[Illustratie: CAREL SCHARTEN]
[Illustratie: Foto CAREL SCHARTEN]
(* 1878.)
Het volgende is een interview per post. In de meening verkeerend, dat ik
Scharten hier of daar kon ontmoeten, was ik met hem in briefwisseling
getreden. Mijn verwachting werd verijdeld, maar toen _zijn_ sympathie
voor mijn werk en _mijn_ instemming met vele zijner ideeën elkander
tegenkwamen, besloten wij de briefwisseling voort te zetten. Ik zou hem
mijn vragen niet beter kunnen stellen dan hij het zichzelf heeft gedaan,
en nadat ik hem mijn oprechte dankbaarheid heb betuigd voor de moeite
die hij zich gaf, leg ik den lezer zijn laatsten brief zonder commentaar
voor:
Lerici, 5 Januari 1914.
Waarde Heer d'Oliveira,
Laat ik dus nu maar doen, of ik u op dezen zonnigen zomermiddag--de zee
bruischt en geurt--ontving op het blank terras der Villa Barbieri, en
onder een kopje thee (zij is niet zoo aromatisch als die gij in Holland
drinkt; onze theeleverancier is maar een Caprees) antwoordde op de
vragen van uwen "Leiddraad."
Als alle mijn broeders en zusters in de letterkunde heb ik er al heel
vroeg "aan gedaan". Toen ik zeven jaar was en nauwelijks schrijven kon,
richtte ik al een geïllustreerd tijdschrift op--tekst en prenten waren
van de hand van den redacteur; abonné's: oma, oma's meid, tante,
enz.--een jaar later volgde een dagblad; dan een geïllustreerde
"vaderlandsche geschiedenis" en verzen op onze stadhouders en op
Mackenzy (spel ik goed?), den lijfarts van Keizer Friedrich--hoe ik
daaraan kwam, mag Joost weten. Elf jaar, schreef ik drama's in
verzen--geïllustreerd, als altijd.... Doch ik zie in dat alles volstrekt
geen voorteeken, noch eenig blijk van talent. Want met misschien nòg
meer pleizier gaf ik zingend, boem-tsjing, en een vol orkest nabootsend,
muziek-uitvoeringen; of speelde, opgetuigd met shako's en sjerpen van
mijn vader en mijn grootvader, voor "generaal"; of ranselde als
"leeuwentemmer" een tiental elastieke ballen onzen zolder rond.--En noch
voor generaal, noch voor leeuwentemmer heb ik later ooit eenigen aanleg
in mij bespeurd.
Het is, geloof ik, heùsch begonnen--denk maar eens aan Scheltema's velen
ergerend gezegde daaromtrent!--toen ik veertien jaar en verliefd werd.
Het was het dichterlijk verhaal van een avondwandeling met een meisje,
of zoo maar een zangetje zonder veel zin, dat ik schreef. Zoo ging dat
enkele jaren door; voor den verstandig-toegeeflijken leeraar der H.B.S.
werden mijn opstellen novellen of reeksen verzen; eindelijk zelfs een
heele bundel op Oud-Hollandsch papier; want ik was inmiddels zestien
jaar geworden en vond mij een dichter, d.w.z. dat ik geen dag meer kende
zonder een sonnet of twee, drie. U voelt al, uit welken hoek de wind
woei! Toch was mijn eerste litteraire vorming er eerder een klassieke
geweest. Onze Duitsche leeraar was de bekende Limburgsche novellist
Emile Seipgens, en die fijne, wijze man, die een broertje dood had aan
lesgeven, vond het veel nuttiger voor ons (en plezieriger voor zichzelf)
ons de meesterstukken der Duitsche litteratuur voor te lezen, het eene
stuk voor, het andere na; van grammatica hoorden wij in geen jaren;
zoodat wij (ik beveel zijn methode volstrekt niet _onverdeeld_ aan!)
allemenschelijk slecht Duitsch leerden, maar veel smaak kregen, en de
beste smaak, in kunst. Het was merkwaardig hoe Seipgens, die in 't
dagelijksch leven hakkelde, en heel erg als hij boos werd, prachtig
voorlas zonder één hapering; die drama's van Schiller, van Goethe, van
Lessing, zij leefden voor ons!
Maar ondertusschen had ik de "Nieuwe Gids" in handen gekregen, uit de
leesportefeuille; het was al in de negentiger jaren, in de
vervalperiode, en naast mooie dingen stonden er de verschrikkelijkste
"uitstuipingen" in,--en, gek nietwaar (men is toch altijd allereerst een
kind van zijn tijd) ik vond dat mooi, ik vond het mooier dan alle
klassieken (waarmee ik toch op zoo gunstige wijze had kennis
gemaakt)--omdat het mij aangreep, omdat het mij naar de keel greep, ik
weet niet hoe, het kwam van zoo dichtbij, en het was zoo sinister en
geheimzinnig. Gunstig ook om ervan te gaan houden, was de afkeer en de
bespotting, die iedereen uit mijn omgeving voor dat "idiote gedoe" over
had. En toen waren er twee boeken, die mij wat meer van "die nieuwe
richting" kennen leerden en mijn voorkeur ook in het redelijke schenen
te wettigen: de "Dichters van dezen tijd" en de "Pic-nic in Proza." Den
sterksten indruk uit dat laatste maakte "Harold" van Ary Prins op mij.
Zóó wonderlijk-klaar die middeleeuwen voor je te zien! Ik bootste de
ontvangen visie in fantastische schilderijtjes na; want ik schilderde
veel in dien tijd; ik dacht wel eens, of ik niet beter deed, schilder
te worden.--Bizonder genoot ik ook van de fonkelende "Conferentie" van
Erens.
Dit alles was vóór mijn zeventiende jaar; toen bracht een dichterlijke
vriend, die jong is gestorven, mij drie boeken: "De kleine Johannes," de
"Verzen" van Kloos, en de "Mei" van Gorter. In díe volgorde. Het was een
openbaring!
En ziedaar mijn stamboom! Ik ben, van letterkundigen huize uit, een kind
van "de Nieuwe Gids." Van dááruit eerst--via Verwey--leerde ik Vondel
kennen en Hooft. Ik moet er bij voegen, dat ik al op de burgerschool
veel hield van Racine; het was bij hem vooral de taal, het heerlijke
Fransch, en het statige, teêre vers dat mij boeiden.
Maar ik was van de "Nieuwe Gids" al gauw een weerspannig kind. Het
critische heeft er al vroeg bij mij in gezeten; dit werd misschien
ontwikkeld door de studie van het recht, dat ik (men leidde mij voor de
Registratie op) met ambitie beoefende; en toen ik eenmaal de beste
producten der Nieuwe Gids-richting had leeren kennen, begon ik haar
verval in te zien en hoe dat voortging, toen met de Nieuwe Reeks van het
tijdschrift iedereen van een herleving sprak. Voor zoover ik zag in
couranten en bladen; want ik kende (ik woonde eerst in Leiden en daarna
in Harderwijk) geen enkelen "artist."
In 1896 verliet ik de Registratie--het kantoorwerk werd mij te
machtig--voor de Letteren, en ik begon met de daartoe noodzakelijke
studie van het Latijn en Grieksch; op dien leeftijd heeft men zoowel aan
de klare logica, van het Latijn vooral, als aan de beide litteraturen,
veel meer dan als schoolknaap. En de geest der Ouden kon niet nalaten,
indruk op mij te maken.
U begrijpt al lang, dat er overigens, op mijn achttiende jaar, nog
weinig sprake was van "wijsgeerige of aesthetische ideeën" (religieuze
misschien wel, ik was met heel mijn hart orthodox,--de noodige
dichterlijke vrijheid inbegrepen) of van een "uitgesproken meening over
de maatschappelijke, sociologische roeping of rol van den
kunstenaar."--Ik had de vage gedachte, dat de kunst de menschen gelukkig
moest maken, zooals ze mij gelukkig maakte, en ik ondervond bitterlijk
dat iedereen den draak stak met wat ik mooi vond. Als ik op mijn kamer
verzen voorlas aan geduldige vrinden, sprak mijn vader beneden van
"jammeren." Ik voelde het pijnlijke van het conflict, maar ik zag geen
oplossing--tenzij de vage hoop, dat later tijden harmonischer zouden
zijn; en in die hoop begon ik toen al gauw het socialisme te betrekken.
In 1898--ik was twintig jaar--had Eduard Thorn Prikker (onder den naam
van Eduard Verburgh) "De Arbeid" gesticht. Het tijdschrift werd algemeen
bespot. Maar ik vond, dat hij groot gelijk had, dat het uit was met de
"Nieuwe Gids", en ik schreef in "De Kunstwereld" (heette dat blad niet
zoo?) een groot artikel over "De Arbeid." Het was een der eerste
opstellen, die ik heb gepubliceerd.
Al gauw was ik aan "De Arbeid" medewerker. Samen met Prikker schreef ik
het tijdschrift vol. Maar wij hadden ook alweer, juist als de Nieuwe
Gidsers, alleen de reactie gemeen. Op enkele technische bezwaren na, had
ik aanvankelijk _in beginsel_ op de "Nieuwe Gids" niet zooveel tegen; ik
zag alleen, dat enkele hoofdmannen ervan zwegen, anderen
achteruitgingen, Kloos vooral, en mijn hartstochtelijke liefde voor de
machtige verzen uit diens grooten tijd, dreef mij er toe, even
hartstochtelijk hen te bestrijden, die, met een weeë vereering ook van
zijn latere bombastische Adoratie's, mij toeschenen, de Schoonheid-zelve
te schennen. Overigens sloot ik mij niet voor wat er nog goeds kon
komen uit dien hoek, en ik zou blij geweest zijn, op een dag nog weer
het oude mooi terug te vinden. Van Van Deijssel en Verwey (ondanks alles
wat ik tègen hen had) bleef ik altijd een bewonderaar; Van Looy leerde
ik eerst later ten volle waardeeren.
Prikker daarentegen stond diametraal tegenover het beginsel-zelf van "de
Nieuwe Gids". Hij hoopte niets liever dan de heele bent "in compagnie
naar de haaien" te zien gaan. Er was in die houding, in zijn cynisme ook
tegen alle verheven edelaardigheden ontegenzeggelijk de noodige
blague,--maar hij was onderwijl een drommels oorspronkelijke jongen, met
een echt natuur-talent. Hoe dat--althans voorloopig, hij is nog
jong--niet tot zijn recht is gekomen, wil ik nu niet nagaan. Maar hij
had toch maar op zijn eentje uitgevonden, dat proza niet allereerst
moest zijn "het fel-rake woord," doch de stroomende volzin en de
periode,--en hij bracht die beginsels op boeiende wijze in praktijk. Hij
had eigen denkbeelden over schilderkunst en bouwkunst en sierkunst, die
dikwijls later als de juiste zijn erkend. Het is waar, hij leefde te
midden van allerlei geestelijke en artistieke stroomingen in Den Haag;
naast hem was ik zoo groen als gras; maar zeker is, dat ik heel wat van
hem heb geleerd.
Prikker was ook sociaal-democraat, aangesloten bij de S.D.A.P. _Ik_ had
zoo maar godsdienstig-philosophische en socialistische ideeën op eigen
houtje. Op een avond zei hij opeens: "je hebt de typische kop van een
anarchist." En toen mij dat scheen te vleien: "ik bedoel, een anarchist
is eigenlijk het type van een bourgeois...."
Inderdaad, ik was een anarchist! Eenigen tijd later hoorde ik van
Walden, ik las de beide brochures van Van Eeden; ik was overtuigd. Van
Eeden was mijn profeet, Walden mijn ideaal. Ik toog erheen, en mijn
geestdrift werd noch van streek gebracht door het vrijwel cynisch
gezelschap, dat ik daar ordeloos en tuchtloos leven vond op het
akelig-holle Kruisberg, nòch door de koude douche van Van Eeden, wien ik
heel naïef vragen kwam, welke boeken ik lezen moest, om mij nader in de
dingen van den heilstaat te bekwamen!
Als ik denk, hoe extra-bespottelijk ik mij daar op Walden maakte!--En
toch, in het winteravondrood achter de sparreboschjes van Walden heb ik
het onuitsprekelijk geluk gekend van de zékerheid eener betere toekomst.
Vaag waren mijn socialistische ideeën, maar zij lééfden ten minste. Ik
leefde op mijn gevoel. En, wat onze letterkunde aanging, zoo gevoelde ik
hoe langer hoe duidelijker, dat de tachtiger-kunst doodliep.--Ik zag
wat er verscheen: een poëet als Van 't Hoog was een "datum" in de Nieuwe
Gids-poëzie.... Was er uit onze burgerklassen, verdord door een
eeuwenlange, steeds meer uitdrogende "beschaving," nog ooit (althands in
poëzie, dat gevoeligste voertuig der ziel) een jonge, bloeiende kunst te
verwachten?--Ik maakte zelf ook verzen, en met hartstocht. Waarom zou
die wet voor mij niet opgaan? Ik aanvaardde haar, met de hoop misschien,
een uitzondering op den regel te zullen blijken. In 't algemeen geloofde
ik, desnoods ook met wegcijfering van eigen dichter-toekomst, dat de
groote nieuwe poëzie uit het ontwakende volk-zelf zou moeten ontstaan.
En nòg, na vijftien jaar, vraag ik mij af.... Ten minste, ik zie wel dat
onze welvarende poëtrije, die in Verwey haar Meester erkent, maar
weinigen bereikt, omdat zij niet áánspreekt, niet open tot het hart
spreekt, te zeer ver-_kunst_ is.--En zelfs Adama v. Scheltema, die
begaafde en oorspronkelijke zanger, van wien ik zelf de inluider ben
geweest,--zijne verzen zijn eigenlijk nog maar het (zeer verdienstelijk
en soms waarlijk héél mooi) plaatsvervangend _kunst_-product, voor de
echte _natuur_-poëzie, waarnaar Holland wacht, om in woorden en rhythmen
en voorstellingen die heel een volk bezielen kunnen, zichzelf te vinden
en een eenheid te worden.
Uit het ontwakend volk-zelf verwacht ik dus de nieuwe zangen?--Maar ons
volk is van aard reeds nuchter en zoolang het ontwaakt bij de
wiskunstige stralen van het Marxisme, zal het er, vrees ik, niet minder
nuchter op worden.... Wij moeten geduld hebben, en veel meer dan het
oude, vage vergezicht schiet er niet over.
De poëzie blijft voorloopig een troost en een verpoozing voor eenzame
enkelingen--"een gave van weinigen voor weinigen"--en zal pas weer
opstaan _als een levende factor der samenleving, als een ding met
cultuurwaarde_, in een verjongde wereld.
Er _kan_ toch altijd een groote dichter opstaan, meent gij?---_Zal_ er
een groote dichter opstaan, in een wereld, die naar geen dichters
omziet?
Aan het proza echter, in het bizonder aan den roman, staat dagelijks een
breede taak te vervullen.
Heijermans heeft u gezegd, dat alleen die kunstenaar van een _roeping_
mocht spreken, die een welomschreven maatschappelijke overtuiging had
en, vanuit die overtuiging, overtuigend aan het schrijven ging. Hij zou
respect hebben voor een katholiek, voor een calvinist, die aldus op de
verovering der wereld uittrok. Hij voor zich voelde het als zijn
roeping, zijn plicht, te strijden voor het proletariaat, met zijne
uitbeeldingen van den klassenstrijd. Maar zulk een calvinist, of zulk
een katholiek, wàs er niet; en buiten de sociaal-democraten had geen
enkel Nederlandsch schrijver een roeping, omdat zij geen roeping kònden
hebben. Dies had hij de heele rommelzoo dier roepinglooze auteurs uit
zijn boekenkast gegooid.
Ik zou niet durven zeggen, dat ik het onvriendelijk vind, want ìk hèb
hier niet eens een boekenkast, en jaarlijks gaan er wichtige kistjes
Hollandsche romans naar het lieve vaderland retour. Voor als wij weer
eens een eigen huis gaan betrekken en wij hadden het geluk, in dat huis
een zolder te bezitten, hebben wij het geheime plan, daar groote kasten
te improviseeren en in die kasten èrg veel Hollandsche bellettrie te
bergen. Ik mag dus niet zeggen, dat ik Heijermans onvriendelijk heb
gevonden. Maar wel onverstandig. Want al spreekt het vanzelf, dat een
klein land als het onze, hoe schrijfgraag ook, niet bij dozijnen de
groote talenten voortbrengt,--daarmee is toch niet uitgemaakt, dat er
geen roeping mogelijk is buiten de roeping van hen, die naar een zeker
stelsel de _maatschappij_ hervormen willen.
Integendeel, zou ik zeggen. Ongetwijfeld zal een rechtvaardiger wereld,
met minder oeconomische en zedelijke misstanden, de menschheid meer
gelegenheid geven, wat geluk te bemachtigen. De gunstige of minder
gunstige omstandigheden _van buiten_ hebben zeker eenigen invloed op het
innerlijk van den mensch. Maar toch komt het mij voor, dat de
sociaal-democraten wat al te véél verwachten van die uiterlijke
omstandigheden en te weinig letten op het arme, verharde innerlijk der
lijdende menschheid, dat door géén uiterlijke omstandigheden diep-in te
wijzigen is.
Zoolang de tijden van strijd daar zijn (en hoe min gevorderd de strijd,
hoe méér) zien begeesterden als Gorter en Roland Holst om zich heen of
in hun verbeelding, hoe andere begeesterden-voor-het-Ideaal schóón
worden en rein in zijn gloed.--Doch dit heeft niets te maken met _de
inwerking van betere toestanden op de massa_. En zoolang de kleinzielige
menschenkinderen niet geleerd hebben, met ruimte en met begrip
_elkander_ aan te zien, te beoordeelen, te verdragen,--zoolang is er
voor de menschheid geen werkelijk geluk weggelegd. Het geldt hier niet
de ontwikkeling van het intellect, doch de ontwikkeling van het gemoed.
En ziehier de overoude en onverouderbare roeping van den epischen en den
dramatischen dichter, dat is, voor onzen tijd, van den romanschrijver en
van den tooneelschrijver.
De roeping van den romanschrijver is, dringender dan ooit, (zijn kunnen
zij groot of beperkt): de menschheid aan zichzelve te onthullen,
zichzelve te doen verstaan.
Een beroemd socialistisch auteur, wiens werk men het allerminst aan zou
zien!--wie het was, doet er niet toe, geen Hollander--bekende mij eens,
de tegenwoordige menschheid te haten; hij vond haar leelijk en enkel
afkeerwekkend. En dat is ook niet buiten de sociaal-democratische lijn;
het is geen quaestie van sentimenteele armenzorg, zeggen zij, maar van
Recht.
Zeer juist; doch het lijkt mij geen gunstige praedispositie voor het
verstaan en doen verstaan dezer leelijke menschheid, haar slechts hatend
te schuwen. Men kan die leelijke menschheid, in al haar klassen en
soorten, ook liefhebben.
En ziehier mijn overtuiging: dat de menschheid wel vooruit te brengen is
door het Recht, doch alleen te redden en gelukkig te maken door de
Liefde.
Van die liefde zal de kunst éen der instrumenten zijn.
In dien jeugd-tijd van Walden en van "De Arbeid" was mijn hoogste
droom, ééns te worden "de zanger aller menschenzielen" (het zijn de
laatste woorden van mijn Voorhal),--nu is (ik sta niet meer alleen) ons
beider beste gedachte, te pogen, de leelijke, de arme dwaze kinderen
onder de menschen, zoo goed als de lieve en de goedwillige, te
begrijpen, en te dóen begrijpen, door hen, innerlijk verklaard, te laten
herleven in onze boeken.--Denk vooral niet, dat wij, 't geen _wij_
daarin tot nog toe gedaan hebben, overschatten; wij staan nog in het
begin van onze loopbaan en wij betalen nog leergeld met ieder boek. Maar
onder al onze fouten voelen wij, ongeschokt, waar wij heen willen.
Men heeft ons verweten, voorkeurloos, en gelijk-op met hun omgeving,
verzamelingen van menschen uit te beelden, aldus leverend een
naturalisme op zijn smalst, of wel: een litteraire film.--Het is een
uitgebreid misverstand, waartoe--dat neem ik graag aan--sommige
_uiterlijke_ eigenaardigheden aanleiding hebben gegeven. Het is zeker
waar, dat er in onze boeken soms _te_ veel beschreven werd. Het
naturalisme had ons er aan gewend, _alles_ te zien, niets onvermeld te
laten, en zelfs het onbeschrijfbare te beschrijven. Zonder dit te
bedoelen, kan men zooiets "uit zijn litteraire afkomst houden." Wat een
aanwensel, een overblijfsel was, heeft men verkeerdelijk voor den _aard_
van ons werk aangezien.--Er zijn bovendien enkele soorten van
beschrijving, die altijd goed en noodig zullen blijven; de stemming
gevende (doch zij zal, hoe langer hoe meer, liever suggereeren dan in
bizonderheden treden) en de enkel _psychologische_, die juist in
bizonderheden treedt, van een interieur bijv., om den bewoner ervan te
doen kennen. Een criticus--het was geloof ik Querido--zei eens van
zekere beschrijving van ons, dat zij stemmingloos was ... waar het
volstrekt niet om stemming was te doen! De opgenoemde voorwerpen even te
"omdompelen in goudgloed" ware niet zoo heel moeilijk, maar wel fout
geweest; het gold een opsomming van voorwerpen, welke, met een nauw
merkbaar lachje, de eigenaardigheden der bezitster moest te verstaan
geven.
Doch dat wij geen felle voorkeur hebben voor onze personen, dat pleit,
dunkt mij, enkel vóór ons. Als er ééne verdienste is, bijv. in ons "Huis
vol Menschen," dan is het de geestes-houding der schijvers, die al deze
menschen uit dat huis met een gelijke genegenheid aanzien. Scherp wordt,
om iets te noemen, Aristide's egoïsme ontleed, doch de laatste maal dat
men hem ziet, het is wanneer Célestin hem vindt, in slaap gevallen bij
een kaars, en ontroert over zijn argelooze jeugd, zooals hij daar
slapend ligt, en stilletjes weer weggaat. Deze en dergelijke dingen vind
ik zelf, nu op een afstand van meer dan vijf jaren, het beste in "Een
Huis vol Menschen."
"Sprotje" kenmerkt dezelfde eigenschap. Sprotje lijdt niet door de
schuld der anderen. Haar moeder is een beste vrouw, haar zusters hebben
het wel goed met haar voor, Juffrouw Jonkers en de armetierige "Mevrouw"
kunnen het al evenmin helpen. Sprotje lijdt--omdat het in de wereld zoo
is, en omdat zij-zelf zoo is als zij is.
"Sprotje" is eigenlijk een zuiver historisch-materialistisch werkje,
maar het is zuiverder dan het waarschijnlijk zijn zou, indien een
historisch-materialistisch schrijver het geschreven had, omdat het
geheel zonder _tendenz_ is.
Zoo is ook--één criticus, de vaak diep-gaande Van Campen heeft het
opgemerkt--"De Vreemde Heerschers" een zuiver-socialistische
roman,--zonder dat het dit zoozeer bedoelde te wezen. Maar wij leven in
de tegenwoordige wereld, wij buigen ons aandachtig over die wereld heen,
en wij beelden haar uit zooals wij zien dat zij is. En waar zij bewogen
wordt door kapitalistische drijfveeren, daar openbaren die zich in ons
werk.
Evenwel, wij hebben geen vooropgezette voorkeur voor de verschillende
partijen, voor de _menschen_, en wij bestudeeren gelijkelijk de deugden
en de ondeugden van de Contessa Margherita, van de verschillende
priester-typen en van de bevolking der beide bergdorpen.
Mijn critisch werk ontslaat mij van de beantwoording van verscheidene
uwer vragen. Daarin vindt gij, beter dan ik het hier in een paar woorden
zeggen kan, mijn antwoord; en zoo het nagaan van meer dan tien
"Gids"-jaargangen wat veel gevergd is, dan verwijs ik u naar "De
Krachten der Toekomst." Die nemen bijv. wanneer gij vraagt "hoe mijn
standpunt ten opzichte van de Nieuwe Gids-strooming zich in den loop der
jaren gewijzigd heeft," het antwoord over, waar deze brief u bij mijn
medewerking aan "De Arbeid" in den steek laat. (Zie o.a. het opstel
"Dichters van drie Geslachten" 1905, en vooral laatstelijk, mijn opstel
"De Roeping onzer Dichtkunst (Natuur en Kunst in de Poëzie)" in "De
Gids" van Mei 1913.)
Bij een _algemeene_ kenschets van de Nieuwe Gids-beweging (zooals gij
mij vraagt--ik kan niet ontkennen, dat het onderwerp mij ietwat
vermoeit, ik zou liever over andere dingen spreken) bij een _algemeene_
kenschets, zeg ik, kan men nooit heel _diep_ gaan, omdat dan altijd een
of meer persoonlijkheden dier beweging, die er zoo wijd-verscheidene
omsloot, buiten onze beschouwing geraken.
Doch dít is de hoofdzaak, sinds lange jaren door mij en vele anderen
voor waar gehouden: dat deze beweging, na het _banaal_-algemeene van de
kunst vóór haar, het zocht in het individueele. De trotsch en de
hoogheid van dat individueele was het wat ons in onze jeugd, bij de
schoonste dier individualiteiten, Kloos, Van Deyssel en Gorter,
betooverde. Toen dat individualisme opsteigerde tot toppen, die boven de
stijgkracht weken van de taal, is het, juist bij de geniaalsten onder
hen, in gruizelementen ineengestort.
Als zij zich weer oprichtten, was Kloos verbijsterd, Gorter stamelde
onnoozel proza; Van Deyssel had een nieuw schrijversleven te beginnen.
Van Eeden was maar in enkele werken na "De kleine Johannes" met de
eigenaardigheden der richting meegesleept. Maar alle de anderen, voor
zoover zij zich herstelden, hebben behouden uit hun jeugd (de prachtige
Van Looy niet uitgezonderd):--een voorkeur voor het afwijkende en
ongehoorde, een voorliefde zelfs voor het duistere, en een
anarchistische willekeur.
Wij jongeren daarentegen (die na ons komen, mogen uitmaken, in welke
opzichten wij onderdoen voor onze voorgangers) begeeren in zoo zuiver en
beheerscht mogelijk Hollandsch zoo klaar mogelijk te zeggen wat wij te
zeggen hebben.[6]
De Nieuwe Gidsers gaven er niet om, of zij al dan niet begrepen werden,
zij hadden lak aan "het publiek,"--wij zijn tot de menschheid
weergekeerd, waartoe wij wenschen te behooren, met wie wij wenschen te
leven om haar te begrijpen en wederkeerig door haar begrepen te worden.
En worden wij eens niet begrepen, dan vinden wij dat niet zoo tragisch,
omdat wij gereedelijk aannemen, dat het dan wel aan ons zal liggen ...
en aan onze "afkomst."
"Hoe zieker zenuwen, hoe
beter kunst"--is dus een echte Nieuwe Gids-gedachte. De uitslag heeft de
onjuistheid ervan aangetoond. Er is uit de overspannen sensitivisten ten
slotte een onleesbare wankunst voortgekomen.
Dus: "hoe gezonder zenuwen, hoe beter kunst?" Dat zou ik evenmin willen
zeggen, want wat ik voor juist houd is: "hoe _gevoeliger_ zenuwen, hoe
beter kunst," en gevoelige zenuwen, al zijn zij gezond (en zeker, dat
moeten zij, wil er blijvende kunst ontstaan, wel wezen), zullen altijd
licht-vatbaar blijken....
Overigens weet ik bij ondervinding, dat stoornissen in het zenuwgestel
een tijdlang bevorderlijk kunnen zijn voor de kunst-productie. Ik had
vroeger periodiek asthma-aanvallen; ik was gedwongen daarvoor
verdoovende geneesmiddelen te nemen; het vrijkomen uit die verdooving en
de beterschap was een verrukkelijke gewaarwording. Het gaf een soort
martelende en heerlijke eb-en-vloed in mijn leven, die zeer
"stemmingvol" was....
Toen de kwaal genas, miste ik dien eb-en-vloed terdeeg. Er was iets
leegs in die egale gezondheid. Nu na jaren het evenwicht zich hersteld
heeft, verlang ik heusch niet naar mijn eb-en-vloed terug....
----En nu wilt u weten, welke rol documenteele studie en verbeelding in
ons werk hebben?[7]
De documenteele _studie_ bepaalt zich tot: _leven_. Wij leven, wij
leiden ons leven en wij ondergaan het leven, gevoelig blijkbaar voor
indrukken. Bij dat leven denken wij zelden of nooit aan schrijven. Een
enkele maal teekenen wij wel eens iets op, dat wij curieus vinden en "om
te vergeten".... Juist die dingen gebruiken wij vaak niet.
Nu gaan wij aan het werk, met als archief: onze herinnering. Maar
vlak-af copieeren doen wij die nimmer. Op zijn minst wordt de
werkelijkheid onzer herinnering totaal verfantaseerd en gecomponeerd tot
een nieuw geheel. Het gebeurt ons niet zelden, dat wij er niet meer in
slagen, ons de werkelijkheid zelve, die tot een schepping aanleiding
gaf, nauwkeurig te binnen te brengen.--_Portretten_ komen in ons werk
weinig voor; komen zij voor, dan betreft het hoogstens de _uiterlijke_
verschijning eener bijfiguur, die wij opeens vóór ons zien.
Zoo "Een Huis vol Menschen"; zoo "De Vreemde Heerschers." Een jonge
schilder, van wien uiterlijk Aristide wat heeft, zijn wij eens
tegengekomen, in de huisgang, met een meisje, dat wij voor een
grisettetje hielden. Een juffrouw, die pastoorshoeden verkocht, zagen
wij in haar "magasin," toen wij haar appartement wenschten te huren. En
een oud, lief dametje, dat blijkbaar in ons huis woonde, vroeg mij
tweemaal op straat, hoe het met mijn vrouw ging, zij had iets van ziekte
bij den conciërge gehoord.... Hoe zij heette, wie zij was, of op welke
étage zij woonde, weten wij niet, en Jozette zal zij wel nooit hebben
gekend. Van Célestin is alleen de karbonkel op zijn muts authentiek.
Van die menschen, over wie wij verder ook niet meer dachten of spraken
vóór wij het plan opvatten van dat boek, wisten wij dus al heel weinig
af; één indruk hunner persoonlijkheid; verder zijn zij geheel creaties.
En bij dat creëeren, uit allerlei onvermoede verten van uw leven, komen
dan verwonderlijk en vanzelf de tallooze trekken op u af, die gij noodig
hebt.
Maar "Sprotje" is _louter_ verbeelding. De figuren leven zóó innig,
nietwaar, dat ik u eerlijk moet zeggen, mij niet meer te kunnen
voorstellen, dat zij niet werkelijk bestaan.
En toch heeft de schrijfster ze geen van alle gekend. Voor de
voornaamste figuren, Sprotje zelf, de moeder, de zusters, Hein, Juffrouw
Jonkers, zou zij zelfs niet zekere prototypen, tenzij het _algemeene_
menschentype, kunnen aanwijzen. Slechts voor enkele bijfiguren stonden
haar een paar gekende menschen soms een oogenblik voor den geest.
En aan die waarachtige algemeen-menschelijkheid, aan dat geschapen-zijn
uit de diepte der menschheid zelve, dankt "Sprotje" ongetwijfeld de door
ieder erkende zeldzame qualiteiten, waarover de echtgenoot der
schrijfster dus zeker niet zedig hoeft te doen.
Uw vraag ten slotte: wat ik denk van de kunst in een eventueel
socialistische toekomst "waarin economische en daarvan min of meer
afhankelijke zedelijke conflicten werden vermeden,"--die heb ik
eigenlijk al beantwoord. Er zal kunst zijn, zoolang er menschen zijn; en
werden die menschen engelen,--dan denk ik aan hetgeen die lieve
Franciscaner zei, die met mij voor een schilderij van Raphaël stond: "En
hòe zal hij niet schilderen, nu dat hij in den Hemel is!"
Ik hoop, waarde heer d'Oliveira, u naar wensen te hebben ingelicht,
zonder al te langdradig te worden. Geloof mij, met onderscheiding, uw
dienstvaardige