ADAMA VAN SCHELTEMA

[Illustratie: Foto Koene & Büttinghausen ADAMA VAN SCHELTEMA

(Amsterdamsche periode)]

[Illustratie: ADAMA VAN SCHELTEMA]

(* 1877)

Wie de leidende personen van ons nationaal geestelijk leven opzoekt,

leert daardoor tevens ons land in zijn meest karakteristieke plekken

kennen. Hij raakt zoo vertrouwd ook met de omgeving van denkers en

kunstenaars, dat hij verband en overeenstemming gaat bespeuren tusschen

man en woonplaats; niet alsof het milieu den man en zijn denkwijze

gemaakt had', maar aldus, dat de man na lang zwerven een zoo passende

woonplaats heeft gevonden, dat hij er uit schijnt te groeien.

Ditmaal voerde mijn weg, van het doodsche asfalt, door stekelig

electriek beschenen, onzer eerste koopstad, langs bosch- en duinrand

naar de jonge kunstenaarskolonie Bergen.

In deze streek, zoo bevallig door Hildebrand geteekend, hebben de

dorpers blijkbaar nog niet begrepen dat die stadsmenschen tòch wel

komen, en, misschien ook wel in verband met het sòort stadsmenschen dat

er komt, hebben ze, heel anders dan de Zandvoorters bijv., een bijna

kinderlijke beleefdheid, een natuurlijke welgemanierdheid bewaard, welke

herinnert aan de landlieden, door de dichters uit de Engelsche

meeren-school bezongen. Ze detoneeren niet in de mooie natuur. Men kan

zich ongestoord aan zijn stemming overgeven, en aan die eigenaardige

stilte, die door de nabijheid van de wijde zee veroorzaakt wordt--ook al

ontmoet men nu en dan een afgezwoegden, schonkigen dorpeling.

--Hier, op de grens tusschen ons vette akker- en weiland en onze

hoogste duinen, waar men, ver van Amsterdam, toch iets van Amsterdam's

beste essence meent te proeven, heeft Adama van Scheltema zich onlangs

neergezet in zijn huisje genaamd "De Windroos".

En als men in het portiek staat, naast de bakken met vroolijk-decoratieve

geraniums, leest men, voordat men de deur _verder_ openduwt, het opschrift:

Ik zie naar ieder wind

Op elke verre kust

Doch in mij zelve vindt

Gij aller streken rust.

een fiere uitspraak, die den dichter welke haar vormde op

karakteristieke wijze eert.

Het lage huisje, onder zijn hooge roode dak, ligt verscholen achter een

boschje jong eikenhout, waarin men een toegangslaan heeft uitgehakt,

iets ter zijde van den hoofdweg. Er achter een weiland, dat tegen de

duinhelling verloopt, met veel bloemen, de eigenaardige flora van die

streken: naast de schimmig-armoedige witte klaver, de welgedane roode

klaver; naast de stijlige purpur-bloeiende bastaard-wederik, de thijm;

naast witte koekoeksbloem, de gele honing-klavers met hun doordringenden

geur van versch gesneden gras. Waar de duinen beginnen, staat de forsche

boer met donkeren ringbaard, die mij zooeven vriendelijk groetend den

weg wees, in de stralen van de dalende zon bedaard zijn hooi te keeren.

En om hem heen dartelt een wit paard, lezer, een paard dat zich

heelemaal vrij voelt en, naar ik verneem, bijna nooit werkt. Zijn lange

witte manen en zijn lange witte staart wapperen hem na, terwijl het in

wijde sprongen over de vlakte giert en zijn lenige flanken schudt om

toch maar vooral zijn vroolijkheid te uiten. We zien dit alles, geleund

aan een van de hooggeplaatste vensterkens van Scheltema's "werkhok", en

zijn toen overeengekomen, dit beest een "gepensioneerd paard" te noemen.

Dit is niet maar een losse aardigheid van me, o lezer: Ik beweer dat ge

het volgende maar half begrijpt, als ge u niet telkens dit

gepensioneerde witte paard poogt voor oogen te stellen, zooals het dien

avond zorgeloos wentelde en sprong door de zomersche scheemring. Is niet

in de woorden van dezen dichter, ook als hij de ellende van het

menschenleven meet, een zorgelooze blijmoedigheid als van dit vrije

paard, dat ver van de menschen woont?

Adama van Scheltema is een breedgeschouderde, nogal gezette en blozende

kerel met een wilden Sudermann-baard. Hij is zeer donker van haar en

oogopslag. Hij beweegt zich langzaam en toch vrij. Zijn vrouw is heel

rank en heel blond en zweeft meer dan ze loopt.

Men leest in zijn blik dat hij veel van de waereld heeft gezien en toch

ook groote bescheidenheid, om niet te zeggen bedeesdheid. Hij spreekt

nogal moeilijk en houdt u toch gespannen. Zijn woorden komen traag;

daarentegen houdt hij, ondanks afdwalingen, aarzelingen en een zekere

verstrooidheid, steeds den draad van zijn verhaal vast, zoodat ons

gesprek rustig verloopt. Hij werkt ook zoo langzaam, vertelde hij mij.

Men voelt terstond hoe iedere gedachte bij hem een panorama van andere

gedachten wekt. Daardoor wordt hij natuurlijk wel eens afgeleid, vergeet

dat hij niet alleen is, kijkt een oogenblik het verschiet in dat zich

voor hem opdoet. Dit schijnt hem dan rust te geven en zichtbaar gesterkt

hervat hij het gesprek.

Hetgeen ik hieronder weergeef bespraken we voor een deel in een erker

van zijn woonvertrek, terwijl voor onze oogen het witte paard zijn

sprongen maakte; boven hem in een wat te deftige lijst hing het

ondeugend tronie van Jopie Bremer, ons aller vriend, (geschilderd door

Marinus Broekman),--en dat kwam goed uit, want hij vertelde in

echt-Amsterdamsche woorden van zijn Amsterdamschen tijd.[8] Later droeg

zijn vrouw fluks alle lampen van het huis bijeen, en schikte ze in

verschillende hoekjes, waar ze gezellige schijnsels gingen gieten, maar

de kamer met zijn Italiaansche pleisterbeeldjes en gravures lieten in

halfduister, waarin de gebeitste betimmeringen, de witte muren met de

nog geurende rieten lambrizeering een geheimzinnig effect deden: en toen

kwam het meer diepzinnig gedeelte van ons onderhoud.

Ik had hem vooraf geschreven wat ik ongeveer wilde weten, en dus kon hij

aanvankelijk zonder onderbreking voortpraten:

Als gymnasiast van zeventien, achttien jaar maakte ik kennis met "De

Nieuwe Gids". We leefden in een kleine club op het gymnasium als

enthousiaste kleine literatoren, en we hadden een blad, waar ik ook in

schreef, ons orgaan, dat eigenlijk een klein nieuwegidsje was. Maar van

begin af heb ik altijd bij mijn enthousiasme voor die richting een

vreeselijke leegte gevoeld, ik heb er iets in gemist, iets dat je in het

leven zoekt als steun. De heele beweging berustte op een paar negaties.

Een opstandigheid tegen het vroegere geslacht, die we in ons eigen leven

ook sterk gevoelden, maar die je verder niets gaf dan een schralen

troost boven het gymnasiale leven uit, dat ik altijd ellendig ben

blijven vinden en tot op den huldigen dag heb vervloekt, zooals die

verschrikkelijke kerels, die zuivere philologen uit de school van Cobet

ons hebben geplaagd.

Toen ik student werd kwam ik ook weer in een klein wereldje--je blijft

altijd in een klein wereldje opgesloten in je jeugdjaren, maar dan

groeit je begeerte uit naar de openbaring van wat je in je hebt als

jonge kunstziel.

En toen kwam de tooneeltijd.

We hadden als studenten een tooneelvereeniging, die bloeide toen nogal.

Elk jaar gaven we een groote uitvoering en daar besteedden we heel veel

tijd aan. Ik had veel aanleg voor het tooneel en ik speelde daar nogal

groote rollen. Zoodat ik hoe langer hoe meer van tooneel ben gaan houden

en tegelijkertijd bleef schrijven ... als klein kind heb ik eigenlijk al

geschreven.

Mijn eerste jaar was een rauw studentenjaar, maar daarna kwam een beetje

de bezinning. Toen moest ik duchtig werken om al die verloren

studie-uren weer in te halen. Na mijn eerste examen, daar kwam ik

goddank door, het propaedeutisch in de medicijnen, begreep ik dat ik

eigenlijk moest kiezen. Ik merkte wel dat als ik in de medicijnen bleef

studeeren er van letterkundig werk niets zou komen ... ik heb nooit

kunnen begrijpen hoe Aletrino en Van Eeden dat hebben kunnen vereenigen

... ze dokteren ook trouwens niet meer. Ik vind: je moet überhaupt aan

één ding alles geven. Menschen die als bijgedoente schrijven, dat vind

ik uit den booze.

Ik stond voor de keus en toen deed ik den grooten stap van aan het

tooneel te gaan. Achteraf is het heel aardig daar eens over te praten,

maar toen is het een verbazend besluit geweest. Daarna is die kwestie

ook al weer veel veranderd. Je hebt nu een heeleboel jongelui, en vooral

ook vrouwen, uit de betere standen, die aan het tooneel gaan, maar ik

was betrekkelijk een van de eersten, die overliep uit het kamp der

"fatsoenlijke wereld" naar het tooneel. Ik ben een tijdje geweest aan

den troep van Van der Horst en Ternooij Apèl, en toen heb ik nog hier

dicht bij, in Alkmaar, op de kermis, gedebuteerd. Ik ben er nog geen

half jaar aan geweest, maar in dien tijd maak je een heeleboel door. In

dien tijd stierf mijn vader, wat in mijn leven nogal verandering bracht.

Toen heb ik van de heeleboel de brui gegeven en tegen me zelf gezegd: Nu

moet je maken, dat je gauw een goede plaats in het burgerlijk leven

krijgt, want anders loopt het mis. Mijn zenuwen konden er niet tegen,

het is moordend. Je moet een stalen zenuwgestel hebben, den eenen avond

in Groningen spelen en den anderen avond in Middelburg ... dat heeft ten

slotte met de kunst al heel weinig te maken.

Toen ben ik dan een poos in den kunsthandel geweest van Van Gogh. In

dien tijd viel mijn groote ommekeer. Parallel met al die uiterlijke

wisselingen in mijn leven viel mijn langzaam neigen naar het socialisme.

En wat later mijn groote vijanden werden, dat waren toen juist degenen

die mij ertoe gebracht hebben. Dat wil zeggen: Wat zij schreven had een

grooten invloed op mij. Dat was in het eerste begin van "de partij"--dat

was een heel gunstige tijd om er bij te komen, omdat alles toen nog

idealistisch ging. Ook een persoonlijk vriend van me, Bonger, heeft mij

er toe gebracht en dan--de figuur van Van der Goes. Er bestond toen een

studentenvereeniging, S.L., die sociale lezingen hield--tegenwoordig is

die in een beetje anderen vorm herrezen. Het was indertijd een zuiver

socialistische vereeniging en die oefende toen een grooten invloed uit.

Het was in den tijd van Gorter's bekeering, toen hij die bekende

voorrede voor zijn nieuwe verzen had geschreven. Ik ging langzamerhand

die dingen lezen en zoo kwam ik tot het socialisme, gedeeltelijk ook wel

van den gevoelskant en gedeeltelijk door de tijdsomstandigheden ... de

"Nieuwe Gids" begon ook te zakken en spatte uit elkaar ... de

afscheiding van het Tweemaandelijksch tijdschrift was toen ook al

gekomen. Ik was de leegte gaan voelen van wat mijn vroeger leven had

ge-enthousiasmeerd. Ik wist ook wel dat het mij in mijn leven nooit

hoûvast had gegeven. En dat heb ik altijd heel sterk gehad: de behoefte

aan hoûvast. Ik vind het leven onmogelijk, wanneer je niet een

overtuiging hebt, die je het leven naar een zeker bestel laat zien. Dat

is voor mij, eerlijk gezegd, de grondfactor van het socialisme: het

hebben van een levensbeschouwing. De menschen die komen tot het

socialisme uit medelijden met de arbeiders, dat is voor mij niet het

ware! Je kunt net zoo goed medelijden hebben met koningen als met

arbeiders.... Neen, je moet er komen van den wetenschappelijken kant, of

zeg van den theoretischen kant, wat neerkomt op een behoefte aan een

wereldbeschouwing, die je bevredigt met het leven, die je het leven naar

vaste lijnen leert zien. Dat is hoe langer hoe meer het socialisme voor

mij geworden. Daardoor kunnen de persoonlijke dingen en wrijvingen je

minder raken....

--Dit, de lezer begrijpe het wel, was een vriendelijke uitval naar mij:

Ik had te voren verteld van mijn ervaringen en teleurstellingen in het

socialistisch kamp. Maar ik zou dien avond toch niet gaan slapen, zonder

een groote voldoening te hebben gesmaakt. Die komt nog.

Adama van Scheltema ging verder: Dat was net op het moment dat ik, in

die kunstzaak, na de tooneelwereld, een tipje van het handelsleven zag.

Dat was, evenals mijn tooneelleven, een geschiedenis van enkele maanden,

maar toch voldoende om de wereld niet op zijn gunstigst te zien.... Ik

had genoeg om te leven desnoods, op een heel bescheiden manier. Toen

dacht ik: Nu is het oogenblik gekomen, dat je alles er aan moet geven en

alleen voor je kunst leven. Die kunsthandel was toen een ding, waar heel

weinig omging. Ik zat altijd maar te schrijven in de leege kunstzalen,

waar nooit iemand kwam. Daar vóor had ik altijd proza geschreven. Maar

toen mijn leven, dat zoo vol van zenuwen was geweest en vol van

veranderingen en zoeken wat tot rust kwam--ik was uitgeput en ging naar

buiten om wat op streek te komen,--toen is met diezelfde inkeer en

verzachting van het leven, dat mij nogal geknauwd had, in mij het

poëtische leven naar boven gekomen, waar ik me heelemaal aan kon geven.

Toen had ik gevonden wat in mij eerst op andere wijze een uiting had

gezocht.

En nu is het wel mijn geluk geweest, dat die verschillende

tijdsomstandigheden samen kwamen en ik juist toen langs natuurlijken weg

tot de sociaal-democratie ben gekomen. De eerste uitgave waartoe ik kwam

was "Een weg van verzen", waarvoor moeilijk een natuurlijker titel zou

te vinden zijn, want langs die dingen ben ik eigenlijk tot "de partij"

gekomen. Ik kreeg geweldig op mijn kop, zooals dat gebeurt na een eerste

uitgave. Maar ik voelde in mijn ziel, dat ik het eigenlijke gevonden

had, waar het heele leven mij toe gedreven had. Mijn leven daar vóor was

erg rumoerig geweest: een voortdurend zoeken en keeren, vol

kinderverdriet en jongensverdriet. Van dien tijd af is mijn

schrijversleven begonnen. Ik gaf mij heelemaal aan de poëzie en raakte

uit de gewone wereld.

Ik zat lang buiten in de natuur en zocht de overeenstemming tusschen de

natuur--of mijn natuur, wat eigenlijk op hetzelfde neerkomt--en mijn

nieuwe wereldbeschouwing. Die overeenstemming is in dien eersten bundel

dikwijls wel erg gezocht, wat ik bijv., ook bij Roland Holst heb

gevoeld, en dat werd een moeilijk ding. Er is een tweespalt die zij haar

heele leven is blijven voelen, en waar ik, geloof ik, misschien omdat ik

tot een jonger geslacht behoor of misschien wel omdat ik niet zoo

dweepend ben aangelegd als zij, overheen ben gegroeid. Die tweespalt is

het verdriet van haar leven geworden.... Misschien ben ik niet heelemaal

duidelijk geweest en het is goed dat ik dit duidelijk zeg: ik bedoel de

tweespalt tusschen de socialistische levensbeschouwing en de poëzie....

De wereld is après tout in zijn geheel iets grooter dan de

sociaal-democratie. Maar voor haar en Gorter is de sociaal-democratie de

roode lap gebleven in hun ziel, waar ze altijd min of meer dol van zijn

geworden, en dát, moet ik zeggen, is ze voor mij nooit geweest.

Je moet de sociaal-democratie een beetje kunnen zien als een strooming

van dezen tijd, niet als een verzameling van ijzeren dogma's, die voor

de eeuwigheid zijn en waarin je je zelf opsluit. Je moet toch een

verband houden met de oneindigheid!--al is dat een groot woord. Dat is

hun ramp geweest en heeft hen op den verkeerden weg gedreven. Ze willen

hun kunst opsluiten in die verzameling van dogma's--dien band van

dogma's willen ze om hun kunst slaan. Dat heeft mij van hen verwijderd.

Dat deed mij voelen dat ze een verkeerde richting insloegen, waar ik

persoonlijk hoe langer hoe scherper en hartstochtelijker tegenover ben

komen te staan. Dit werd althans voor mij persoonlijk het dilemma. Ik

kreeg de behoefte, mijn levensbeschouwing in overeenstemming te brengen

met mijn kunst, een vast geheel daarvan op te bouwen, waarop ik mijn

kunst kon vestigen. Ik geloof dat het mij ten goede is gekomen dat ik

van dien kant het socialisme ben genaderd, omdat het de meer natuurlijke

kant is. Ik wilde de tendenzen die uit mijn eigen ziel groeiden in

overeenstemming zien met de wereld om mij heen. Wanneer ik den weg van

Roland Holst volgde, voelde ik, zou ik niet tot bevrediging komen. Uit

die overwegingen is toen gegroeid mijn boek "De Grondslagen", waarin ik

die overtuiging heb trachten neer te leggen.

Vooral op het philosophische gedeelte daarvan zijn wel gegronde

opmerkingen te maken, die ik niet zoo gemakkelijk zou kunnen

beantwoorden, wanneer ik met een degelijk vak-philosoof, als ik het zoo

mag noemen, in conflict kwam. De wereld is zoo groot ... en je zou vele

jaren van je leven moeten geven om van den zuiver wetenschappelijken

kant je zoo te vervolmaken, dat je in de wereld van de vak-philosophen

als overwinnaar kwam te staan ... maar dat was voor mij niet de

hoofdzaak ... de hoofdzaak was voor mij om voor mijzelf bevrediging te

zoeken....

Hij was al zachter en afgetrokkener gaan spreken, ten slotte alleen voor

zichzelf, meer en meer verzonken in het geestelijk uitzicht dat zich

voor hem opende. Het eindigde in een verward mompelen. Slechts enkele

woorden, zonder samenhang, drongen tot mij door. Zijn bovenste

vingergewrichten tegen zijn tanden, als wilde hij die knauwen, staarde

hij over het ruime weiland, waar het witte paard zich rolde door het

zoetgeurende, versch gemaaide gras, de hoeven trappelend in de lucht....

Eindelijk draaide hij zijn wilde knevels op en ging, mij weer aanziend,

verder:

En dat werd voor mij een levens-program. Ik voelde dat dit in Holland

en in het algemeen aan de sociaal-democratie ontbrak, dat ze zich alleen

met het economische en politieke leven had bemoeid, en aan de kunst nog

niet toe was geweest.... Dat van Morris was een beetje idealisterij en

hield heel weinig verband met de grondslagen van de sociaal-democratie.

Hij was heelemaal een kind van de prae-Rafaelitische, utopistische

beweging.

De grondslag die ik toen voor mijn kunst heb gewonnen heb ik in mijn

boek voor mijzelf, maar ook voor anderen, geloof ik, duidelijk

uiteengezet. En toen ik met mezelf in het reine was, ben ik van mijn

vroegere geestverwanten verder afgedreven. Die heele "Nieuwe Gids" was

mij vreeselijk widrig geworden, omdat ik er heel sterk het anarchisme in

voelde en het naturalisme, en dat is voor mij een onding!

Sensitivisme, naturalisme enz. zijn kinderen van één systeem, dat zich

in Holland naar binnen keerde en naturalisme van de eigen ziel werd, de

momentopname van het eigen ziel-gebeuren, zooals Gorter in zijn "Verzen"

heeft gegeven, dat je met een grooten zwaai terug kunt brengen tot het

naturalisme van Zola, het "document humain". Dat voel ik om zoo te

zeggen als anti-kunst, omdat er zoo weinig opbouwends zit in de

wetenschappelijke ontleding als kunstbeginsel--dat onechte kind van de

rationalistische wetenschap. Ik ontken heelemaal niet dat er groote

dingen in geschapen zijn, en ik heb vurig gehouden van "L'éducation

sentimentale", dat ik als standaardwerk van naturalisme kan aanhalen.

Maar ik vind het eigenlijk, evenals "Madame Bovary", het meest

onartistieke dat je kunt hebben. Ik voel heel scherp dat de toekomstige

samenleving dien kant niet uit kan gaan en zich daarvan los moet maken.

Het heele naturalisme berust op het op zich laten inwerken van het

leven, maar niet omgekeerd: het inwerken op het leven door den

kunstenaar zelf. Het heeft nooit synthetisch kunnen wezen, het

naturalisme en alles wat er een kind van is. En de sociaal-democratie

wil worden de synthese van het leven en de nieuwe gemeenschap. _De kunst

die daaruit moet geboren worden kan nooit een kunst zijn, die ontledend

is, maar moet een kunst zijn die opbouwend is, een nieuwen stijl schept

... "een gestyleerd brok van het universum"_, zooals ik in mijn

"Grondslagen" heb gezegd.

En nu werd in engeren zin in mijn lyriek het gedicht datgene, waar

zoowel bedoeling als techniek een groote rol in speelt, in dien zin dat

beide erop gericht zijn, om naar andere menschen te gaan. Daar heeft

over het algemeen de naturalistische en sensitivistische kunst nooit aan

gedacht.... U begrijpt wel, de theorie volgt in zeker opzicht den aanleg

en de practijk. Ik theoretiseer dat nu zoo, maar après tout was in mij

een sterke, natuurlijke aanleg in die richting om te bereiken wat ik

theoretisch omschrijf als bereikt te moeten worden. En ik heb in zeker

zin in mijn lyriek practisch bewezen, dat ik dit bereikt heb. Het is mij

altijd bewust geweest dat ik wilde bereiken het verband tusschen mensen

en mensch, waar de tachtigers van afgedreven zijn. Als element dat mij

daartoe gebracht heeft neem ik aan een sterk sociaal voelen voor mijn

medemenschen. Ik geloof ook dat het taal-element daar een groote rol bij

gespeeld heeft: het door en door Hollandsche van mijn taalgevoel.

--Hier moest ik den verteller even onderbreken. De lezer moet weten dat

ik pas een bezoek had gebracht aan een paar socialistische dichters in

het Gooi en daar te hooren had gekregen dat ik, niet op hun standpunt

staande, hun meeningen toch niet zou begrijpen, zelfs niet objectief zou

kunnen wêergeven. Het had mij den heelen avond al verheugd, dézen

socialist opinies te hooren uiten, die ik volkomen kon onderschrijven,

en anderzijds bij hem steun te vinden voor mijn eigen opvattingen

--waarvan ik in alle bescheidenheid meen, dat ze het socialisme achter

den rug hebben. Maar nu werd het mij ... ja, mag ik het zeggen ... een

beetje al te bont. Deze socialistische dichter deelt mij mede dat zijn

werk er op is ingericht om te spreken van mensch tot mensch en de woorden

"klassenstrijd", "klassenkunst", "bourgeoisie" ... zou hij ze misschien

inderhaast vergeten? Het is te mooi om het te gelooven.

Ik zet mijn onschuldigste gezicht en vraag of ik het goed heb begrepen,

of hij niet sterk het gevoel heeft, dat de lieden uit de bezittende

klasse toch niets van zijn kunst zullen snappen? of hij nu werkelijk

meent voor het geheele Nederlandsche publiek te schrijven, of alleen

voor het proletariaat?

--"_Zooveel mogelijk voor het geheele Nederlandsche volk_" antwoordt hij

mij. Dit woordje "volk", lezer, is een welverdiende terechtwijzing aan

mijn adres. Ik had van "publiek" gesproken. Hierdoor geraakte ik in de

aandachtige stemming, die noodig is om het volgende geheel tot zijn

recht te doen komen:

--In preciese tegenstelling tot Kloos' formuleering van de tachtigers:

"een gedicht is de individueelste expressie van de individueelste

gevoelens"--formuleerde ik in mijn "Grondslagen": "een gedicht moet zijn

een muziekstuk van woorden en gedachten, dat door zooveel mogelijk onzer

medemenschen kan worden gevoeld en begrepen." Hetgeen niet wegneemt, dat

men natuurlijk zijn poëzie ten slotte van uit een bepaalde

levensbeschouwing, in dit geval de sociaal-democratische,

componeert.--Zoo zal ik wel eens den eenen mensch niet geheel bereiken,

ook wel eens den anderen--ook wel eens de eene klasse, ook wel eens de

andere klasse--we leven nu eenmaal "op de kentering der tijden"--maar

inplaats van daarover eeuwig persoonlijk te lamenteeren als mevr. Holst

_acht ik dat_--_althans meestal_--_iets moois en gelukkigs_....

Het klinkt wel ijdel, maar ik mag toch zeggen, dat ik weer het publiek

om zoo te zeggen bereikt heb,--met mijn lyriek althans. De zwaardere

dingen, dat moet ik toegeven, worden niet zooveel gelezen. Dat heeft mij

gespeten--dat datgene, wat langzamerhand is geworden de diepere grond,

waarin ik mijn levensinzicht wilde uiten, "Levende steden" o.a., niet

zoozeer het publiek bereikt heeft. Het hoofdwerk "Amsterdam", dat ik

zelf als mijn beste werk beschouw, is betrekkelijk weinig bekend

geworden....

In "Amsterdam" heb ik gezocht naar de oplossing van ethische

vragen,--want een van mijn eerste pogingen, voor mij van groot belang,

is geweest in de sociaal-democratie te vinden den ethischen kant. U

spreekt van zwakke punten en van persoonlijke aanraking, die

teleurstelling geeft, maar voor mij is het allerbelangrijkste vraagstuk,

dat ik nooit heb kunnen oplossen, dat de sociaal-democratie geen ethiek

heeft, absoluut geen ethische grondslagen heeft. Zij geeft geen antwoord

op die honderd vragen, die in den mensch opkomen, vragen van leven en

moraal, de eeuwige vraag van goed en slecht, die zich in duizenderlei

nuance door het leven voordoet. Wat de toekomst hierin zal brengen, hoe

die nieuwe moraal groeien moet, dat vind ik voor den literairen

kunstenaar een van de belangrijkste vraagstukken die het socialisme

brengt. Aan de oplossing van dit vraagstuk zal m.i. het drama moeten

arbeiden, en dat moet voor den socialistischen kunstenaar de gang zijn

die hij het liefst gaat: hij moet trachten het nieuwe drama als zoodanig

te bereiken. In de "Grondslagen" heb ik op het laatst de naïve fout

begaan, te zeggen dat ik daarheen wôu. Je moet eigenlijk nooit een

program opstellen voor de buitenwereld. In ieder geval: de elementen van

dit drama heb ik zooveel mogelijk trachten te ontwikkelen in mijn

"Grondslagen", niet waar? En dan kom ik tot de gevaarlijke bewering, dat

het drama tendenz moet hebben. Dat staat voor mij als een paal boven

water. De duizenderlei dilemma's die de moraal in dezen tijd brengt,

moet het drama trachten op te lossen, het moet trachten zich daarvan te

bouwen.... Ja ja, dat zijn wel gekke dingen, die we op het oogenblik

bespreken--omdat je allicht het veel-omvattende zegt ... maar ... het

zijn toch de dingen ... waar altijd mijn intense belangstelling ... bij

is geweest.... De sociaal-democraten komen met vage algemeenheden, als

"gemeenschapsgevoel" en "solidariteitsgevoel" ... en daar zijn zeker

mooie elementen in, maar dat geeft volstrekt geen antwoord op het

wereldvraagstuk van het practisch-moreele leven--en dat geeft bijv. het

katholicisme wel. Daarom staat dat zoo sterk....

Daarop moet althans het nieuwe drama gebouwd worden.... Het antwoord dat

de meeste menschen op die honderd kleine practisch-moreele vragen geven,

is dat van de traditioneele moraal, maar daarmede hebben wij niet het

antwoord. Dat zal de toekomst brengen.... Ja, dat is zoo, men zal mij

misschien kwalijk nemen, dat ik deze leemte in de sociaal-democratie zoo

uitdrukkelijk constateer, maar ik heb dat immers geschreven ook in mijn

"Grondslagen" ... neemt u het maar gerust op--ik sta er voor.... Ja

zeker, u hebt gelijk, de menschen die beweren dat het socialisme thans

wel een moraal heeft of dat _men_ in het algemeen een moraal heeft--die

weten werkelijk en wezenlijk niet wat behoefte aan moraal en wat het

moraalprobleem in het algemeen beteekent.

Nu vraagt u, wat het socialisme voor mij als kunstenaar dan nog voor

aanlokkelijks heeft. Ik begrijp wel dat gij van uw kant dat moet vragen.

Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare

levens-systeem en ik vind: men moet het kind niet met het badwater

wegwerpen.

Ik heb in het leven het geluk gehad, nadat ik enkele omwegen bewandeld

had, dat ik gevoeld heb, welke zijwegen ik niet moest inslaan. Daarna

ben ik bevredigd geworden door het leven en mijn eigen levenstaak. Die

taak voel ik nog heel sterk als zijnde aan het begin. Ik voel dat het

nog maar het opbouwen van de basis is. Ik hoop dat dit in de toekomst

een basis zal blijken.

* * * * *

Heer van De Windroos, in u heb ik werkelijk, gedurende onze lange

wandelingen langs bosch en duin, "aller streken rust" aangetroffen.

Hoewel met "de massa" haar ideaal deelend, hebt ge tegenover het volk de

houding weten te bewaren, die, naar ik meen te weten, den dichter

betaamt: Voor geen enkel wind sluit ge uw huis en blijft toch als

gesloten, wetgevende persoonlijkheid tegenover "al het Andere"

staan,--iets wat niet al uw geestverwanten u nadoen....

Mijn vraag is nu deze: Zoudt ge nog naar ieder wind en elke verre kust

kunnen schouwen, en zou ook aller streken rust in u bezonken blijven,

indien ge onder de bet-wetende, verbitterde en behoeftige menschen

dagelijks moest strijden en werken?

De jongere generatie gesprekken met vertegenwoordigers van de nieuwere richting in onze literatuur; tevens een enquête naar enkele beginselen in ons nationaal geestelijk leven · 第 26 / 35 题