Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en
prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten
waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem
liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover
durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en
wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en
maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn,
als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte,
dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en
dorre takken opvlogen in de lucht.
Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet,
en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord,
wanneer hij een van zijn oude vragen deed.
Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en
eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen
herfstdag, die dan volgen zou.
'Wistik! Wistik!'
Windekind hoorde het.
'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw
vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij,
heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'
'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook
zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom
blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen?
Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden
laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo
moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer
opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is
dat? Wat wil de wind?'
'Arme Johannes! dat is menschentaal!'
'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'
'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch
vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de
herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden
menschen, die Wistik gesproken hebben.'
'Zijn er zooveel?'
'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een
prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de
menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem
misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt.
Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als
sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al
hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde
stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten
den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen.
Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun
holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren
zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en
wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken
zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten
hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft
de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen
en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken
watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water
maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om
die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme
verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u
ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik!
Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter.
Pas op voor hem, Johannes!'
Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen;
boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels.
Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.
'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker,
daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'
'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig
geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk.
'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer
dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en
gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw
vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning
zijn.
'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam,
blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust,
Johannes!'
Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang
voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en
gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het
maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst,
beschermd door het blauwe manteltje.
Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en
onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald.
Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde
het bosch.
Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes'
hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom
waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde
verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren
vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes.
Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het
groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind
sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het
blauwe manteltje weg.
'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij
zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'
'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop
antwoorden?'
'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te
doen?'
'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'
'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?
'Als ik kan, zeker!'
'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok
zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug
van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den
gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent
het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
'Ja!' zeide Wistik.
'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond
nog nooit een elfenvriend.'
'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de
handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens,
en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij
anders geen grashalmpje boog.
Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek
zij hem laag.
'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog
krijschend op.
Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om
hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de
sterrenlucht.
Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis
in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.