[Illustratie: Foto P. Clausing Jr.--Haarlem Dr. J.D.
BIERENS DE HAAN (eind 1913)]
(* 1866)
De lezer wete, dat Bierens de Haan tot de zeer enkelen behoort, die mij
in den tijd dat ik mijn weg nog moest zoeken, zonder overhaasting hebben
aangehoord en mij den raad hebben gegeven, die over de moeilijkheden van
het begin heen voert. Voor 't eerst maakte ik toen intiemer kennis
meteen werkelijk wijsgeers-temperament. Mijn groote dankbaarheid heb ik
nooit nadrukkelijk geuit, maar wel in mijn houding doen blijken, en zoo
is er in den loop der jaren een zekere vertrouwelijkheid ontstaan. Dien
morgen echter zat hij tegenover me met een glimlach, dien ik nog niet
van hem kende. O, hij was mij niet vreemd geworden! Hij heeft de
eigenaardigheid, die ik overigens vooral bij schilders heb opgemerkt,
dat niemand hem absoluut vreemd is; zijn onbewust maar zeer actief
indringingsvermogen geeft reeds bij eerste ontmoeting de gewaarwording
dat hij u jaren kent. Maar de eigenlijke verkwikkende voeling kwam pas,
toen ons "interview" was afgeloopen en hij niet meer met een zekere
reserve dóór mijn aanteekenboek heen tot het publiek sprak. Na de eerste
verwelkoming--hij had in een fauteuil naast mij gezeten--stond hij
vastbesloten op en bereikte in een paar stappen zijn werktafel. Ik zeg
met voordacht: een paar stappen. Want terwijl zijn rijzige gestalte met
enkele losse en toch sierlijk-bedwongen bewegingen door de kamer ging,
had ik het gevoel dat hij een zaal doorschreed en dat er een groote
afstand lag tusschen de mij zoo bekende werktafel, waaraan hij plaats
nam, en mijn stoel bij het venster. Tot dezen prijs dus had ik het
korte, heusche briefje gekocht waarmede hij mijn verzoek om een
"vraag-gesprek" inwilligde! Ik besefte dat er voor hem groote
zelf-overwinning mee gemoeid was, dat hij het publiek den _groei_ van
zijn persoonlijkheid ging verhalen: Een sterk geconcentreerd gemoed is
een _geheel_ en sluit de wonden die aan zijn oorzaken herinneren; het is
zijn grootste genot zichzelf onafhankelijk te bezitten en zijn vroegere
afhankelijkheid te vergeten. Maar mijn gastheer, nu hij uit
vriendelijkheid en belangstelling voor mijn werk eenmaal had toegestemd,
deed van de moeilijkheid waarin hij zich bevond verder niets blijken.
Hij debiteerde niet de gemeenplaats, dat hij "het land had aan
persoonlijk gedoe", welke ik in den laatsten tijd wel eens heb hooren
uiten in een toon en een tempo, die de woorden ten duidelijkste
wêerspraken. Slechts dat fijne gebaar van zich terugtrekken verraadde
(of verkondigde?) de opoffering die hij overigens glimlachend
volvoerde,--gelijk oprechte offers plegen te worden gebracht. En zich
verontschuldigend, dat hij het een en ander had opgezocht en dus niet
onvoorbereid was en zijn antwoorden niet improviseerde, deelde hij mij
het volgende mede:
In September 1887 is hij begonnen "De Nieuwe Gids" te lezen met groote
sympathie èn met een zekere terughoudendheid. De sympathie gold de
volkomen vrijmaking, die de nieuwe beweging bracht: Ik voelde dat dit
het punt was van overeenkomst tusschen hen en mij: er moest op dat
oogenblik absolute vrijheid zijn, dat wil zeggen: Het subject moest
geheel zich zelf kunnen wezen en dus de banden, de zeden die tot nu toe
waren vastgesteld, moesten losgemaakt worden. Dat was het, dat ik
sympathiek vond en daarbij kwam: Het doen gelden van de directe levende
waarde van het Woord. In het woord heb ik altijd mijn eigen leven
teruggevoeld: Het woord moest levend zijn, de mensch moest het woord
hebben om zijn innerlijk te uiten. Dat had ik al voorvoeld bij het lezen
van Milton en Shelley, maar omdat het geen Nederlanders waren, was toch
nooit het besef van het levende woord zoo tot mij doorgedrongen als toen
"De Nieuwe Gids" mij daarvan de openbaring gaf.
Deze twee elementen zijn de aanknoopingspunten geweest, waardoor hij
zich--hoewel jonger dan de leiders--in de beweging voelde staan. Maar
tegelijkertijd voelde hij een zekere terughoudendheid, omdat hij inzag
dat het intellect, het geestelijk gehalte, ontbrak: Het was als het ware
"Lyriek zonder idee". Hoewel nog zeer in het onbepaalde, begreep hij wel
dat lyriek en idee op een of andere wijze verbonden moesten worden: Het
zoo uitsluitend impressionistisch gevormde woord heeft mij
tegelijkertijd aangetrokken en onbevredigd gelaten.
Hij was toen student in Amsterdam, waar hij een jaar gestudeerd heeft,
voor hij naar Utrecht ging. Te Utrecht vond hij in de studentenwereld
een vrij duffen geest. Er was nog niets bekend van wat in de hoofdplaats
van ons land de gemoederen in beroering bracht. Hij poogde de
studentenmaatschappij wat schoonheidsgevoel en wat nieuw-letterkundig
gevoel bij te brengen, maar zonder succes. Hij schreef in dien tijd in
realistisch-impressionistischen trant eenige verhalen en naderhand onder
pseudoniem een enkel stuk in "Nederland", maar bij dien schrijftrant is
hij niet lang gebleven "omdat mijn studie mij ook riep naar meer
speculatieve waarden." Toen zijn een tijdlang Fransche schrijvers als
Verlaine, Maeterlinck, Hello zijn gidsen geweest, vooral de laatste om
de mystische grootschheid en idéerijkheid van zijn woord. Ik weet niet
of ik hen nu nog zoo hoog stel als vroeger.
Dit heeft zijn heele denken geleid in een richting, verwant en toch weer
niet verwant aan "De Nieuwe Gids". Het eenige stuk waaruit dit duidelijk
blijkt is geweest, in den laatsten jaargang van de oude serie van dat
tijdschrift, een "Psychologie van het leven". "Dat stuk," zoo verhaalde
hij mij, is zeker heel onvolmaakt, maar het toont toch dat mijn werk een
andere richting uitging dan de zuiver literaire, waar ik mij tevoren toe
had geroepen gevoeld.... Ik blijf de "Nieuwe Gids" eeuwig dankbaar voor
de openbaring van de zinnelijke waarde van het woord, dat het woord niet
een abstractie is, maar een direct symbool, waarin ons innerlijk zijn
sprekend equivalent kan vinden. En wanneer ik bescheidenlijk zeggen mag,
dat ik eenigen stijl heb, dan is 't omdat het woord altijd voor mij die
waarde heeft behouden en nooit abstract geworden is. Ik meen dat dit ook
het groote onderscheid is tusschen de wijsgeerige schrijfwijze van
vroeger en mijn schrijfwijze--dat toen het woord alleen gold als term en
wij nu het woord als een levend bezit kunnen handhaven. Er is een zekere
zinnelijkheid in het woord, dat onmisbaar is om het woord zijn
beteekenis als levend equivalent van den geest te doen behouden.
In dien tijd werd "De Kroniek" opgericht en dit was het terrein waarop
hij zijn eerste werk heeft geleverd. Hij woonde toen in een uiterste
hoekje van Twente. Hij genoot daar op bijzondere wijze van zijn
landelijke omgeving. Die landstreek had iets geheimzinnig eenzaams, dat
hij sindsdien nergens heeft teruggevonden. Typisch voor de
afgeslotenheid waarin hij leefde is wel, dat de menschen daar hem "de
Hollander" noemden. Het kan wel zijn dat het mijn gemoedsstemming was,
die zich daarin weerspiegelde, maar die geheimzinnige eenzaamheid, met
de eigenaardige flora, die ik ook nooit meer heb teruggezien, wekte een
sterke eenheid met de natuur in mij op. Dat geeft een zoo lokale kleur
aan je gemoed, dat het waarschijnlijk voor anderen niet zoo benaderbaar
is als voor den persoon die het zelf heeft doorleefd. Een streek--van
moeras en heuvels--in groote eenzaamheid--ver van alle verkeer gelegen.
Ik woonde er ook geheel als vreemdeling. En dit gaf mij die buitengewone
bekoring van terug te duiken in het natuurleven, en dus heel sterk dien
band te voelen met natuur en zinnen, die behoedt tegen louter abstract
zijn, waartoe de wijsbegeerte zoo licht aanleiding kan geven.
In samenhang daarmee en in tegenstelling tegelijk, heb ik mij toen meer
rechtstreeks stelselmatig toegelegd op de wijsgeerige studie. Ik ben
begonnen met de positivistische philosophie van Hume--waarschijnlijk
omdat men meestal begint met met zijn vijanden af te rekenen. Die vijand
namelijk is een element van ons eigen gemoed. Als hij niet in ons woont
bestrijden we hem niet.... Ja, deze leer woonde in mijn gemoed en dat
was voor mij een aanleiding om het positivisme ernstig te onderzoeken en
tegen-motieven te vinden. En van Hume kwam ik op Spinoza.
Mijn eerste studie in "De Kroniek" was een stuk over Spinoza. Ik meende
in hem een levensleer te vinden die uitgaat van de geestelijke Idee.
Daarmede had ik mijn werk gericht in de lijn der wijsbegeerte en ben
toen uit de directe omgeving van de literatuur losgeraakt. En onderwijl
heb ik voor mij zelf een reeks kennis-theoretische studies ondernomen,
die ik nooit gepubliceerd heb en die wel zeer onrijp zullen wezen, maar
die voor mij dit voor hadden, dat ik nu het Kennen leerde beschouwen als
een geestesarbeid, en dus onzen geest als _activiteit_, in tegenstelling
tot de positivistische opvatting, die ons geheele geesteswerk beschouwt
als een associatie, als een soort van natuurproduct.
Maar Spinoza heeft weldra mijn liefde gekregen, en er zijn weinig weken
in mijn eerste tiental studiejaren geweest, dat ik niet in Spinoza
gewerkt heb....
Wanneer u nu vraagt naar de vrucht van de periode, waarin dus eenerzijds
in mij het levende natuurgevoel en de zinnelijke waarde van het woord
versterkt werden en anderzijds in mij de bewustwording van de Idee werd
aangekweekt, dan verwijs ik u naar mijn bundel _Idee-studies_. Ik had
onderwijl een paar studies geschreven: de eerste was over het
oorzaak-begrip, en met de tweede was ik in de gewenschte lijn gekomen:
zij was getiteld: "De norm der Waarheid is in ons zelf". De geestelijke
waarde werd daarin vastgesteld als een eigenschap van eigen
subjectiviteit. Daardoor krijgen de denker zoowel als de artiest het
recht tot zelf-openbaring. En zooals de artiest zijn zelfopenbaring als
schoonheid aanziet, heeft de denker het recht zijn zelfopenbaring als
waarheid te erkennen. Ik stelde dus een parallel tusschen denker en
kunstenaar vast. Maar de idee-studies zijn dan, eigenlijk, laat ons
zeggen, de rijpe vrucht van die periode, waarvan ik de twee zijden nu
tegenover elkaar heb uiteengezet.... Ik heb daar veel pleizier van gehad
en ben juist bezig aan het bewerken van een tweeden druk: het is zeer
eigenaardig, weer in de sfeer te komen, waarin ik toen een pooslang heb
geleefd. Ik heb er eenige studies aan toegevoegd, die ook uit
denzelfden tijd zijn. Het blijkt mij ook, dat de idee-studies bij vele
verwante gemoederen sympathie hebben gevonden.
--In hoeverre heeft, volgens u, de Nieuwe-Gidsbeweging leiding gegeven
aan het geestelijk leven in ons land?
--Ik gevoelde dat er een groot verlangen was naar een nieuwe kunst en ik
was verzekerd dat de "Nieuwe Gids" die geven zou. Ik kon nog niet zien
de personen die hem zouden geven, omdat in de verschillende leiders zeer
schoone eigenschappen zichtbaar waren, maar geen aanwijzing van het
groote werk dat door henzelve beloofd werd. Ik meende ook dat de
nieuwere tijd een speculatiever inhoud zou hebben dan alsnog door de
"Nieuwe Gids" werd gegeven. Maar dat de beweging een noodige heilzame
was voor de vernieuwing van het bewustzijn, voor de vrijmaking van den
geest, en dat de nieuwere cultuur in het verlengde daarvan liggen zou,
dat heb ik direct geloofd. Ik meen ook dat de wijsgeerige beweging een
afstammelinge is van de Nieuwe-Gidsbeweging. Toen het tijdschrift voor
wijsbegeerte werd opgericht, heb ik een inleidend artikel ervoor
geschreven. Daarin heb ik gezegd.... Maar laat ik u liever een stukje
voorlezen:... "een wijsgeerige _beweging_ zou niet hierna gevolgd zijn,
zoo niet daar geweest ware de literatuur van '80. Want door deze werd in
het breede een intellectueele behoefte wakker, die niet door de exakte
wetenschap werd voldaan. Zoo kon voor de wijsbegeerte ontstaan een
terrein voor algemeener belangstelling dan der enkelen. Het lag
bovendien in den aard der beweging van '80, dat uit haar een wijsgeerige
behoefte ontwaakte. Immers zij was niet maar een aktie tot voortbrengst
van literaire werken, doch veeleer een kultuurbeweging, in welke zulke
werken werden voortgebracht. De uiting was hoofdzakelijk
belletristisch, maar de uiting is het wezen niet. De nieuwe literatuur
bracht een nieuwen factor in de geestelijke beschaving aan, nl. den
hartstocht der Taal. Zooals de oudere schrijvers een moraal, een geloof,
een roeping en een godsdienst hadden, en bovendien schrijvers waren, zoo
had de nieuwe literatuur geen moraal noch godsdienst dan den hartstocht
der Taal. De Taal te hebben was een geloof; de eigen verbeeldingswaarde
en het muzikaal karakter der Taal te kweeken was een roeping. Het Woord
was niet maar als een ongevoelde klank en uitdrukkingsmiddel ten bate
van voorstelling en begrip, doch een vrije Macht. De vrije vaan des
Woords, door haar gevoerd, was aanwijzing dat zich een kultuur
toebereidde--die breeder gebied zou omvatten dan roman en vers. Zoo kon
de literatuur van '80 voor het intellekt een aansporing zijn, die ook de
wijsbegeerte ten goede kwam.... Maar nu zou blijken waarheen de Taal
drong. Want de macht, die zij geeft over de stof, noodigt tot
wijsgeerige bezinning. Taal en denken zijn tweelingsuitingen des
geestes; en een kultuur die de vrije beweging des woords tot leus heeft,
kan wel beginnen bij het zinnelijke woord maar moet eindigen bij het
geestelijke. De Taal heeft een voorstellings- en een muzikale wereld in
zich, maar ook een begripswereld; want deze laatste is tegelijk met de
taal zelve uit den aard der menschelijke subjectiviteit (den geest zelf)
voortgevloeid ... dat de literatuur van '80 haar terrein verbreeden en
de grenzen der literatuur overschrijden moest (waaruit blijkt dat zij
inderdaad een kultuurbeweging en niet slechts een literaire school was)
volgde uit haar opzet, die voor haar literatuur te groot was. Want
terwijl de leiders een hervorming van het Nederlandsche geestesleven in
vooruitzicht stelden, was hun literatuur overwegend lyrisch. En alleen
een dramatische letterkunde heeft de breedheid die een kultuur omvat.
Zoo kon dan de beweging van '80, voor zoover zij literatuur was, haar
voornemens niet vervullen en werd juist in dezen kring de nood gevoeld
om de literaire inspiratie te voeden door aan het leven een breeder
inhoud te geven, gelijk bleek in die leiders, die hun arbeid verlegden
naar het terrein der maatschappelijke hervorming...." Boeken heeft mij
toen bestreden en gezegd dat de Nieuwe Gids niet direct den hartstocht
der Taal kweekte, maar met een nieuwe levensbeschouwing kwam. Ik heb
toen met citaten uit "De Nieuwe Gids" bewezen, dat voor hem de taal
werkelijk alles was waar het om ging, en zoo de intellectueele waarde
der Taal naar voren moest komen en de wijsgeerige beweging volgen kon of
moest.
--Met de opvatting dat de beweging van '80 geen levensbeschouwing bracht
kon ik niet instemmen. Ik had in een buitenlandsch tijdschrift de
stelling verdedigd, dat de literatuur-beschouwing van de "Nieuwe Gids"
eigenlijk een levensbeschouwing was, en vroeg mijn gastheer dan ook, of
hij niet had opgemerkt dat alle jongere schrijvers van die generatie een
gemeenschappelijke levensopvatting waren toegedaan. Zijn antwoord stelde
mij teleur.
--Ik weet alleen dat het in den beginne over het algemeen positivistisch
gezinde menschen waren. Ik denk dat dat kwam door de eenzijdige
voorliefde voor de zinnelijke waarde van het woord. Aanstonds zijn er
grootere gevoelens doorgebroken. Als u Van Eeden tegenover Verwey, Kloos
tegenover Van Deijssel stelt, dan ziet u toch, dat dit zoo heterogene
menschen zijn, dat van eenheid in levensbeschouwing heel weinig sprake
is geweest. Op dat oogenblik bestond de behoefte ook niet aan ontwaking,
omdat het leven voor de taal het heele gemoed van de Nieuwe Gidsers
innam. Dat was het nieuwe gebied dat door hen geopend werd.
--Deze meening was mij ook reeds door anderen tegemoet gevoerd. Ik had
gehoopt dat Bierens de Haan mij zou bijspringen. Ik deed een laatste
poging om hem in mijn richting te leiden: Of dan niet juist een gebrek
aan levensbeschouwing de jongere dichters vereenigde? vroeg ik.
--Dat zou u kunnen zeggen, kreeg ik ten antwoord, wanneer niet dat
gebrek een noodzakelijkheid geweest ware. Omdat de aandacht zich zoo
richtte op de schoonheid, was de revolutionnaire strekking van de
beweging niets anders dan dit voorop te stellen. Dat zou tenslotte
armoede zijn geworden, wanneer niet de beweging in de richting van het
wijsgeerig denken door was gegaan.
--Het woord "armoede" leek mij in dit verband toch wat sterk gekozen, en
dit bracht mij tot de vraag, wat dan het onderscheid was tusschen de
romanliteratuur, door de tachtigers en hun verwanten gegeven, en de
wijsgeerige verdieping die mijn gastheer bedoelde?
--Het onderscheid is dit, dat in het wijsgeerig denken de behoefte
ontstond aan een stelselmatige levensbeschouwing, dat wil zeggen: aan de
centrale Idee, de centrale gedachte, de gedachte van waaruit het leven
kan worden doorzien, de levensuitingen kunnen worden begrepen en
gewaardeerd--en die behoefte is in de romanliteratuur die u bedoelt
natuurlijk niet aanwezig. Ik heb die centrale gedachte aanvankelijk bij
Spinoza gevonden. Toen was mijn denken meer psychologisch-wijsgeerig,
terwijl ik het nu liever cosmologisch-wijsgeerig noemen zou.
In Spinoza lag de grondgedachte dat het leven is een volharding in ons
eigen zijn. Van daaruit werden zoowel moraliteit als religie begrepen
en indirect ook de schoonheidszin, hoewel Spinoza dien factor van onzen
geest eigenlijk voorbijziet. Maar Spinoza had dit, dat hij althans tot
het diepste punt van onze natuur doordacht en van daaruit zijn
levensbeschouwing opbouwde. Dit was de noodige aanwijzing voor een
wijsgeerige levensleer. En nu is het merkwaardige dat Spinoza juist ook
aangewend werd door de meer positivistische denkers, de oudere
philosophen, zooals Van Vloten en Lotsy bij ons....
--Hier maakte ik de opmerking, dat van het gebrek aan levensbeschouwing
bij de tachtigers tot aan het streven naar meer wijsgeerige bezinning
nog een stap te doen bleef. Moest, zoo vroeg ik, niet eerst de
overtuiging postvatten, dat een centrale gedachte in principe te vinden
zou zijn?
Mijn gastheer beaamde dit, en hij verduidelijkte mijn bedoeling door te
spreken van den stap van het positivisme naar het idealisme. Het was
juist in den strijd tegen het positivisme, dat het idee van de
activiteit van onzen geest naar voren kwam. Waar de geestelijke
activiteit is, daar heeft ze haar eigen begrippen, daar stelt ze haar
eigen beginselen, daar stelt ze ook de centrale gedachte. Het lag in de
consequentie van den strijd tegen het positivisme, dat men de centrale
gedachte vond.
--De eenigszins wijsgeerig georiënteerde lezer begrijpt, dat ik zeer
gesticht was door deze duidelijke verklaring. Hier had ik dan uit den
mond van een philosoof, die rechtstreeks stamt uit de Nieuwe
Gidsbeweging, die in die beweging tot wijsgeer is geschoold, een
bevestiging van mijn hypothese, dat de grond-idee, die bewust of
onbewust in de Nieuwe Gidskunst is neergelegd, is de pseudo-philosophie
van hen, die zeggen geen wijsgeer te willen zijn. De schijn-verlichtheid
van het Comtisme, het spooksel dat men had te overwinnen om uit de
kunst van tachtig tot een werkelijk hoogere trap van cultuur te
komen....
Het speet mij niet dat ik Bierens de Haan had afgeleid van Lotsy, met
wien hij, ik ontveins het mij niet, nog gaarne een appeltje had
geschild. En in mijn milde stemming liet ik hem nu maar voortspinnen aan
een denkbeeld, dat eigenlijk niet in mijn lijn lag,--al behoort het tot
het grootste dat het wijsgeerig vorschen ten onzent in de laatste
vijfentwintig jaar heeft opgeleverd.
... Maar--zoo hernam hij--om op de oudere Spinozisten terug te komen: Ik
heb met Lotsy verscheiden malen in "De Kroniek" gepolemiseerd, maar dat
bepaalde zich meestal tot het stellen van onvriendelijke noten van
weerszijden onder de pagina's. Wat mij overtuigd heeft dat Spinoza
inderdaad _idealistisch_ dacht, is het einde van de Ethiek, waar de
"intellectueele liefde tot God" als het hoogst bereikbare van het leven
gesteld wordt, als geheel liggend in de lijn van de volharding des
menschen in zijn eigen zijn. Daarom meende ik dat ook een idealistische
interpretatie van het Spinozistisch levenssysteem geoorloofd was. De
vrucht daarvan is geweest mijn boek "_Levensleer naar de beginselen van
Spinoza_," dat ik in 1900 uitgegeven heb bij Martinus Nijhoff.
Al meer ben ik toen ons geestesleven gaan opvatten als een bewustwording
van ons innerlijke wezen en in die lijn is mijn geheele gedachteleven
doorgegaan. En dat Spinoza nog steeds mijn sympathie heeft, kan hieruit
blijken, dat ik op verzoek van de "Hollandia-drukkerij" geschreven heb
de vertaling van de hoofdpassage's uit Spinoza's Ethica, met een
inleiding over het Spinozistisch denken. Maar daar komt nu juist weer
meer een cosmologische opvatting van het leven voor den dag, die ook in
Spinoza steekt en die ik vroeger wel wat heel sterk afscheidde van de
psychologische, nl. in deze uitspraak: De mensch is "God voor zoover hij
niet-eindig is"--dat wil zeggen, dat er een eenheid is van het
menschelijke en het goddelijke en ook het geestesleven als verschijning
van den Cosmos moet worden doordacht. Dit echter is een verbreeding van
het psychologisch denken--geen afwijking ervan.
U ziet dus dat wij een heel andere richting opgaan dan de veel
beperktere van den psychologischen roman, die niet veel verder gaat dan
directe analyse. Maar wel kan ik hierop laten volgen, dat, wat betreft
den inhoud waarover dit denken zich uitlaat, het zich vooral beweegt in
de innerlijke zielswaarden. Terwijl vroeger de theologie het menschelijk
denken beheerschte en de onderwerpen waren bijv. "Praedestinatie en
Wonder", of "De eigenschappen Gods", of "Godsbestuur en het kwade"--zijn
in deze nieuwere speculatie de onderwerpen vooral: "Het ironische", "De
eros", "Vrijheid en gezag", "Het verband van schoonheid en denken",
"Geluk, geest en zinnen", "Het tragische", "De cultuur" e.d. Het
zwaartepunt van de aandacht ligt in de sfeer der Psyche, wat niet
wegneemt dat die zielsinhoud opgevat wordt als verschijnsel van
cosmische beweging. Wat in den mensch is, is hetzelfde als in de geheele
ontwikkeling van het wereldleven wordt vertoond. Zoo wordt echter de
wijsbegeerte veel meer cultuur-denken en gaat veel meer in den breede
dan de psychologische roman dit kan doen.
--Ik verzocht mijn gastheer nu, zijn standpunt scherp af te bakenen ten
opzichte van de twee stroomingen, die na de "Nieuwe Gids" ons geestelijk
leven trachten te beheerschen, de wijsbegeerte van het Proletariaat en
die van de Zuivere Rede, welke Bolland's volgelingen hebben gesticht.
--Het moet altijd--zoo leidde hij op het eerste zijn antwoord in--de
grondgedachte zijn van een wijsgeerige beweging, dat zij de cultuur
hervormen wil van binnen uit en niet gelooft aan een werkelijke
verhooging van de cultuur door economische maatregelen. Dat wil niet
zeggen dat er een bepaald vijandige verhouding is tegenover die
opvatting--het kan zelfs in zich sluiten een zekere erkenning van de
onmisbaarheid van economische hervormingen. Maar het is niet de
verwachting, dat daaruit werkelijk iets hoogers geboren zal worden. Dat
wil dus zeggen: De maatschappelijke rechtvaardigheid is een ondergeschikt
denkbeeld van de cultuur, maar het is niet gezegd, dat de maatschappelijke
rechtvaardigheid een socialistisch stelsel van maatschappelijke vorming
of hervorming meebrengt. In het algemeen _lijkt het_ mij, alsof de
wijsgeerig gezinde een zeker aversie heeft tegenover afgesloten meeningen
over de inrichting van de maatschappij. Ook moet men altijd een
tegenstelling tusschen maatschappij en innerlijk zien, en daaruit volgt,
dat dàn pas een hooger cultuur aanbreekt, wanneer de innerlijkheden op
een hooger plan zijn gebracht. De wijsgeerig gezinde streeft er naar, het
innerlijk te verhoogen en in zoo uitgestrekt mogelijke kringen werkzaam
te zijn tot verheffing van het zedelijk bewustzijn. Hij onthoudt zich
allicht van de propaganda voor zuiver uitwendige maatschappelijke
verbeteringen. Dat komt dus neer op een eenigszins negatieve verhouding
tegenover de socialistische strooming.--Deze is de begrippenvorming van
de behoefte aan economische verbetering en gaat niet uit van het
cosmologische begrip der Idee. Zij moet dus de geesteswaarden als surplus
of toevoegsel beschouwen, terwijl deze juist de grondleggende zijn. Het
is niet gezegd dat in een socialistisch goed geordende maatschappij het
gedachteleven, het gemoedsleven, het kunstleven, hooger staan dan in een
chaotische. Want tot nu toe zijn kunst en wijsbegeerte en poëzie in hun
hoogste vormen geweest bij alle mogelijke soorten van maatschappijen. Een
negatieve verhouding dus, die niet exclusief is tegenover maatschappelijke
wijziging, maar er het intellectueele heil niet van inziet.
--Heeft dus volgens u de intellectueel niet veel te leeren van de grootsche
gevoelens en ideeën die er leven in de massa, speciaal in het zich
organiseerende proletariaat?
Zacht, beslist en precies luidde hierop het antwoord:
--Ik wijs af een opvatting, waarbij het innerlijk niet uit zichzelf
leeft en waarbij de menigte naar economische motieven over het
geestesleven wil heerschen....
--Heeft dan het innerlijk leven, zooals u het verstaat, te vreezen van
een overwinning van de menigte?
Het antwoord ging even langs de vraag heen, maar ook hierin lag voor mij
een antwoord besloten:
--Vrees heb ik er niet voor, omdat ik niet geloof dat ooit het innerlijk
weerlegd kan worden door het economische. En omdat ik er toch ook in zie
een poging tot wijziging van het maatschappelijk samenstel, waartoe op
zichzelf een zekere grond bestaat. Treffend vind ik, dat in de latere
gedichten van Gorter, de socialistische, datgene schoon is waarin het
oude geluid van "Mei" naklinkt, zoodat men zeggen kan: Wanneer een
socialistische maatschappij bestond, ook dan zou de schoonheid niet
daaraan ontleend zijn, maar aan het innerlijke. Het innerlijke heeft
zijn zelfstandigheid en geeft die niet op. Het is het eigenlijke
dieptepunt, het centrale punt van leven en werkelijkheid. De loochening
daarvan staat gelijk aan de ontkenning dat de cirkel een middelpunt zou
hebben. De geestdrift der idee blijft altijd het ontspringpunt van
schoonheid en waarheid en ook van goedheid. Elke maatschappij zal ten
slotte weer haar waarde moeten ontleenen aan deze geestdrift, die niet
uit het maatschappelijke maar uit het innerlijke komt.--
Wat nu de strooming van "Zuivere Rede" betreft, in het algemeen zou ik
zeggen, dat de mensch altijd aangewezen is op de centrale gedachte om
van daar uit persoonlijk het leven te doorzien--maar dat het stelsel in
zijn naaktheid nooit deze rechtstreeksche zienswijze kan vervangen....
Wat niet wegneemt dat Hegel zelf een ziener is en voor hem de Idee de
levende kracht is, die geheel de natuur en de cultuur draagt. Men krijgt
bij hem heel sterk den indruk, met een ziener te doen te hebben. Dat
echter de idee van Hegel alleen maar in zijn stelsel uitgewerkt zou
kunnen worden, met andere woorden, dat het Hegelsche stelsel de
noodzakelijke uitingsvorm is van de Hegelsche grondgedachte--dat stem ik
niet toe. Althans, dunkt mij, _zal wel nooit de wijsbegeerte de kunst
mogen of kunnen vervangen, maar juist de bezielende kracht moeten zijn
voor kunst en moraliteit en religie tegelijkertijd_.
--Hoe is dan het verband tusschen kunstenaarwijsgeer en maatschappij;
denkt hij, al speculeerend, daarbij aan hen die van zijn werk kennis
zullen nemen, met andere woorden, stelt hij zich in dienst van zijn
medemenschen?
--Dat vind ik een aardige vraag. Het is juist een vraag die dikwijls
mijzelf bezighoudt, maar waarop een tweevoudig antwoord moet worden
gegeven:
Het eerste antwoord is, dat ik mij verklaar tegen alle wijsgeerig
aristocratisme, dat alleen aan zichzelf denkt.
En het tweede antwoord is, dat in hoogsten zin toch de wijsgeerige
beschouwing, en het geheele denkerschap, een innerlijk heiligdom
betreedt van het gemoed--waar zij ontoegankelijk is voor een ander.
Laat ik nu het eerste antwoord een beetje verbreeden: Het denkerschap
heeft een roeping voor de maatschappij, nu wel niet in den preciezen zin
van het woord, maar toch wel voor een zoo breed mogelijke groep van
intellectueel gezinden. Ik geloof dat wijsgeerige beschouwingen
helderheid kunnen geven, licht kunnen brengen aan veel meer geesten dan
op het oogenblik daar nog van genieten. Ik zou er zelfs voor zijn, om
bij het onderwijs aan de H.B.S. en het gymnasium te beginnen met het
doceeren van wijsgeerige gedachtengangen. Op het gymnasium kan dat zeer
goed door een uur vrij te maken voor de studie van de Grieksche
wijsgeeren, en ook op de H.B.S. kan men met de kapitaalste figuren uit
de geschiedenis der wijsbegeerte kennis maken. Dan moest men eenvoudig
maar iets van het andere onderwijs opgeven, daar kan men wel wat van
missen! Men zou bijv. de hoofdgedachten uit de "Kritik der reinen
Vernunft" in de hoogste klassen van de H.B.S. kunnen toelichten. Er zou
belangstelling kunnen gewekt worden voor Socrates, voor Cartesius, voor
Spinoza en voor Kant--men zou desnoods kunnen werken met een gedeelte
van de klassen, waarin zich belangstelling voor het intellectueele had
geopenbaard, om zoodoende zooveel mogelijk aan een ontwikkelde
meerderheid een begrip bij te brengen van intellectueele waarheden.
U ziet dus, dat het mijn bedoeling niet is, de wijsbegeerte af te
zonderen voor een kleine groep. Maar boven deze ontwikkelden zal er
blijven een speculatief gezinde minderheid, die zelf ook arbeidzaam kan
zijn in het behandelen van wijsgeerige vragen, die zelf het denken meer
als kunst zal kunnen behandelen. Dat is de groep die een eigen
scheppingsdrang voelt en dezen niet slechts in kunst- en andere werken,
maar ook in gedachtengangen wil omzetten, menschen die een enorm
levensgeluk kunnen ontleenen aan hun actief-wijsgeerige belangstelling.
Menschen die met goede leiding heel wat gedaan kunnen krijgen, terwijl
ze nu in het onbestemde ronddwalen. Zoo meen ik zeker dat de
wijsbegeerte nog heel wat meer kan doen voor de verheffing van zekere
lagen der maatschappij dan ze tot nu toe gedaan heeft.
Maar ten slotte--en nu kom ik weer aan het tweede antwoord,--zal toch
weer de wijsbegeerte zijn het denken voor de denkers zelf, die op de
Pyramide een hoogere trap bereikt hebben, dan waarop de meerderheid zal
kunnen komen.
Ik meen echter, dat de kunst al zooveel meer toegang zich verschaft
heeft tot een grooter publiek dan er voor jaren was en ook de
letterkunde, de poëzie en de dramatiek al zooveel meer gedaan hebben
voor de geestelijke opvoeding van ons geslacht, dat hierin een
aanwijzing ligt, dat ook de wijsbegeerte meer kan doen. En daarom
begroet ik ook zulke inrichtingen als de Volksuniversiteit te Amsterdam,
waar ik zelf ook les zal geven, met dankbaarheid.
Men ziet hieruit, dat naar mijn meening de wijsbegeerte van het
innerlijke uit hervormingen zal verwekken, die misschien meer resultaat
hebben voor den geestelijken bloei van ons vaderland dan oeconomische
hervormingen. Niet dat ik die laatste gering schat natuurlijk, maar mijn
liefde tot het geestesleven maakt, dat voor mij altijd weer de nadruk
valt op de eerste.
Wanneer de wijsbegeerte zich niet open wou stellen voor een grootere
schare, maar een apart bezit werd voor enkelen, die haar zorgvuldig
omsloten hielden met hun zelfbewustzijn, dan kregen we heel licht een
quasi wijsgeerige cultuur van velen, die zich de enkelen willen
wanen--wat het Nietzscheanisme bij de Duitschers is--die ieder meenen
dat zij den Uebermensch zijn--_omdat zij de scheidingslijn tusschen
intellect en menigte met voorliefde trekken inplaats van met zekere
teleurstelling_.
--Hoewel mijn gastheer--wat trouwens wel uit keus en geest zijner
woorden voelbaar is--zeer rustig en met slechts weinig nuanceering in
stem en toon sprak, klonk uit deze laatste woorden weemoed genoeg om
mijn volgende vraag te motiveeren en deze luidde:
--Is het echter bij deze opvatting niet te vreezen, dat men zich zal
laten verleiden tot een al te populairen zeggingsvorm, waarin dan de
wetenschappelijke juistheid te loor gaat?
Neen--er is een zekere artistiek wijsgeerige bewoording, waarin aan de
waarde der idee niets wordt afgedaan, maar wel een toegankelijkheid voor
een grooter kring wordt geopend. De schoone vorm is voor velen, die
anders van het abstract gehouden woord een zekeren afkeer hebben, het
middel tot toenadering. Mijn ideestudies zijn niet strikt wijsgeerig,
maar het innerlijk gehalte is het toch wel. Er is bij velen de
mogelijkheid om zich in de centrale gedachte in te denken, zonder dat
het geheele stelsel voor hen toegankelijk is. Deze menschen hebben meer
intuïtief vermogen van speculatie dan zij didactisch vermogen hebben,
maar ze zijn dan toch in de wijsgeerige cultuur mede inbegrepen. Een
minder stelselmatige en meer artistieke voordracht kan toch hebben de
hoogte of de diepte der idee die wordt benaderd. Ik geloof dat er veel
meer menschen dan men vermoedt vatbaar zijn voor zelfbezinning en dat
dit niet zoozeer een prerogatief is voor enkelen!
Het hangt allemaal af van de aanwezigheid van beschouwelijk temperament.
Ik kan niet beoordeelen of dit beschouwelijk temperament in onze
beschaving veel of weinig voorkomt. Het komt zeker veel voor bij
menschen van wie men het niet weet. Men weet het alleen van menschen die
zich uiten, niet van menschen die zich beschouwen. Althans, de
hoogstrevendheid van het willen om wereld en leven te bezien vanaf de
berghoogte--deze hoogstrevendheid is wel een innig-menschelijke behoefte
en een innig-menschelijk belang; en moet dus wel aanwezig zijn bij meer
menschen dan van wie men het merkt. En zoo vermoed ik dat er wel een
grooter kring van bewoners dezer maatschappij aanwezig zal zijn, die
vatbaar zal zijn voor het wijsgeerig woord.
--Ik merkte op dat ik thans aan de grens was gekomen van hetgeen voor
mijn enquête, die immers hoofdzakelijk van letterkundigen aard is, van
nut kon worden geacht, maar hij verzocht mij aan al hetgeen hij had
gezegd eigener beweging iets te mogen toevoegen, dat ook verband hield
met mijn gedachtengang.
--Het pessimisme, zoo zeide hij, is in de negentiende eeuw vrij algemeen
de grondstemming geweest. Ik geloof dat ieder denker het pessimisme
heeft doorgemaakt, dat zeer vele gemoederen in het pessimisme zijn
blijven steken. Ik weet echter, dat zij die erin terecht zijn gekomen,
in de wijsgeerige speculatie een kracht hebben om zich er uit te heffen.
Dat slaat niet alleen op het stemmings-pessimisme van een voorafgaande
periode of het Schopenhaueriaansch pessimisme dat een levenshaat tot
inhoud heeft, maar ook en nog meer op het intellectueel pessimisme dat
men sceptiek noemt. Want dat is eigenlijk de meest knagende vorm van
pessimistischen gemoedsaard, die zekere sceptiek, waarbij men zich eigen
gedachten niet vertrouwt, altijd zichzelf weerlegt, nooit met zichzelf
in het reine komt, altijd als het ware achter zijn eigen gedachten gaat
staan om die voor louter subjectiviteit uit te krijten. Dit
intellectueel pessimisme wordt overwonnen, zoodra onze geestelijke
energie zichzelf erkent, van zichzelf uitgaat en daarmede een vast punt
heeft dat onverzettelijk is. Ik heb in mijn werk _De Weg tot het
Inzicht_ ook niets anders bedoeld als den weg te wijzen tot dit vaste
punt, als het denken--niet over allerlei onderwerpen, maar over
zichzelf. Als toch het denken zichzelf erkent, erkent het meer dan eigen
zielsinhoud: het erkent zijn eigen grond. Die grond is een cosmisch
feit. Van daaruit kan het Denken het leven veroveren en met dat
zelfbezit is pessimisme en sceptiek overwonnen. Zoo heeft de
wijsbegeerte des te meer een cultuur-beteekenis voor het moderne
geslacht der menschen.
Naar mijn meening vindt het geheele geestesleven zijn hoogtepunt in de
religie, die niet de kerkelijke is en ook niet een aantal dogmen
verkondigt, maar is het bewuste een-zijn met den wereldgrond, met God,
dat wil zeggen: de innerlijke beleving van de waarheid zelf. Daardoor
voelt de mensch verwantschap met de religies, zooals ze zich in de
historie hebben voorgedaan. Daardoor zondert het wijsgeerig denken zich
niet af tot een aparte cultuur, maar sluit zich geheel aan bij de
religieuze cultuur aller eeuwen.
Het hoogste woord onzer wijsheid zal wel zijn de vereering, de eerbied
voor God. Ik ben niet bang voor een verkeerde opvatting bij het woord
God: het is beter dat men er een naïeve opvatting bij heeft dan
heelemaal geen. Het zich los voelen en apart voelen uit het wereldgeheel
is het noodlottigste sentiment: dat is de machteloosheid, dat is de
onvrijheid. Het bewustzijn der eenheid met God is de vrijheid. Daarom
eindigt Spinoza zijn Ethiek ook met de verheerlijking van de geestelijke
liefde tot God als hoogste levensmoment.--
Hier eindigde ons gesprek, voor zoover het betrekking had op den trek
van Kunst naar Bespiegeling, die niet alleen voor Bierens de Haan maar
tevens voor het geestelijk leven in ons land zoo kenmerkend is. Het
overige gaat buiten den lezer om. Maar één eigenaardigheid moet ik nog
vermelden. Ik had dien namiddag enkele uren door te brengen in het
gezelschap van een veertigtal woelige en ongevormde Hoogere Burgers en
-burgeressen. Het is opmerkelijk dat zulke ongecultiveerde jongelui,
zoodra ze in een _groep_ zijn vereenigd, volkomen onbewust voelen of ge
u zelf zijt of niet. Door hun gedrag vertellen ze u of ge vermoeid zijt
of afgetrokken, en menig leeraar raakte het stuur over zijn klasse kwijt
door _buiten_ zichzelf te treden. Welnu, mijn jongelui toonden dien
middag bijna ademlooze aandacht voor het weinigje dat ik hun mocht
voordragen, en ik weet zeker dat dit is toe te schrijven aan den moed en
zekerheid die ik uit dit gesprek had geput.
We spraken dus en ten slotte vroeg ik hem wat toch de beteekenis is van
't beeldhouwwerk aan zijn schoorsteenmantel. Hij deelde het mij mede, en
een beschrijving van zijn (weliswaar niet huiselijken, doch
persoonlijken) haard moge niet alleen dit opstel, maar ook het relaas
van geheel mijn onderzoek besluiten en symboliseeren:
De hooge schouw is omgeven door een eikenhouten lijst, waaruit, te
weerszijden, het borstbeeld van een Faun en een denkerskop te voorschijn
treden. Zij kijken elkander aan over den haard van mijn gastheer, maar
men weet niet of ze elkander wel zien. De Faun heeft het oog gericht op
een figuur, bestaande uit twee dooreengevlochten driehoeken in een
cirkel. Hij stelt voor de natuur in haar dubbel-karakter van grilligheid
èn planmatigheid. De denkerskop (hij gelijkt iets op Goethe in zijn
laatste jaren) ziet uit naar een stralende ster: hij stelt voor het
geestesleven, door het geestelijk Licht bestraald. Tusschen beide
borstbeelden slingeren guirlandes over den houten lijst, die elkander
halverwege in een vlammend altaar--den wereldhaard--boven den
menschelijken haard ontmoeten. Achter den Faun (in een afzonderlijk vak)
prijkt een boom, de natuurkracht; achter den Denker de duif met aureool,
aldus de geestelijke bezieling voorstellend.
Deze schouwlijst wordt geschraagd door zandsteenen zuiltjes, waaruit de
kop van den denker Plato en de kop van den dichter Dante te voorschijn
komen en de kamer in staren.
Het moet schoon zijn, zijn haard te vestigen tusschen natuurkracht en
geestelijke bezieling, wanneer die beiden elkander in een vlammend
altaar ontmoeten.
Moge onze Nederlandsche cultuur zich harmonisch en wel-bewust
ontwikkelen volgens dit symbool. Dan staan wij schrap tegenover
geestelijke vijanden die onze cultuur bedreigen--gelijk onze duinen,
waar deze ménschelijke haard geplant is, schrap stonden en staan tegen
een materiëelen belager.
Kerstmis 1913.