XIV

Na langen tijd hief hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar

binnen en hadden een rooden glans. Het schenen rechte, gouden staven.

'Vader! Vader!' fluisterde johannes.

Buiten vervulde de zon de geheele natuur met een wolk van schitterend

gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in plechtige

zonnewijding.

En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was als

zongen de lichte stralen.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes hief het hoofd op en luisterde. Het ruischte in zijn ooren.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Het was als Windekind's stem. Die alleen had hem zoo genoemd, zou hij

hem nu roepen?

Doch hij zag naar het gelaat naast hem, hij wilde niet meer luisteren.

'Arme, lieve vader!' zeide hij.

Doch plotseling klonk het weer om hem, van alle zijden om hem, zoo

sterk, zoo dringend, dat hij huiverde van wonderbare aandoening.

'Zonnezoon! Zonnezoon!'

Johannes stond op en staarde naar buiten. Welk licht! welk heerlijk

licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tusschen de

grashalmen en vonkelde in de donkere schaduwplekken. De gansche lucht

was er mede vervuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, teedere

avondwolkjes vormden.

Over het grasveld tusschen de groene boomen en heesters zag hij de

duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw

des hemels.

Rustig lagen zij gestrekt in een kleed van teedere tinten. De fijne

golving hunner omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes

voelde weder hoe het was, toen Windekind hem had leeren bidden.

Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Zie! daar

midden in het licht, wat daar schemert in een waas van goud en blauw, is

dat niet Windekind, die hem wenkt?

Johannes vloog naar buiten in den zonneglans. Daar stond hij een oogwenk

stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, en durfde zich

nauwelijks bewegen, waar het loover zoo stil was.

Doch daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind,

zeker! hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond

half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de

linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen der

slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

Met een blijden kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de

geliefde verschijning. Doch ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met

lachend gelaat en wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in langzame

daling, maar dan rees zij weder op, licht en snel en zweefde verder als

het zaadpluis, dat de wind voortdrijft.

Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zooals vroeger en zooals in

zijn droom. Doch de aarde trok zijne voeten, en zijn tred bleef zwaar op

den grazigen grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de

struiken, wier loover ritselend langs zijn kleederen streek en wier

takken hem striemden in het gelaat. Zwoegend moest hij de mossige

hellingen der duinen beklimmen. Doch hij volgde onvermoeid en zijn oog

werd niet afgewend van Windekind's stralende verschijning, van wat daar

blonk in de hooggeheven hand.

Daar was hij midden in duin. In de gloeiende valleien bloeiden de

duinrozen en zagen met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht.

Ook bloeiden er vele andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen,

zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden.

Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl

hij voortging, het thijm rook hij en den geur van het droge rendiermos,

dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

En voor het liefelijk beeld dat hij vervolgde, zag hij de bonte

duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en roode kapelletjes, en het

zandoogje, het vroolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van

het teederste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de

duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tusschen het

geblakerde duingras.

Wat was het heerlijk, wat zoude hij gelukkig zijn, als hij maar bij

Windekind was. Doch Windekind zweefde verder en altijd verder. Ademloos

moest hij volgen. De groote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem

tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten

schudden de lange hoofden, als hij ze wegduwde in zijn vaart. Hij klom

tegen de zandige walletjes op en kwetste zijn handen aan het

stekelig helm.

Hij drong door de lage berkenboschjes waar het gras hem tot de knieën

reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden

tusschen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met

dien van het berkenloof en van de munthe, die talrijk groeide op den

moerassigen grond.

Doch toen hielden de boschjes, het groen en de kleurige bloemen op.

Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tusschen het vale,

dorre helm.

Op den top der laatste hooge duinenrij zag Johannes Windekind's beeld.

Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend

klonk een groot gestadig bruisen van gene zijde, door een koelen wind

overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en

langzaam klom hij de laatste helling op. Daarboven viel hij op de knieën

en staarde over de zee.

Toen hij zich boven den duinrand verhief, omgaf hem een roode gloed. De

avondwolken hadden zich ter uitvaart van het licht geschaard. Als een

wijde kring van geweldige rotsblokken met roodgloeiende randen omgaven

zij de dalende zon. Op de zee was een breede weg van levend purpervuur,

een vlammende, schitterende lichtweg, leidende naar den ingang des

verren hemels.

Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden teedere

tinten van blauw en rose dooreen, in de diepte van de lichtgrot.

Daarbuiten langs den ganschen wijden hemel glansden roode vlammen en

strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend

vuur.

Johannes wachtte, totdat de zonneschijf den gloeienden weg die tot hem

leidde, aan het verste einde aanraakte.

Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd

was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het

strand op de breede vuurbaan. Aan het eene einde der boot stond

Windekind's ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn

hand. Aan het andere einde herkende Johannes den duisteren Dood.

'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat

Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het

midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag

hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam

naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en

rustig kwam hij nader.

Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker.

Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos

zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.

'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'

'Ik ben meer!' zeide hij.

'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.

'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als

priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf

geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen

niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie

mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'

'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.

'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen

niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe

liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet

gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'

'Waarom zie ik u nu eerst?'

'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet

voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u

verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende

vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.

'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een

andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe

keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij

verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de

menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat

gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe

uwe keuze.'

Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte

af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen

begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar

de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.

* * * * *

Wellicht vertel ik u eenmaal meer van den kleinen Johannes, doch op een

sprookje zal het dan niet meer gelijken.

De kleine Johannes · 第 18 / 19 题