Windekind zeide: 'en Simon?'

'O, het kan Simon niet zooveel schelen, of ik van hem houd. Ik geloof,

dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de

vischvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Gelooft ge, dat

Simon een gewone kat is, Windekind?'

'Neen, hij is vroeger een mensch geweest.'

Hoe-oe-oe! boms! daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan. 'Kunt

gij niet beter voor u uitkijken,' bromde de meikever 'dat elfengoed

vliegt maar, alsof het de heele lucht in pacht had! Dat heb je van die

nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, iemand als

ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zoo hard eet, als hij

kan, wordt er door uit den koers gebracht.'

Onder luid gebrom vloog hij verder.

'Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?' vroeg Johannes.

'Ja, dat is zoo meikever-gewoonte. Bij de meikevers wordt het als

hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Wil ik u eens de geschiedenis

van een jongen meikever vertellen?'

'Ja doe dat, Windekind.'

'Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit den grond was gekropen.

Nu, dat was een groote verrassing. Een geheel jaar had hij onder de

donkere aarde gezeten en gewacht op den eersten warmen avond. En toen

hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende

gras en de zingende vogels hem geheel in verlegenheid. Hij wist niet,

wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de

buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte

hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn

soort, had glanzige, zwarte pooten, een dik, bestoven achterlijf en een

borstschild, dat als een spiegel glom. Gelukkig zag hij al gauw, niet

ver van hem vandaan, een anderen meikever, wel niet zoo'n mooien, maar

een die al een dag vroeger uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel

bescheiden, omdat hij nog zoo jong was, roept hij dezen aan.

'Wat wou je, vriendje!' zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat

het een nieuweling was, 'wou je mij den weg vragen?'

'Neen, ziet u! zeide de jongste beleefd, 'maar ik weet niet, wat ik hier

doen moet. Wat doet men zoo als meikever?'

'Zoo! zoo!' zeide de ander, 'weet je dat niet. Nu, dat neem ik niet

kwalijk, ik ben óók zoo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je

zeggen. De hoofdzaak in het meikever-leven is eten. Niet ver hier

vandaan is een kostelijke lindenhaag, die is daar voor ons gezet om er

zoo vlijtig mogelijk van te eten.'

'Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?' vroeg de jonge kever.

'Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iederen morgen

komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij

tot zich, in een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar

alle meikevers gelukkig bijeen zijn. Wie echter, in plaats van te eten,

den ganschen nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen.'

'Wie is dat?' vroeg de nieuweling.

'Dat is een vreeselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter

ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet.' Toen de

kever dat zeide, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hun door

merg en been drong.

'Hu! dat is hij,' riep de oudste. 'Pas op voor hem, jonge vriend. Wees

dankbaar dat ik je bijtijds heb gewaarschuwd. Je hebt een ganschen nacht

voor je, verknoei dien nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt

door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een

ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere

schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!'

'Toen scharrelde de kever, die een heelen dag ouder was, tusschen de

grashalmen verder en liet den eersten getroffen achter. Weet je wat een

roeping is, Johannes? Niet! Nu, dat wist die jonge kever ook niet. Het

stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die

lindenhaag komen? 'Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm,

die zachtjes wiegelde in den avondwind. Dien pakte hij maar vast beet,

met zijn zes kromme pootjes. Het scheen een hoog gevaarte van beneden

gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in. 'Dat is een roeping!'

dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, dikwijls gleed

hij terug, maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje

was geklommen en mede wiegelde met de schommelingen, voelde hij zich

voldaan en gelukkig. Welk een uitzicht had hij hier! Het scheen hem,

alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zoo van alle kanten door

lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk

werd het hem daarbij te moede! Nog hooger wilde hij!

'Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels

even trillen. Hooger wilde hij! Hooger! Weer trilden zijne vleugels, de

pooten lieten den grashalm los en--O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog

hij vrij en vroolijk in de stille, warme avondlucht.'

'En toen?' vroeg Johannes.

'Het vervolg is niet vroolijk. Dat vertel ik u later wel eens.'

Zij waren over den vijver heengevlogen. Een paar late, witte kapelletjes

fladderden met hen mede.

'Waar gaat de reis heen, elfen?' vroegen zij.

'Naar de groote duinroos, die daar bloeit tegen gindsche helling.'

'Wij gaan mede! wij gaan mede!'

Reeds van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke teedergele

zijde-zachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd en de geopende

bloemen vertoonden roode streepjes, als teekenen van den tijd toen zij

nog knoppen waren.

In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde den omtrek met

haar wonderzoete geuren. Zoo heerlijk zijn die, dat de duin-elfen

daarvan alleen leven.

De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem aan bloem. 'Wij komen

u een schat toevertrouwen,' riep Windekind, 'wilt gij dien voor ons

hoeden?'

'Waarom niet? waarom niet?' fluisterde de duinroos, 'het wachten

verveelt mij niet, en ik denk hier niet vandaan te gaan, als men mij

niet weghaalt. Ook heb ik scherpe doornen.'

Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een

gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.

'Als gij het nu weer hebben wilt, dan moet gij mij weer roepen. Dan

behoeft gij de roos geen schade te doen.'

De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over den ingang en zwoer

plechtig het trouw te bewaken. De kapelletjes waren getuigen.

Den volgenden morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij

Presto, de klok en het behangsel. Het koord om zijn hals en het

sleuteltje daaraan waren verdwenen.

De kleine Johannes · 第 6 / 19 题