
had, kon hij zich niet weerhouden, om glimlachend op te merken:
"de dappere ridder Ilderim kende den ijsvorm niet, maar de milde
Sultan verkoelt zijn sorbet met sneeuw."
"Verlangt gij, dat een Arabier of Kurd even verstandig als een Hakim
zou zijn?" vroeg de Sultan. "Hij, die eene vermomming aanneemt,
moet het gevoel van zijn hart en de geleerdheid van zijn hoofd met
zijn aangenomen gewaad doen overeenstemmen. Ik wenschte te zien,
hoe een dapper en eerzaam ridder uit Frangistan in een strijd met een
opperhoofd, als ik toen scheen, zich zou gedragen; en ik betwijfelde
de waarheid van een bekend feit, om te zien, door welke bewijsgronden
gij uw gezegde zoudt staven."
Terwijl zij spraken, werd de aartshertog van Oostenrijk, die een
weinig ter zijde stond getroffen, door deze opmerking over den door
ijs verkoelden sorbet, en vatte met een glans van genoegen op zijn
gelaat en eenige ongemanierdheid den grooten beker, toen de Graaf
van Huntingdon op het punt stond, dien weder neer te zetten.
"Allerheerlijkst!" riep hij na eene diepe teug uit, die het heete
weêr en de koortsachtigheid, een gevolg van den vorigen dag, dubbel
aangenaam had gemaakt. Hij zuchtte, toen hij den beker aan den
grootmeester der Tempeliers overhandigde. Saladin gaf den dwerg een
teeken; deze trad vooruit, sprak met luide stem de woorden: "accipe
hoc!" De Tempelier schrikte terug, doch herstelde zich spoedig, en,
misschien om zijne verlegenheid te verbergen, bracht hij den beker
aan zijne lippen--maar deze lippen raakten slechts den rand van dien
beker. Saladin's sabel verliet zijne scheede, als de bliksem de wolk
verlaat. Hij zwaaide die in de lucht--en het hoofd van den Grootmeester
rolde naar het uiterste einde der tent.
Er ontstond een algemeene kreet van verraad, en de aartshertog,
die het naast aan Saladin met de bloedige sabel in de hand stond,
deinsde terug, alsof hij vreesde, dat hij nu aan de beurt was. Richard
en anderen sloegen de handen aan hun zwaard.
"Vrees niets, edele hertog," zeide Saladin even bedaard, alsof er
niets ware voorgevallen, "en gij, koninklijke broeder van Engeland,
wees niet vertoornd over hetgeen gij gezien hebt. Niet wegens zijn
menigvuldig verraad en niet wegens den aanslag, dien hij, volgens
getuigenis van zijn eigen schildknaap, tegen het leven van Koning
Richard maakte;--niet, omdat hij den prins van Schotland en mij
zelven in de woestijn vervolgde, en ons noodzaakte, om het leger door
de snelheid onzer paarden te redden;--niet, omdat hij de Maronieten
opgestookt had, om ons bij diezelfde gelegenheid aan te vallen, wier
plan ik echter verijdelde, door onverwacht een groot getal Arabieren
tegen hem aan te voeren;--niet om eene van al deze misdaden ligt
hij thans daar, ofschoon die wel zulk eene straf verdienden;--maar
omdat hij, nauwelijks een half uur vóór hij onze tegenwoordigheid
vergalden, gelijk de samoen den dampkring vergiftigt, zijn makker en
medeplichtige, Koenraad van Montserrat, heeft doorstoken, uit vrees,
dat deze de schandelijke samenzweringen, waarin zij beide gewikkeld
waren, mocht bekennen."
"Hoe! Koenraad vermoord?--en wel door den grootmeester, zijn getuige
en meest vertrouwden vriend?" riep Richard uit. "Edele Sultan--ik
wilde gaarne uwe woorden niet in twijfel trekken--dit evenwel moet
bewezen worden--anders...."
"Hier staat de getuige," antwoordde Saladin, op den verschrikten dwerg
wijzende. "Allah die den glimworm zendt om den nacht te verlichten,
kan door de verachtelijkste middelen geheime misdaden doen ontdekken."
De Sultan begon nu de geschiedenis van den dwerg te verhalen, die
hierop nederkwam.--In zijne dwaze nieuwsgierigheid, of, zooals hij
gedeeltelijk bekende, met het onbestemd plan om een kleinigheid te
stelen, was Nebectamus in de tent van Koenraad geraakt, die zijne
volgelingen verlaten hadden; eenige hadden ijlings het kamp verlaten,
om de tijding zijner nederlaag aan zijn broeder mede te deelen;
anderen bedienden zich van de gelegenheid tot smullen, die Saladin
hun verschaft had. De gekwetste sliep onder den invloed van Saladin's
verwonderlijken talisman, zoodat de dwerg gelegenheid had, om naar
welgevallen rond te zoeken, totdat de schrik bij het hooren van een
zwaren tred hem bewoog, zich te verbergen. Hij verschool zich achter
een gordijn, maar kon de bewegingen zien, en de woorden hooren van den
Grootmeester, die binnentrad, en den ingang van de tent zorgvuldig
achter zich dicht maakte. Zijn slachtoffer schrikte uit den slaap
op, en het scheen, dat hij dadelijk het voornemen van zijn ouden
bondgenoot vermoedde; want het was op een toon van ongerustheid,
dat hij hem vroeg, waarom hij hem stoorde?
"Ik kom om u de biecht te doen afleggen; en dan den aflaat te geven,"
antwoordde de grootmeester.
Van hun verder gesprek herinnerde zich de verschrikte dwerg weinig,
behalve dat Koenraad den grootmeester smeekte, een geknakt riet niet
te breken, en dat de Tempelier hem met een Turkschen dolk het hart
doorstak, met de woorden: "accipe hoc"--woorden, die nog lang daarnaar
de verschrikte verbeelding van den verscholen getuige kwelden.
"Ik heb mij van de waarheid van het verhaal overtuigd," zeide
Saladin, "door het lijk te doen onderzoeken; ik deed dit rampzalige
wezen, dat Allah tot ontdekker van de misdaad gemaakt heeft, in uwe
tegenwoordigheid de door den moordenaar gesproken woorden herhalen;
en gij zelf hebt de uitwerking gezien, die ze op zijn geweten teweeg
brachten."
Hier zweeg de Sultan, en de Koning van Engeland was de eerste die
het stilzwijgen afbrak:
"Indien dit de waarheid is, waaraan ik niet twijfel, hebben wij eene
groote daad van gerechtigheid aanschouwd, ofschoon die een geheel ander
karakter scheen te hebben. Maar waarom in dit gezelschap? waarom met
uwe eigen hand?"
"Ik was voornemens het anders te doen geschieden," antwoordde Saladin;
"maar had ik zijne straf niet verhaast, dan zou die geheel afgewend
geworden zijn, indien ik hem vergund had om uit mijn beker te
drinken, zoo als hij op het punt was te doen, en daar ik dan, zonder
de gastvrijheid geschonden te hebben, hem, gelijk hij verdiende, den
dood niet had kunnen doen ondergaan. Al had hij mijn vader vermoord,
en daarna mijn beker met mij gedeeld, dan had ik geen haar van zijn
hoofd durven krenken. Maar genoeg van hem--laat zijn lijk en zijne
gedachtenis uit ons midden verwijderd worden."
Het lijk werd weggebracht, en de sporen van de terechtstelling
vernietigd of verborgen met eene vaardigheid die bewees, dat het
voorval niet zoo geheel ongewoon was, dat het de dienaren en officieren
van het huis des Sultans in verlegenheid kon brengen.
Maar de Christen vorsten gevoelden, dat het tooneel, hetwelk zij
aanschouwd hadden, zwaar op hun geest drukte; en ofschoon zij, op
vriendelijk verzoek van den Sultan, hunne plaats bij het gastmaal
weder innamen, geschiedde dit echter met het stilzwijgen van twijfel
en verbazing. Het gemoed van Richard alleen overwon allen argwaan en
verlegenheid. Hij scheen evenwel ook over een voorslag na te denken,
alsof hij begeerde, die in de vleiendste en aangenaamste wijze te doen,
welke hem mogelijk was. Eindelijk dronk hij een grooten beker wijn
ledig, en zich tot den Sultan wendende, wenschte hij te weten, of het
niet waar was, dat hij den graaf van Huntingdon met een persoonlijk
gevecht had vereerd.
Saladin antwoordde glimlachend, dat hij zijn paard en zijne wapenen
tegen den erfgenaam van Schotland beproefd had, zoo als de ridders
gewoon zijn te doen, wanneer zij elkander in de woestijn ontmoeten--en
voegde hij er op bescheiden toon bij, dat, ofschoon de strijd niet
geheel beslissend geweest was, hij evenwel van zijn kant niet veel
reden had om op den uitslag te roemen. De Schot, van den anderen kant,
wees de hem toegekende meerderheid af, en wenschte die aan den Sultan
te geven.
"Gij hebt eer genoeg in die ontmoeting behaald," zeide Richard,
"en ik benijd u hierom meer, dan om de lonken van Edith Plantagenet,
ofschoon een paar daarvan voldoende zouden zijn, om een bloedig dagwerk
te betalen.--Maar wat zegt gij, edele vorsten, past het, dat zulk een
koninklijke kring van ridderschap opbreke, zonder dat er iets gedaan
wordt, waarvan toekomende tijden kunnen spreken? Wat is de nederlaag
en dood van een verrader voor eene zoo schoone kring van edele mannen,
als hier vergaderd zijn, en die niet scheiden moeten, zonder iets
aanschouwd te hebben, dat hunner achting waardiger is. Wat zegt gij,
vorstelijke Sultan--zoo wij beide thans en in tegenwoordigheid van dit
edel gezelschap den lang gevoerden strijd om dit land van Palestina
beslisten, en in eens dezen lastigen oorlog eindigden? Ginds is het
strijdperk gereed, en nooit kan het Heidendom een beteren kampvechter
verwachten, dan u. Ik wil, zoo zich niet een waardiger aanbiedt,
mijn handschoen ten voordeele van het Christendom neerleggen, en
in alle liefde en eer zullen wij met elkander den strijd op dood en
leven aangaan om het bezit van Jeruzalem."
Er volgde een diep stilzwijgen, vol verwachting op hetgeen de Sultan
zou antwoorden. Zijne wang en zijn voorhoofd kleurden sterk, en vele
van de aanwezenden waren van meening, dat hij aarzelde, of hij de
uitdaging zou aannemen, ja dan neen. Eindelijk zeide hij: "Zoo ik
voor de heilige stad vocht tegen hen, welke wij als afgodendienaars en
aanbidders van blokken en steenen en gesneden beelden beschouwen, zou
ik kunnen vertrouwen, dat Allah mijn arm kracht zou verleenen; of zoo
ik onder het zwaard van Melec Ric viel, kon ik door geen roemrijker
arm in het paradijs komen. Maar Allah heeft Jeruzalem reeds aan de
ware geloovigen gegeven, en het zou eene verzoeking van den God des
Profeets zijn, zoo ik met mijne persoonlijke kracht en behendigheid
datgene op het spel zette, wat ik door mijne groote macht bezit."
"Indien dan niet om Jeruzalem," hernam Richard op den toon van
iemand, die eene gunst van een boezemvriend verzoekt, "laat ons dan
ter liefde voor de eer ten minste drie uitvallen met scherpe lansen
tegen elkander doen."
"Zelfs dit," hernam Saladin, half glimlachende over den driftigen
ernst van Richard Leeuwenhart voor den strijd, "zelfs dit mag ik
volgens de wet niet doen. De meester stelt den herder over de kudde
aan, niet om des herders wil, maar om de schapen. Had ik een zoon, die
den scepter kon voeren, wanneer ik viel, dan zou ik de vrijheid gehad
hebben, even als ik den wil heb, om dit stoute gevecht te ondernemen;
maar uw eigen schrift zegt, dat, wanneer de herder verslagen is,
de schapen verstrooid worden."
"Gij hebt al het geluk gehad," zeide Richard, zich met een zucht tot
den Graaf van Huntingdon wendende. "Ik zou het beste jaar van mijn
leven voor dat ééne halve uur in de nabijheid van den Diamant der
woestijn gegeven hebben."
De ridderlijke opgewondenheid van Richard deed de vroolijkheid van het
gezelschap ontwaken, en toen zij eindelijk opstonden, om te vertrekken,
trad Saladin voorwaarts, en greep Richard's hand.
"Edele Koning van Engeland," zeide hij, "wij scheiden thans, om
elkander nooit weder te ontmoeten. Dat uw verbond verbroken is,
om nooit weder hersteld te worden, en dat uw eigen macht veel te
gering is om u in staat te stellen uwe onderneming voort te zetten,
is u even goed als mij bekend. Ik mag u dat Jeruzalem, hetwelk gij
zoo zeer wenscht te bezitten, niet afstaan. Het is voor ons, even als
voor u, eene heilige stad. Maar welke andere voorwaarden Richard van
Saladin vordert, die zullen hem even welwillend toegestaan worden
als gindsche fontein haar water schenkt. Ja, het zou even oprecht
toegestaan worden, zoo Richard met slechts twee boogschutters bij
hem in de woestijn stond!"
De volgende dag zag Richard naar zijne eigene legerplaats terugkeeren,
en korten tijd daarna huwde de jonge Graaf van Huntingdon met Edith
Plantagenet. De Sultan zond tot geschenk bij deze gelegenheid, den
beroemden Talisman; maar, ofschoon er vele genezingen in Europa mede
geschiedden, evenaarde toch geene in goeden uitslag en vermaardheid
die, welke de Sultan zelf verricht had. Deze is nog in aanwezen, daar
de Graaf van Huntingdon hem aan een dapper Schotsch ridder, Sir Mungo
of the Lee vermaakt had, in wiens oud en zeer geëerd geslacht deze nog
wordt bewaard; en ofschoon betooverde steenen uit de hedendaagsche
pharmacopoea verbannen zijn, worden de krachten ervan nog voor het
stillen van het bloed in gevallen van hondsdolheid gebruikt.
Hier eindigt onze geschiedenis, daar de voorwaarden, waarop Richard
zijne veroveringen prijsgaf, in elke geschiedenis van dat tijdvak te
vinden zijn.